Israël

Offer en ethiek in het Jodendom

Graag wil ik, vanuit het Jodendom, enkele gedachten met u delen over de offerdienst. Gaat het Jodendom er werkelijk van uit dat er weer geofferd zal worden? Ja zeker, het is er ten diepste van overtuigd dat de offerdienst op een bepaald moment gewoon weer voortgezet zal worden zoals deze gefunctioneerd heeft tot het begin van de ballingschap, de diaspora, nu zo’n tweeduizend jaar geleden.

Hét Jodendom is natuurlijk een lastig begrip. Ik bedoel hier het Jodendom dat gebaseerd is op de traditie dat God op de berg Sinaï de Tora heeft geopenbaard aan het Joodse volk. God gaf de mitswot, de 613 ge- en verboden, als een verplichting. Het Woord van God zoals dat verwoord is in de Tora, is letterlijk het Woord van God en van dat Woord kan niet worden afgeweken, toen niet en nu niet.

Wanneer we het hebben over de offerdienst, wordt vaak de vraag gesteld of de offerdienst werkelijk terug zal komen. Die vraag is begrijpelijk gezien de lange tijdspanne, tweeduizend jaar, tussen toen en nu. Als mensen die slechts een heel kleine schakel zijn in die lange keten, zijn we gemakkelijk geneigd te denken dat de offerdienst niet meer terug zal komen. Maar: er is ook tijd gemeten door de Eeuwige en niet door de mens.

Laten we allereerst kijken naar het concept van korban, het offer, zoals we dat in de Tora, in de Pentateuch, terugvinden.

In het begin van Genesis wordt al melding gemaakt van offeren. Abel brengt een offer en Kaïn brengt een offer. Het ene offer, dat van Abel, is de Eeuwige kennelijk welgevallig; het andere, dat van Kaïn, niet. We weten hoe het is afgelopen. Dit is het eerste moment van overbevolking op deze wereld, er is geen ruimte voor twee mensen, één moet het veld ruimen.

De midrasj, de overlevering achter de feitelijke Bijbeltekst, vertelt ons veel over dit offer. Het offer van Abel bestaat uit wol, zorgvuldig uitgezochte fijne witte wol; dat is het mooiste stukje schepping dat Abel kan vinden om aan de Eeuwige te offeren. Kaïn, zo vertelt de midrasj, pakt wat vlas, ruwe vlas, en offert dat.

Wanneer we verderop in de Tora naar de wetgeving kijken, de 613 ge- en verboden, zien we in Leviticus dat het aan het Joodse volk wordt verboden om kledingstukken te dragen, die gemaakt zijn van een combinatie van wol en linnen. De Tora verbiedt dat. Een Jood mag geen kledingstuk dragen waarin zowel wol als linnen verwerkt is. De Tora geeft geen reden voor dit verbod. Het is, zoals we dat noemen, een maatregel uitgevaardigd door de Koning en die hebben wij op te volgen.

Er is echter een midrasj die aangeeft dat de reden hiervoor te vinden is in het verhaal van Kaïn en Abel. Kaïn brengt God een offer van vlas (waarvan linnen wordt gemaakt) en Abel offert een schaap (wol). Wat constateert de Eeuwige? Abel offert iets dierlijks, Kaïn offert iets plantaardigs, wol en vlas.

In de schepping zien we, misschien wel vanaf de eerste dag, een bepaalde ordening. Er heerst geen wanorde, er heerst orde. Er wordt levenloos materiaal geschapen: stenen, water, licht. Er wordt flora geschapen. Er wordt fauna geschapen. Uiteindelijk wordt de mens geschapen. Al deze soorten, zeg maar disciplines in de schepping, worden gescheiden geschapen en zullen altijd gescheiden moeten blijven.

Wanneer in het offerconflict tussen Abel en Kaïn die twee disciplines elkaar gaan raken, legt de Eeuwige vast in de Tora: wol en linnen, dierlijke en plantaardige disciplines van het scheppingsverhaal mogen niet vermengd worden; die moeten gescheiden blijven.

Ik vertel u dit alles omdat offeren voor de Eeuwige te maken heeft met de schepping en met het handhaven van de orde waarin alles in de schepping is vastgelegd.

In Genesis vinden we nog een offer, een moment van offervaardigheid. De Eeuwige beproeft Abraham en draagt hem op om zijn zoon, Isaak, te offeren. Wanneer we kijken in de midrasj en de Talmoed, zien we dat er veel meer gebeurd is in het gesprek tussen God en Abraham dan we alleen in de Bijbeltekst zien. Dit is slechts één voorbeeld van de vele plaatsen in de Tenach, waar we een soort monoloog zien: God spreekt en de mens luistert. Uit de midrasj blijkt echter dat er een dialoog achter zit.

Wanneer Abraham de opdracht krijgt om krijgt om zijn zoon, Isaak, te offeren, zegt de Eeuwige: ‘Neem toch jouw zoon, jouw enige zoon,die je lief hebt, Isaak.’ Het lijkt of God in de richting van Abraham spreekt en Abraham luistert. Nee, zegt de midrasj, er gebeurt hier veel meer. De Eeuwige zegt: ‘Neem toch jouw zoon’, waarop Abraham tegen de Eeuwige zegt: ‘Ik heb twee zonen, Ismaël en Isaak.’ ‘Jouw enige zoon.’ ‘Ze zijn allebei enig, de ene is de enige zoon van de ene moeder, Sara, en de andere is de enige van Hagar.’ ‘Die je lief hebt.’ ‘Ik heb ze alle twee lief.’ En dán pas stipuleert de Eeuwige: ‘Neem Isaak.’

Waarom die hele dialoog? De verklaring van onze schriftgeleerden is dat hier sprake is van het opbouwen van een offervaardigheid van de mens tegenover de Eeuwige. Het is niet zo van ‘neem een offer’ en ‘goed, ik neem een offer’, er gebeurt veel meer. Hier wordt heel zorgvuldig aangeduid en aangegeven wat er op dat moment allemaal van Abraham wordt vereist. Als Abraham zegt: ‘Ja maar ze zijn alle twee het enig kind van hun moeder’, betekent dit dat Abraham moet beslissen maar ook met een moeder te maken heeft, zowel bij Isaak als bij Ismaël. Hier worden heel menselijke dimensies opgeroepen. Hier is al sprake van offervaardigheid. En dan blijkt uiteindelijk dat Abraham bereid is en dat Isaak bereid is (een eenvoudige berekening leert ons dat Isaak geen klein jongetje is, maar een man van 37 jaar; hij heeft dus ook een mening). Beiden zijn bereid.

Overigens, in Joodse termen speken we nooit over het ‘offer van Abraham’ maar over het ‘binden van Isaak’; Isaak heeft een heel duidelijke rol.

Dan ligt Isaak klaar op het altaar om geofferd te worden, Abraham neemt het mes en, u weet het, de engel roept: ‘Abraham, Abraham, stuur je hand niet naar die jongen, je moet hem niets aandoen, niet eens aanraken.’ Wanneer wij het over het offer hebben, is dit in de Bijbel het klassieke voorbeeld van het offer en dan zegt de Eeuwige: ‘Doe het maar niet.‘

Weer schiet de midrasj ons te hulp en legt uit waar het om werkelijk om gaat. Wat is de essentie van het offer? Niet het volbrengen van het offer, maar de offervaardigheid, de wil om te luisteren naar de stem van de Eeuwige, wat het ook moge zijn.

Wanneer we spreken over de eeuwigheidswaarde van de Tora, over de eeuwigheidswaarde van de Bijbel, is het offer het klassieke voorbeeld van die eeuwigheidswaarde. Vanuit mijn Joodse traditie (ik weet dat er in de kerk hier en daar anders over gedacht wordt) heb ik het over eeuwigheidswaarde in de zin dat elke letter en elke komma die toen van toepassing was, nog steeds in dezelfde mate van toepassing is, ja in dezelfde heftigheid.

Wanneer we het hebben over de offerdienst, spreken we over de eerste hoofdstukken van het boek Leviticus waarin de wetgeving over het schuldoffer, over het zondoffer, over het dankoffer, over de totale offerdienst tot in de kleinste details wordt uitgespeld. Bij de feestdagen wordt strikt aangegeven op welke momenten in het jaar welke offers moeten worden gebracht, welke dieren op welke wijze geofferd moeten worden, hoelang wel en hoelang niet van het vlees mag worden gegeten. In Exodus 12 kunnen we uitgebreid de regelgeving over het Paasoffer lezen en daaruit concludeert de Jood dat dit wetgeving is. Op dezelfde wijze als de Jood verplicht is om de sabbat te heiligen en zich op sabbat te onthouden van werk, op dezelfde wijze als hij beseft dat het verboden is om varkensvlees te eten en dat hij gehouden is om tsedaka, liefdadigheid, te doen, heeft de Jood de plicht om te leven met de regels van de offerdienst.

Er is alleen een klein probleem en dat probleempje noemen wij ‘de Romeinen’. Zij hebben de Tweede Tempel verwoest. De Babyloniërs hebben de Eerste Tempel verwoest en de Romeinen de Tweede.

De Tora geeft heel expliciet aan dat het – vanaf het moment dat bij de bouw van de tabernakel de eerste gemeenschappelijke offerdienst binnen het Joodse volk ontstaan is – de Jood verboden is om nog offers te brengen zoals Abel en Kaïn dat hebben gedaan en zoals Abraham dat heeft moeten doen: individueel. Er is nog slechts één offerplaats, de tabernakel, en uiteindelijk wordt de offerdienst uit de tabernakel overgebracht naar Jeruzalem, in lijn met wat de Tora daarover zegt. Waarom is Jeruzalem de plaats voor de offerdienst? Dat grijpt terug op het verhaal van Abraham. Op de derde dag zag Abraham Hamakom, dé plaats, uit de verte. Daarover zegt de Talmoed: Hamakom, dé plaats, er is maar één plaats: Jeruzalem. Dit verhaal is dus de eerste verwijzing naar de stad Jeruzalem. Jeruzalem, dat is de plaats.

Vanaf het moment dat er geen privé-offers meer mogen worden gebracht en alleen nog in de heilige stad Jeruzalem geofferd mag worden, mogen wij dus geen offers brengen wanneer de Tempel er niet meer is. Dat was tijdelijk zo gedurende de Babylonische ballingschap; koning Cyrus heeft toen de opdracht gegeven voor de herbouw van de Tempel. En nu, na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 door de Romeinen, hebben wij opnieuw geen tempel maar… dat is slechts een kwestie van tijd.

Onze Talmoedgeleerden hebben, kijkend naar de profetieën van bijv. Ezechiël, Amos en Jesaja, de boodschap voorzien dat er een lange diaspora zou komen die het Joodse volk over de vier hoeken van de aarde zou verspreiden.

De Talmoed heeft toen vastgelegd dat een gebedsdienst, die al in zwang was, volgens een vaste liturgie werd samengesteld en verbond het uitspreken van die dagelijkse gebeden – drie keer per dag: ochtend-, middag- en avondgebed – met alle regelgeving van de offerdienst. Het tijdstip van het ochtendgebed valt precies in de periode waarin het eerste dagelijkse offer in de Tempel werd gebracht. Het tijdstip van het middaggebed valt samen met de periode waarin het laatste offer van de dag gebracht werd. Het avondgebed is op het tijdstip waarop in de avonduren de restanten van de offers op het altaar moesten worden verbrand. Wanneer de Jood nu zijn dagelijkse gebeden uitspreekt, doet hij op dat precies dezelfde momenten van het etmaal waarop de offerdiensten plaatsvonden in de Tempel.

In de Sidoer, het Joods gebedenboek, is aan het begin van het ochtendgebed een serie lofprijzingen vastgelegd. Dit wordt elke dag gelezen, door iedereen. We lezen elke dag opnieuw al die hoofdstukjes in de Tora over de dagelijkse offerdienst in de Tempel: de regelgeving over het reukoffer, over de verplichting van de zonden en schuld, over het dankoffer enz. Dit lezen we elke dag en dit doen we al meer dan tweeduizend jaar. Dat is opmerkelijk: zonder Tempel spreken we dagelijks in ieder geval de offerdienst uit. De Talmoed draagt ons expliciet op om dat niet even snel af te raffelen, maar om het zeer aandachtig te lezen met de intentie dat we eigenlijk offers hadden moeten brengen, maar omdat we dat niet kunnen ten minste de teksten tot ons door te laten dringen. Zo zijn we dagelijks, op heel bescheiden wijze, bezig met de offerdienst.

Wat leren offers aan de mens? We hebben het al gehad over offervaardigheid en het voorbeeld van Abraham; daar kom ik straks kort op terug. Wij leren een absolute gehoorzaamheid aan de Eeuwige.

Het totale wetstelsel van 613 ge- en verboden (248 geboden en 365 verboden) kent een indeling, een soort categorieën van wetgeving.

We kennen de Misjpatiem, rechtsbepalingen zoals het verbod om te stelen, de wijze van behandeling van een slaaf en het teruggeven van gevonden voorwerpen. Dit zijn duidelijke en verklaarbare bepalingen, bedoeld om een leefbare samenleving te vormen. We zouden kunnen zeggen: een soort burgerlijk wetboek.

We kennen ook wetten die te maken hebben met de eredienst, met de feestdagen.

En we kennen een derde categorie die we Choekiem noemen. Choekiem zijn wetten waarvan de Tora ons heel nadrukkelijk en expliciet niet de reden opgeeft. Ik noemde er zo even al één: wol en linnen samen. Choekiem worden aangeduid als maatregelen uitgevaardigd door de Koning. De Eeuwige draagt op en wij, mensen, volgen wat de Eeuwige van ons verlangt.

Een groot deel van de wetgeving rond de offerdienst is gebaseerd op dit soort wetten. We kunnen nauwelijks begrijpen waarom het God welgevallig is – althans vanuit de wetgeving sec, dus niet de gedachte daarachter – dat de mens een dier neemt, een os van zoveel jaar die er zo en zo moet uitzien en geofferd moet worden; het bloed moet gesprenkeld worden op het altaar, de ene keer bovenaan en de andere keer onderaan; een deel van het vlees mag de ene keer uitsluitend door de priesters worden gegeten, de andere keer door het hele Joodse volk. Allerlei regels, Choekiem, wetten door de Eeuwige uitgevaardigd.

Het mooiste bezit dat een Jood heeft aan wetgeving, zo vertelt ons de Talmoed, zijn niet de wetten die hij begrijpt, maar de wetten die hij niet begrijpt. Het mooiste van een mens tegenover de Eeuwige is gewoon te doen wat Hij van ons verlangt. Als we nog een stapje verder gaan (dat maakt het natuurlijk veel ingewikkelder), het mooiste wat de mens kan doen voor de Eeuwige is accepteren wat Hij van ons wil. Onder mooie omstandigheden is dat prachtig, maar onder moeilijke omstandigheden is dat vaak heel zwaar. Voor de Jood is de relatie God – mens één van de meest zwaarwegende zaken in het omgaan met zijn Jood-zijn. We zeggen wel eens: de Jood moet wennen om te leven met vragen, liever dan met dubieuze antwoorden. Ieder mens heeft in bepaalde omstandigheden heel dwingende levensvragen waar we geen antwoord op weten. In onze Joodse traditie kennen we maar één term daarvoor: Choekiem weliswaar gepaard met de verzuchting ‘het zij zo, het is niet anders!’ Dit is de manier waarop de mens geacht wordt God te dienen. Het kan ook niet anders want een mens kan slechts denken in dimensies van ruimte en tijd, terwijl de Eeuwige allesomvattend is. Hoe zouden wij kunnen begrijpen hoe de Eeuwige de wereld in elkaar heeft gezet? Dit alles is een deel van het gedachtegoed achter de Choekiem, achter de wetten waarvan wij de reden niet kennen.

Dáár valt ook de offerdienst onder. Dus, terugkomend op de beginvraag of het Jodendom er echt van uitgaat dat de offerdienst terugkomt en er weer geofferd moet worden, is het antwoord niet ‘ja’, maar ‘waarom niet?’ De Tora beschrijft het, de Talmoed legt het uit, de Misjna geeft de regelgeving tot in de kleinste details weer. En het feit dat we al tweeduizend jaar geen offerdienst meer hebben…? Welnu, na het tweede millennium komt een derde millennium, dus dat is op zichzelf het antwoord niet. De eeuwigheidswaarde van de Tora is in dat opzicht van wezenlijk belang.

Wanneer we de Tora lezen, zien we dat er veel rechtswetten zijn die gevolgd worden door lijfstraffen: vijf verschillende doodstraffen waaronder steniging en stokslagen. Hoe zit dat dan? Moet een Jood gestenigd worden wanneer hij de sjabbat niet houdt? Ik heb het in mijn arbeidscarrière nooit meegemaakt, maar ook dit is een kwestie van tijd. De Talmoed geeft expliciet weer dat er eerst een Tempel moet zijn met een Tempeldienst. Dat betekent dat de Jood weet dat hij het totale stelsel van 613 ge- en verboden dan weer op zich kan nemen als uitvoerbaar. Pas wanneer die offerdienst er weer is, mag het totale rechtsstelsel weer functioneren. Na de verwoesting van de Tweede Tempel is het eerste dat onze schriftgeleerden hebben gedaan, het Groot Gerechtshof, het Sanhedrin, opheffen zoals dat ook was gebeurd na de verwoesting van de Eerste Tempel. Er mocht geen straf meer geëxecuteerd worden. Door gebrek aan inzicht in de relatie God – mens en gebrek aan inzicht in de relatie mens – medemens kan de ene mens niet met enige autoriteit beschikken over het wel en wee van de andere mens. Onmogelijk! We hebben de offerdienst nodig om heel helder de relatie tussen God en de mens te bepalen en tussen de mensen onderling. We kunnen dus, nu al tweeduizend jaar, geen recht executeren.

Misschien een klein zijspoor, maar toch ter verduidelijking… Het is nogal wat: steniging, verbranding, verstikking. In onze moderne samenleving doen we dat niet, althans niet via de rechtbank. Wat bedoelt de Tora hiermee? In de Misjna, de mondelinge leer, vinden we een misjna die het volgende vertelt. Let goed op de tijdspanne waar het hier over gaat.

Wanneer een beetdien, een rabbinale rechtbank, in een periode van zeventig jaar drie keer de doodstraf uitspreekt, wordt dit college gewraakt en moet het plaats maken voor een nieuw college, een nieuwe rechtbank. De rabbinale rechters moeten verdwijnen en er komt een nieuwe bezetting van die rechtbank. Dat zijn dus rechters die zitten om te oordelen en in het ergste geval straf uit te delen. Drie keer in zeventig jaar… die rechters moeten inmiddels heel oude heren zijn. Bij drie keer de doodstraf in zeventig jaar moeten zij wijken.

In deze misjna ligt een belangrijke boodschap. Wat is er mis als rechters die een rechtsovertreder voor zich hebben die een overtreding heeft begaan waarop volgens de Tora de doodstraf staat, hun werk gewoon doen en de doodstraf vonnissen? Nee, zegt de Talmoed, primair is het de opdracht van de rechtbank om leiding te geven aan de gemeenschap, om de gemeenschap te stimuleren ervoor te zorgen dat de mens niet afdwaalt naar de misdaad, naar de zonde. Dat is de opdracht van de rechtbank. Dus: wanneer het drie keer binnen zeventig jaar niet gelukt is om die boodschap over te brengen aan de gemeenschap, wanneer de gemeenschap afdwaalt en zich toch bezondigt, heeft ze haar primaire taak niet verricht en moet ze verdwijnen.

Waarom vertel ik dit? Al die straffen in de Tora staan niet op zichzelf maar zijn gericht op een heel elementaire boodschap in het Jodendom, nl. de vraag wat het zwaarst weegt, zou moeten wegen voor ieder mens in deze wereld. Dat is maar één woord: chai, het leven zelf. Er gaat niets boven het leven. Als wij mensen beseffen, echt voortdurend zouden beseffen dat het leven het meest zwaarwegende is dat we van de Eeuwige hebben gekregen, zouden we heel terughoudend zijn in het overtreden van de wet. Als je weet dat op een overtreding straf staat – stokslagen, dus aantasting van het leven, of erger nog: de doodstraf – schrikken we ervoor terug en doen het niet. Zó werkt het strafstelsel en zó zouden die doodstraffen, die zo uitgesproken zijn, ook moeten werken. Dat moet een rem zijn om te zondigen. Dat is de boodschap die een rabbinale rechtbank moet uitdragen. Leven is het grootste goed.

Laten we nu, met die boodschap, teruggaan naar de offerdienst. Laten we eens kijken naar het zondoffer. Een mens heeft een misstap begaan; hij heeft dat niet met opzet gedaan, maar per ongeluk of omdat hij niet wist dat het verboden was. Hij heeft bijv. op sjabbat een verboden handeling verricht of hij heeft vet gegeten van het altaar zonder zich te realiseren dat dit een van de verboden vetten was. Dit zijn voorbeelden van misstappen waarna een zondoffer gebracht moet worden. Wat is dan de boodschap? Die mens moet een zondoffer brengen. Waarom een zondoffer; hij heeft het toch per ongeluk gedaan? De schriftgeleerden geven ons mee dat hij natuurlijk een zondoffer moet brengen. Een mens moet zich realiseren hoe het heeft kunnen gebeuren dat hij in een situatie terechtkwam dat hij een misstap beging, ook al was per ongeluk; kennelijk was hij niet voortdurend bij de les, vroeg hij zich niet voortdurend af of iets wel kon of mocht. De mens moet zich dat voortdurend – eigenlijk 24 uur per dag – afvragen, bij alles wat hij doet. Als hij dat niet doet, moet daar een levensles tegenover staan om weer terug naar die positie te komen.

God wil geen mensenoffers. God wil niet dat het leven van de mens wordt aangetast. De Eeuwige wil maar één ding, nl. dat wij naar Hem luisteren en doen wat Hij van ons verlangt. God heeft echter wel aan de mens het mandaat gegeven – misschien schrikt u daarvan – om te beschikken over alles wat op een lager niveau staat dan de mens, in alle zorgvuldigheid overigens. God heeft de mens het mandaat gegeven om te beschikken over de flora en de fauna, weliswaar als een goed rentmeester, maar toch: te beschikken over.

En als de mens dan geconfronteerd moet worden met de boodschap voorzichtig te zijn met het leven van de mens, het ultieme leven in de schepping, dan mag of moet een mens, in het ergste geval, geconfronteerd worden met het beëindigen van een leven in de schepping, van een dier, als ultieme boodschap dat een mensenleven boven alles staat.

In die rangorde, volgorde van schepping, plaatsen we de offerdienst. In die rangorde zetten we neer hoe de Jood omgaat met het concept leven en met zijn eigen leven en welke waarborgen we kunnen bestuderen in de Tora om het leven te stimuleren, bijv. door de offerdienst.

Zo geeft de Tora ook een mandaat aan de mens om een schuldoffer te brengen, een dankoffer maar met de daarvoor vereiste zorgvuldigheid.

In de titel van deze lezing is een koppeling tussen offerdienst en ethiek aangebracht. Nu is ethiek een lastig begrip. Wat is ethiek? Mijn geloofsethiek is vaak anders dan die van katholieke gelovigen, van protestantse gelovigen en alle andere richtingen die er zijn. Mijn ethiek is anders dan de ethiek van een humanist. Mijn ethiek is anders dan de medische ethiek. Een collega van mij heeft eens gezegd: ‘Ethiek is elastiek.’

Offeren en ethiek. Wanneer ik het over ethiek heb vanuit mijn Joodse traditie, is offeren in wezen het summum van ethiek. Offervaardigheid voor de Eeuwige, niet volgens onze menselijke regels maar volgens de regels die de Eeuwige ons heeft meegegeven. Hij heeft ons deze regels meegegeven in de Tora, in Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Zó zelfs dat de Tora getuigt van een opdracht van de Eeuwige dat een vader zijn eigen kind op het altaar moet vastbinden op weg naar een offer.

Tot slot: offervaardigheid. In de Tora vinden we in Exodus 34 nog een heel mooi voorbeeld van offervaardigheid, gerelateerd aan de relatie tussen God en mens én mens en medemens.

De Eeuwige geeft – na de zonde van het gouden kalf, na dat gebed waarin de Eeuwige aan Mozes heeft aangegeven dat Hij met Mozes verder wil en het volk zal vernietigen – Mozes opdracht Hem te laten gaan opdat Hij zal vernietigen, zal kunnen vernietigen. ‘Laat Mij gaan,’ hoort Mozes met zijn oren. Dat betekent, zo zegt de Talmoed, dat de Eeuwige niet zal vernietigen zolang Mozes Hem niet laat gaan; de Eeuwige is van Mozes, van Mozes als mens, afhankelijk. Daarom verhevigt Mozes zijn gebed en laat de Eeuwige niet gaan. De Talmoed zegt het heel plastisch; het is alsof Mozes God bij zijn mantel pakt en zegt: ‘Ik laat U niet gaan.’ Wat zien we dus? Mozes is tot alles bereid om het Joodse volk te redden.

Dan geeft God de opdracht om opnieuw stenen tafelen te maken. God zegt: ‘Hak voor jou uit twee stenen tafelen zoals de eerste.‘ Het gaat hier om het woord ‘jou’, jou zelf. De Eeuwige zegt a.h.w.: ‘Goed, ik vergeef het Joodse volk, Ik geef nieuwe stenen tafelen, maar voor jou. Ik wens eigenlijk niet dat het Joodse volk opnieuw de stenen tafelen krijgt, dat hebben ze niet verdiend. Jij mag die stenen tafelen als jouw bezit beschouwen.‘ En wat doet Mozes? Hij brengt ze weer naar beneden, naar de voet van de berg, en geeft ze aan het Joodse volk. Mozes is bereid om veel meer te doen dan de Eeuwige hem heeft opgedragen. Dat is één voorbeeld.

Een ander voorbeeld zien we aan het einde van het leven van Mozes. De Tora vertelt dat, wanneer Mozes te horen heeft gekregen dat hij het Heilige Land niet binnen mag en dat Jozua zijn opvolger wordt, hij zijn hand op het hoofd van Jozua moet leggen om hem te zalven en te zegenen, om Jozua te sterken om, zover diens capaciteit daartoe reikt, Mozes als leider op te volgen op dezelfde manier als Mozes leider was. De Talmoed vergelijkt het leiderschap van Jozua met dat van Mozes. De Talmoed vertelt ons dat het leiderschap van Mozes is als het licht van de zon en dat van Jozua als het licht van de maan. Wat is het verschil? De zon is een lichtbron van zichzelf, de maan geeft alleen maar verspreid licht als afstraling van de zon.

En wat doet Mozes? Mozes legt niet één hand op het hoofd van Jozua, maar beide handen. Dat maakt heel veel uit, vertelt één van onze schriftgeleerden. Hij stelt dat dit de offervaardigheid van Mozes is.

Wat is offervaardigheid? Offervaardigheid van een mens is niet iets delen met een ander, maar offervaardigheid is ernaar streven dat de ander het ook krijgt zoals ik het heb. Wanneer wij blij zijn met ons materiële bezit, zullen we dat graag delen met de ander, maar wel zo dat de ander net iets minder heeft dan wij. Als iemand blij is met zijn kinderen, zou hij dat geluk met iedereen willen delen, maar wel zo dat zijn kinderen net iets beter zijn dan alle andere. Offervaardigheid is echter niet gewoon overhevelen, maar is delen op z’n minst op dezelfde manier, dezelfde hoedanigheid, dezelfde glans.

Wanneer God Mozes opnieuw stenen tafelen geeft en daarbij aangeeft dat ze voor Mozes zijn, zegt Mozes a.h.w.: ‘Nee, ik deel ze met het Joodse volk, ik offer ze aan het Joodse volk.’ Wanneer Mozes zijn missie moet overdragen aan Jozua, wetend dat diens geestelijke krachten minder zijn dan de zijne, legt hij niet één hand met zijn beide handen op Jozua’s hoofd om hem te zegenen; hij probeert zo het maximale over te dragen aan Jozua. Dat is offervaardigheid.

Wanneer de Tora ons opdracht geeft om te offeren, dan is – vanuit mijn verstaan van wat de Bijbel ons vertelt – met de komst van de Messias, de herbouw van de Tempel, de terugkeer van het Joodse volk naar bijbels Israël, de herinrichting van het koningshuis van David en het herstel van de offerdienst zoals die beschreven staat in de Tenach, de wereld weer compleet. Dan is er een einde gekomen aan de wanorde en de chaos. Dan zijn alle disciplines weer duidelijk en dan is er ook weer de mogelijkheid, nee niet alleen de mogelijkheid maar de zichtbare aanwezigheid in deze wereld van de offervaardigheid die de Eeuwige van ons verlangt.

Lody van de Kamp

Deze tekst sprak Lody van de Kamp eerder dit jaar uit in Westmalle (B). Lody van de Kamp werkt momenteel aan een roman over slavernij in de Joodse geschiedschrijving. Kijk voor een overzicht van zijn uitgaven op de website van Boekencentrum Uitgevers.