SpiritualiteitTheologie

Omgaan met de majesteitelijk verheven en teder nabije God

Facebook wintercollectieIn mijn nieuwe boek Tedere Majesteit. Omgang met God in gereformeerde spiritualiteit ben ik bezig met wat theologisch het hart van de zaak en tegelijkertijd de spirituele zaak van het hart is. De kern van  theologie is immers – zoals het woord zelf al zegt –  spreken over God,  of, met een eigentijdse term:  ‘God- talk’.  Vanuit mijn werk als bijzonder hoogleraar ‘gereformeerde spiritualiteit’ aan de Protestantse Theologische Universiteit (Groningen) heb ik mij jarenlang bezonnen op wat in het hedendaagse discours de eigen gereformeerde inbreng is in de bezinning op God en de omgang met Hem.  Met mijn studenten las ik bronteksten van Calvijn tot Barth. Het heeft mij getroffen dat bijvoorbeeld in de Heidelbergse Catechismus voluit recht wordt gedaan aan het spanningsveld tussen Gods verhevenheid en Gods nabijheid. Dat geldt vervolgens ook in grote lijnen, en met wisselende accenten, voor interpreten van de catechismus, van Bastingius en Sibersma tot Kohlbrugge en Barth. Juist dit spanningsvolle denken over en geloven in God betekent een wezenlijke actuele bijdrage in het debat over de Godsleer en over gestalten van spiritualiteit.

Het gaat hierbij niet om een evenwichtsconstructie tussen enerzijds een beetje nabijheid en anderzijds een beetje distantie. Het gaat nog minder om een keus tussen wat meer van de ene pool en wat minder van de andere. Het wordt en blijft juist spannend wanneer het paradoxale naar voren komt dat de onuitsprekelijk hoge God voor Wie we alleen maar beven en sidderen kunnen, tegelijkertijd in Christus ons teder nabij is als hemelse Vader en met moederlijke troost. Op de omslag van mijn boek is het schilderij afgebeeld dat Anneke Kaai  –  van Wijngaarden maakte van Psalm 84. We zien hoe een vogeltje een schuilplaats zoekt tussen de ornamenten van het kapiteel van  de hoge tempelzuil Boaz. Zo klein en toch zo dicht bij de hoge God. Steeds weer hebben gelovigen in de gereformeerde traditie zich in dat vogeltje, die mus of zwaluw, herkend.

In de weergave van wat studenten uitspreken over hun beleving van Gods verhevenheid en nabijheid, en niet minder in de discussie die binnen het boek wordt gevoerd met collega theologen (zoals Andreas Beck, Bram van de Beek, Henk van den Belt, Gijsbert van den Brink, Theo van Campen, Hans-Martin Kirn, Benno van den Toren en Wim Verboom), komt steeds weer naar voren hoe groot het belang is van het volhouden van genoemde spanning in ons denken en spreken over en onze omgang met God. Op deze wijze worden we behoed voor ontsporingen. Maar al te vaak wordt God als een verre, afstandelijke en ondoorgrondelijke grootheid gezien. Hij staat dan op eenzame hoogte als het Opperwezen aan de top van de piramide van het zijn. Of Hij gaat verborgen achter een predestinatie-idee en een aan willekeur grenzende vorm van absolute soevereiniteit.  Aan de andere kant wordt God getekend als een sympathieke, maar eigenlijk machteloze Vriend of als een goedige  suikeroom. Hoe vaak wordt er niet over God gepreekt en gezongen alsof Hi j haast vertwijfeld op onze sympathie zit te wachten en maar al te blij is dat er nog mensen zijn die de moeite nemen om iets aan godsdienst te doen. Deze godsbeelden worden gebroken vanuit het steeds opnieuw geduldig luisteren naar Gods zelfopenbaring in de Schrift. Dit is naar mijn overtuiging binnen de gereformeerde traditie dikwijls zorgvuldig gebeurd, al kent ook deze traditie helaas ontsporingen. De herbronning vanuit deze traditie blijft van essentiële betekenis voor theologiebeoefening en spiritueel leven vandaag.

Ik zie mijn boek graag als een emmer om uit deze bron te putten. Het wil een weg gaan via luisteroefeningen naar spreekoefeningen. Bij de luisteroefeningen zijn jongere en oudere theologen uit de zestiende tot en met de eenentwintigste eeuw eerst mijn zegslieden en vervolgens mijn gesprekspartners. Ik hoop dat dit boek een wegwijzer is naar een leven onder een open hemel, in diepe eerbied én kinderlijke vertrouwelijkheid.  Ten diepste gaat het hierbij om de pietas, vroomheid, zoals Johannes Calvijn deze omschrijft: de met liefde verbonden eerbied voor God die door de kennis van Zijn weldaden wordt gewekt.

Jan Hoek