Exegese

Omdat hij uit het huis en geslacht van David was

Dit artikel van Annette Merz en Piet van Veldhuizen is verschenen in het tijdschrift voor bijbelse theologie Interpretatie, november 2013. Klik hier om dit nummer te bestellen.

***

Volgens Lucas vindt de geboorte van Jezus in Betlehem plaats als gevolg van een census (volkstelling) die plaatsvond op last van keizer Augustus, toen Quirinius het bewind over Syrië voerde. Het verhaal vertelt dat Jozef en Maria vanwege die census naar Betlehem moesten reizen omdat Jozef van David afstamt. Piet van Veldhuizen heeft daar vragen over, Annette Merz heeft er onderzoek naar gedaan.

Eerste vraag: zijn er aanwijzingen dat zo’n census in die dagen werkelijk heeft plaatsgevonden? Ook als het antwoord ‘nee’ zou zijn, wil ik wel weten hoe een volkstelling destijds in zijn werk ging. Want de verteller veronderstelt misschien wel dat we daar een beeld bij hebben. Moest iedereen zich zelf melden? Kon dat echt alleen in je stad of streek van herkomst? Welke gegevens werden er genoteerd?

Over de census van Quirinius hebben geleerden sinds Tertullianus zich het hoofd gebroken. Aan de ene kant zijn diverse gegevens bij Lucas niet met elkaar te rijmen. Zo gaapt er een gat van bijna tien jaar tussen de dood van Herodes de Grote (4 v.Chr.), onder wiens bewind Jezus geboren zou zijn (Luc. 1:5; Mat. 2:1), en de census van Quirinius. Die moest als stadhouder van Syrië in 6/7 na Christus in Judea een volkstelling doorvoeren, toen deze streek na afzetting van de zoon van Herodes de Grote, Herodes (!) Archelaus, onder direct Romeins bewind kwam en deel van de provincie Syrië werd. Ook heeft Lucas kennelijk twee soorten van census door elkaar gehaald. Een census voor de hele wereld, waarvan Lucas 2:1 spreekt, is er nooit geweest. Wel werden per veroverde regio op verschillende tijden provinciale tellingen gehouden om de belasting vast te stellen die de provincie in kwestie aan Rome moest afdragen. Hierbij ging het om het vermogen van inwoners die geen Romeinse burgers waren. Daarnaast was er een oudere traditie van inschrijving van Romeinse burgers uit het hele rijk in belastinglijsten. Onder Augustus werden in de jaren 28 en 8 v.Chr. en 14 n.Chr. census gehouden; Vespasianus liet 74 n.Chr. de laatste bekende census voor Romeinse burgers in het hele rijk doorvoeren. Dat was een grote administratieve en logistieke operatie, die niet onopgemerkt voorbijging. Het is goed voorstelbaar dat de evangelist Lucas, schrijvend in de jaren 80, zijn idee van een census daaraan ontleende, en zodoende een provinciale telling in Judea beschreef als een census voor heel het rijk. Maar er wás dus echt een census onder Quirinius in Judea, en het was zelfs, zoals Lucas schrijft, de eerste in dit gebied. Zoals elke census werd deze gehouden op last van de keizer, Augustus. Deze census kreeg zelfs de aandacht van historici, omdat hij leidde tot een lokale opstand en tot een radicalisering van de anti-Romeinse krachten in Palestina, met verstrekkende gevolgen voor de geschiedenis van het Jodendom en voor een van zijn stromingen, de Jezusbeweging. Daarover later meer.

Hoe ging zo’n census in zijn werk? Kon ik op die vraag maar gedetailleerd antwoord geven. Helaas zijn de bronnen zeer beperkt en verschilt het beeld per regio. Dat is ook logisch: de gebieden die de Romeinen annexeerden, hadden elk een eigen geschiedenis. De infrastructuur en de manier waarop bezitsverhoudingen gedocumenteerd werden, was niet overal hetzelfde. Maar Lucas lijkt aan zulke details geen waarde te hechten. Men heeft bijvoorbeeld verondersteld dat Jozef naar Betlehem reisde omdat hij daar land bezat. Maar als dat zo was, dan had hij toch zeker bij een van zijn pachters een onderkomen kunnen vinden? Ook dat Maria, hoogzwanger, meereist, laat zich niet door de eisen van de census verklaren. Kortom: de details kloppen niet en er is door de verteller ook weinig aandacht aan besteed. Waar het om gaat is dat Jozef en Maria op last van keizer Augustus naar Betlehem reizen en daar op het moment van Jezus’ geboorte zijn. De redenen daarvoor zijn niet historisch, maar theologisch van aard, want volgens Micha 5:1v moest de Messias uit Betlehem komen.

In het Johannesevangelie zien we nog hoe de eerste christenen ermee worstelden dat de afkomst van Jezus uit Nazaret niet strookte met de messiaanse verwachtingen (Joh. 1:45v; 7:52). Matteüs en Lucas vertegenwoordigen beiden een later stadium van de traditiegeschiedenis, waarin men dit probleem creatief heeft opgelost: Jezus is in Betlehem geboren, zoals van de Messias verwacht kon worden, en later in Nazaret opgegroeid. Lucas laat de in Nazaret wonende familie naar Betlehem reizen vanwege de census. Matteüs heeft een heel ander verhaal: de familie woont in Betlehem, maar wordt door de kindermoord van Herodes de Grote eerst naar Egypte verdreven en vestigt zich later in Nazaret, alles in overeenstemming met profetische teksten.

Lucas schrijft dat Jozef zich gaat melden in Betlehem omdat hij van David afstamt. Dat is toch merkwaardig. David leefde duizend jaar eerder. Als iedereen naar de plek moest waar een millennium eerder zijn voorouders leefden, zou de volksverhuizing het hele land ontwricht hebben, gesteld al dat iedereen zo ver terug kon rekenen. Kan het zijn dat Lucas hier bewust de spot drijft met de eis om naar je plaats van herkomst te gaan?

De verbinding met David en de overbrugging van duizend jaar geschiedenis zou inderdaad merkwaardig zijn als je de gegevens leest als historische feiten. Maar ondanks het feit dat Lucas ook historicus is, en dat hij in Lucas 2:1 een nauwkeurig historisch decor construeert, hanteert hij als schrijver van de heilsgeschiedenis hier een andere set van gegevens. Bijbelse geslachtslijsten (denk aan Gen. 4:17vv; 10; 11:10vv; 1 Kron. 1-9; Ezra 8; Neh. 11-12, enz.) wezen in principe iedere Israëliet een vaste plek aan in de geschiedenis van God met zijn volk. Volgens de in Leviticus 25:23vv vastgelegde regels mocht het door God aan het volk geschonken land nooit definitief buiten een familie verkocht worden, maar moest het uiterlijk in het sabbatjaar weer bij de familie terugkomen. Het is hier niet de vraag of deze regel werd nageleefd (waarschijnlijk niet) en of iedere Israëliet zijn stamboom tot Adam terug kon leiden (zoals in Luc. 3 voor Jezus wel geschiedt), maar wie de bijbelse geschiedenis voort wilde schrijven, moest de bijbelse genres, regels en feiten als referentiekader gebruiken. Dat is precies wat Lucas doet. Geniaal is in mijn ogen vooral de gedurfd creatieve verbinding van historiografische en heilshistorische gegevens. Daardoor komen Augustus, de almachtige heerser van het Romeinse Rijk, en de zoon van David, die de eeuwige troon van Israëls grootste koning zou innemen, in het verhaal op hetzelfde level terecht.

Maar de stad van David, dat zou dan toch Jeruzalem geweest moeten zijn. Daar leefde koning David en daar stierf hij, daar resideerden zijn nakomelingen. Betlehem is de plek waar hij geboren werd – dus als iemand voor een volkstelling naar Betlehem zou moeten, zou dat hooguit David zelf geweest zijn, als de telling tijdens zijn leven had plaatsgevonden.

Lucas maakt hier een theologisch statement. De geboorte van Jezus sluit niet aan bij de oude koning David, die volgens 2 Samuël als laatste koninklijke daad ook zo’n onzalige volkstelling organiseerde. De geboorte van Jezus sluit aan bij David de herder, de jongen die aanvankelijk niet in tel was, maar die door de Eeuwige werd aangewezen als nieuwe koning. En het geeft een prachtig ironisch verband als juist een census, een almachtsdaad van de Romeinse kyrios, de nieuwe kyrios van Gods Rijk op de juiste startplek brengt. Ondersteunend bewijs daarvoor is te vinden in de genealogie van Jezus, die Lucas in 3:23-37 geeft en die zoals bekend sterk afwijkt van het geslachtsregister volgens Matteüs.

Het belangrijkste belangrijkste verschil is dat bij Matteüs de lijn via de koningen van Israël loopt (Salomo, Rehábeam, Abia, enz.), terwijl bij Lucas een andere zoon van David, Natan, de lijn voortzet. Door deze constructie heeft Jezus volgens Lucas niet een hele reeks koninklijke voorvaders, maar komt hij als eerste na David weer op de troon van David te zitten, als directe en enige erfgenaam van de aan David gegeven beloftes (zie Luc. 1:32). De koningen van Israël zijn in deze lezing een genealogische zijlijn. Het lijkt er dus op dat de keuze voor Betlehem als stad van David en voor de niet-koninklijke lijn in het geslachtsregister met elkaar samenhangen, en dat Micha 5:1v door Lucas heel letterlijk is opgevat. Als de echte zoon van David en erfgenaam van Gods belofte aan David moest de ware zoon van David uit Betlehem komen, en de census bood een welkome gelegenheid voor de verplaatsing van de familie.

Maar die Jozef, zoals Lucas hem neerzet – gaat die argeloos naar Betlehem omdat de Romeinen hebben gezegd: je moet naar je stad van herkomst? Of denkt Lucas zelf misschien in zijn argeloosheid dat de hele Davidische familie daar nog huist? Of kan het ook zijn dat Lucas van Jozef een soort Tijl Uilenspiegel heeft gemaakt, die in een ludieke daad van burgerlijke ongehoorzaamheid naar de plek gaat waar duizend jaar eerder zijn verst-bekende voorvader werd geboren? Dat het nachtverblijf volgeboekt was, komt dan vast doordat bijna elke jood van David afstamt, zoals hele Hollandse volksstammen beweren dat Rembrandt hun voorvader is. Jozef en Maria deden dan mee aan een slow motion flashmob, zeg maar.

Ik vrees dat Lucas het tegendeel van een ludieke actie of van burgerlijke ongehoorzaamheid op het oog had. Meedoen aan de census was een ultieme daad van loyaliteit aan de Romeinen. Het is bekend dat Lucas het vroege christendom wilde verdedigen tegen het verwijt dat het nieuwe geloof de gevestigde orde verstoorde. Juist rond de census van Quirinius waren in Palestina ongeregeldheden voorgevallen. De joodse historicus Flavius Josephus bericht daar meerdere keren over, het meest uitgebreid in Antiquitates 18:1vv. Hij doet verslag van de leer van ene Judas Galilaios en van een farizeeër met de naam Sadduk, die beweerden dat meedoen aan de inschrijving gelijkstond met het aanvaarden van een andere heer dan God en dus direct tegen het eerste gebod inging. Opstand tegen de Romeinen was daarom geboden en God zou opstandelingen helpen de overmachtige tegenstander te verslaan. Het kwam tot onlusten, die door Quirinius werden neergeslagen. Maar wat belangrijker is: de leer van Judas Galilaios werkte door en inspireerde de anti-Romeinse krachten in Palestina uiteindelijk tot de grote oorlog (66-74). Deze begon met de staking van het inzamelen van de belasting (!) en het verbranden van de schuldarchieven, en vond zijn gruwelijke hoogtepunten in de vernietiging van de tempel in Jeruzalem en de val van Massada. Josephus trekt in Antiquitates 18 een directe lijn van de census van Quirinius naar de Joodse oorlog, en we mogen aannemen dat Lucas in deze redenering mee is gegaan, temeer daar hij Judas en de vernietiging van diens plannen zelf noemt, in Handelingen 5:37. Evenals de andere evangelisten vertelt hij ook hoe Jezus in Jeruzalem met de leer van Judas Galilaios geconfronteerd werd, toen hij de vraag kreeg voorgelegd die vrede of oorlog met de Romeinen betekende: ‘Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?’ (Luc. 20:22). Maar Lucas verraadt zijn grote interesse voor de belastingkwestie door als enige te vermelden (23:2) dat Jezus voor Pilatus beschuldigd werd van drie dingen: het volk te verleiden, te verhinderen dat aan de keizer belasting werd betaald en te zeggen dat hij de gezalfde (Christus), de koning, is. Juist de volgens Lucas terechte claim van het davidische koningschap wordt dus door de kwaadsprekers in verbinding gebracht met het aanzetten tot weigeren om belasting te betalen. Welnu, deze valse beschuldiging konden de lezers van het Lucasevangelie eenvoudig afdoen door op Jozef te wijzen, die als voorbeeldige belastingbetaler naar Betlehem reisde, om zich als nakomeling van David juist niet bij de opstandelingen te scharen.

Een laatste vraag: waar loopt bij Lucas de grens tussen zijn argeloosheid en zijn raffinement? Waar schrijft hij bewust fictie en waar denkt hij dat het gewoon zo wás?

Dat is een spannende vraag. Jammer is alleen dat hij niet met zekerheid te beantwoorden valt. We weten niet hoe gedetailleerd de bronnen waren waarover Lucas de beschikking had. Voor zover we het aan het resultaat kunnen beoordelen, heeft hij zijn kennis creatief gecombineerd met zijn overtuigingen. Zijn kennis betrof Augustus, Quirinius, de opstand van Judas Galilaeus en diens opvattingen over de Romeinse belasting, en het feit dat volgens de profetie de beloofde Zoon van David uit Betlehem moest komen. Zijn overtuiging was dat christenen geen oproerkraaiers zijn en trouw belasting betalen, zie ook Romeinen 13:6. Daarom stuurt hij Jozef vanwege de census naar Betlehem – Jozef, die aan de keizer geeft wat de keizer toebehoort, maar tegelijk zijn rol vervult in het heilshistorische drama, waarvan het draaiboek eist dat de koning over het huis van Jakob, wiens koningschap geen einde zal nemen (Mi. 5:1; Luc. 1:32-33), in Betlehem geboren moest worden.

Prof. dr. A.Merz is hoogleraar literatuur- en cultuurgeschiedenis van het vroegste christendom aan de Universiteit Utrecht en lid van de redactieraad van Interpretatie.

Dr. P. van Veldhuizen is protestants predikant te Hendrik-Ido-Ambacht en lid van de redactie van Interpretatie.

Opmaak 1

2 reacties

  1. 11 december 2013 om 19:15

    Zeer interessant!
    Zou ook het Benjaminsmotief hebben meegespeeld? In Genesis begeeft ook Rachel zich hoogzwanger op weg om op de velden van Efratha te bevallen van Benjamin.
    Warme groet,

  2. Johan
    2 januari 2014 om 22:38

    Ik moet zeggen dat ik dit een heel leuk artikel vind. Allerlei relevante onderwerpen komen aan de orde.

    In de eerste plaats de vraag of Lucas in zijn evangelie in de tijd de feiten niet door elkaar heeft gehusseld en of hij volkstelling(en) wel juist in de tijd heeft geplaatst. Ik moet u zeggen – tot dat het tegendeel blijkt – dat ik hiervan niet overtuigd ben. Ik beschouw Lucas toch zo ongeveer als het NOS-journaal van het Nieuwe Testament. We gaan er blindelings vanuit dat NOS-redacteuren alle onderwerpen goed geresearcht hebben en dat ze ons als kijkers geen (politiek correcte) apekool verkopen. Ondanks het feit dat ook ik uw historische vragen niet kan beantwoorden, heb ik er toch redelijk vertrouwen in die NOS-verslaggever Lucas. Ik zou – 2000 jaar na dato – niet te snel twijfelen aan zijn verslag. Daar zijn in het verleden al heel wat vrijzinnige zielen mee op de koffie gekomen.

    Wat u terecht aankaart is de vraag die impliciet in het Lucas-evangelie verborgen zit, namelijk deze vraag: wie is de echte kyrios? Dat is een diepgravende, Bijbelse notie. Want de term kyrios betekent Bijbels gezien gewoon koning. Volgens de Thora bestaat er in de hele wereld maar één God die tevens de echte koning van de wereld is. In Lucas 2 wordt als het ware het spelletje ‘Wie van de drie’ gespeeld. Want wie is nu eigenlijk de echte koning? Is dat die verre keizer Augustus, of is dat die machtsbeluste Herodus of is dat dat onwetende kind Jezus in de kribbe? Met als slotvraag van de quiz: wil de echte kyrios nu opstaan? In feite wordt er een machtsvraag gesteld. Die vraag ontging de Joden, want die keken niet verder dan het land Kanaän. En vol afschuw zagen ze hoe is dat land van God gehelleniseerd was geraakt en dat Romeinen daar de baas waren. Het verhaal van Lucas brengt het koningschap van God verder en brengt daarin een revolutie teweeg. Daar waar het in het Oude Testament nog ging over het koningschap over Kanaän, daar gaat het in het Nieuwe Testament over het koningschap over heel de wereld. En Paulus borduurt daar later vrolijk op door, door alle heidenen in het verbond met de God met Israël te betrekken. Want ja, God als wereldkoning kan toch niet zonder wereldburgers als onderdanen?

    Goed, Lucas, sluit aan bij Oudtestamentische profetie: de messias zou in Bethlehem geboren worden. En dat dat gebeurd is, wordt bevestigd door Matteüs. En bovendien vertelt Matteüs nog het kostelijke verhaal van die magiërs, die astrologen annex sterrenkijkers ‘uit het Oosten’, die zich niks aantrokken van de machtsverhoudingen in hun tijd, maar die eenvoudig en vol enthousiasme de ster zijn gevolgd. Wat dat aangaat zijn deze magiërs een voorbeeld voor veel theologen van vandaag. Want ja, hebben die de ster wel gezien?