ApologetiekTheologie

Oefenplaatsen van verlangen

Donderdag 11 september vond in de Lutherse Kerk in Utrecht de presentatie plaats van het boek Verlangen. Een theologische peiling van Bernd Wannenwetsch. Het verscheen onder redactie van Esther Jonker en Herman Paul. Tijdens de presentatie werd een aantal lezingen gegeven, waarvan u op deze pagina de eerste kunt nalezen: de lezing door Herman Paul, bijzonder hoogleraar Secularisatiestudies aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Eén van de aardigste uitjes die mijn vrouw en ik de afgelopen jaren gemaakt hebben, samen met een goed bevriend echtpaar, voerde ons naar het Kroatische Zadar. Wij vertoefden daar een paar dagen om de Kroatisch-Amerikaanse theoloog Miroslav Volf te interviewen. Wat mij uit dat interview onder andere is bijgebleven, is zijn antwoord op onze vraag waarom hij de afgelopen jaren vrijwel niet meer in theologische vakbladen publiceerde. Hij zei: ‘Mijn taakopvatting als theoloog is dat ik een actueel probleem bij de horens wil pakken en daarover het licht van het evangelie wil laten schijnen – niet ten behoeve van die collega’s van me in het academische theologische circuit, maar ten behoeve van mensen die deze actuele problemen in de praktijk van alledag tegenkomen. Daarom schrijf ik over geweld, over politiek, over gebroken relaties, over ivf-behandelingen – en over hoe zulke thema’s er vanuit de optiek van het evangelie heel anders komen uit te zien dan krant en tv ons voorhouden. Liever, zei Volf, rust ik mensen toe als christenen te leven dan dat ik met collega-academici in debat treedt over de betekenis van dit of dat woordje bij Paulus of over de reikwijdte van deze of gene term bij Thomas van Aquino. Mijn publiek is de christelijke gemeente; mijn thema’s de actualiteit.’

Aan deze uitspraak – in mijn eigen woorden weergegeven – heb ik geregeld moeten denken tijdens het vertaalproject dat geresulteerd heeft in het boekje dat ons vanmiddag samenbrengt: Verlangen: een theologische peiling van Bernd Wannenwetsch. Al ben ik een academicus en zou ik nooit zo badinerend spreken over de academische gemeenschap als Miroslav Volf, ik denk dat zijn uitspraak over actuele thema’s die het licht van het evangelie behoeven vrij nauwkeurig aangeeft wat Bernd Wannenwetsch motiveert om het thema ‘verlangen’ theologisch te peilen en wat ons, als vertaalteam, motiveert om deze essays toegankelijk te maken voor een Nederlands publiek. Laat ik over beide kort iets zeggen – over Wannenwetsch’ theologie van verlangen en onze overtuiging dat zo’n theologie hard nodig is.

Wannenwetsch is een Duitse theoloog, opgeleid door Oswald Bayer, Wolfhart Pannenberg en Hans Ulrich. Al heeft Wannenwetsch de afgelopen jaren in Groot-Brittannië gewerkt – eerst in Oxford, later in Aberdeen – zijn Duitse roots heeft hij nooit verloochend. Net als zijn drie leermeesters weet hij zich deel van een lutherse traditie, georiënteerd op Luther in de zestiende eeuw en Bonhoeffer in de twintigste. En wat Wannenwetsch probeert te doen, is het hedendaagse leven te duiden vanuit deze lutherse traditie. Net als Miroslav Volf of Stanley Hauerwas legt hij daarbij een voorkeur aan de dag voor heel concrete thema’s. Wannenwetsch schrijft geen dikke monografie over Luther die in het laatste hoofdstuk nog wat voorzichtige lijntjes naar het heden doortrekt. Nee, hij schrijft over het huwelijk (het thema van zijn proefschrift), over politiek (het thema van zijn grootste boek tot zover: Political Worship, uit 2004) en over euthanasie (het thema van zijn laatste boek, dat vorig jaar verscheen).

Als je bladert door de essays die wij in vertaling bijeen hebben gebracht, zie je iets dergelijks. Zo gaat hoofdstuk 1 uitvoerig in op BMW-reclames – over hoe reclamespotjes voor dit dure automerk sinds de jaren vijftig zijn veranderd. Hoofdstuk 2 gaat over managementtaal in de kerk – over taskforces die de core values van de kerk succesvol moeten branden. Hoofdstuk 3 gaat over muziek, hoofdstuk 4 over orgaantransplantatie en genderoperaties, hoofdstuk 5, ten slotte, over vaardigheden in het onderwijs. En dan zwijg ik nog over de tv-soaps die Wannenwetsch als een heuse connaisseur analyseert. Ik ken weinig theologen die zo hun best doen het moderne leven te begrijpen – niet slechts in zijn uitwassen, maar ook in zijn aspiraties, zijn hoop en zijn verlangen.

Deze laatste woorden zijn belangrijk, omdat Wannenwetsch het moderne leven juist op het punt van verlangen in gesprek wil brengen met de lutherse of, breder, de christelijke traditie. Aan wat voor verlangens appelleren die BMW-reclames, die winkelstraten, die tv-soaps? Wat voor hoop en vrees houden de kerk gegijzeld als deze het nodig vindt een consultancybureau als McKinsey in de arm te nemen, zoals de lutherse Landeskirche in Beieren deed? Wat voor vertrouwen of angst spreekt er uit de soms bijna excessieve zorg die mensen aan hun lichaam besteden? En wat stelt de kerk daar tegenover, als zij daartoe tenminste in staat is? Zou de kerk een theologie van verlangen moeten ontwikkelen om mensen te wapenen tegen de verleidingen van het kapitalisme? Of kent de kerk zo’n theologie van verlangen allang, in het Woord dat zij preekt en het lied dat zij zingt?

Verlangen, laat Wannenwetsch zien, is een belangrijk thema, niet alleen omdat het centraal staat in kapitalistische economieën als de onze. Verlangen is ook vanouds een theologisch kernbegrip, bij Augustinus, bij Gregorius de Grote en Bernardus van Clairvaux, bij Ignatius van Loyola en de spiritualiteit van de Societas Jesu, en inderdaad ook bij Luther. Als een goede augustiniaanse theoloog meent Luther dat niet het hoofd of de handen, maar het hart het meest typerend is voor een mens. De menselijke identiteit ligt niet primair in denken of doen, maar in verlangen – in dat waarop een mens hoopt, waarop hij zijn vertrouwen stelt, en in wie hij zijn vertrouwen stelt.

Wannenwetsch is daarom diep geïnteresseerd in wat het moderne leven doet met het verlangen van mensen – hoe ons verlangen gevormd of misvormd wordt, in het leven van alledag, op straat en op het werk, maar ook in de kerk. Is de kerk een ‘oefenplaats’, om een ander boek uit het fonds van Boekencentrum aan te halen, waarin christenen zich oefenen in andere verlangens dan die naar veiligheid, comfort, succes en status? Is de kerk een plek waar wij leren naar God te verlangen? Of spreekt de kerk vooral ons hoofd en onze handen aan? Als dat zo is – als de kerk geen oefenplaats van verlangen meer is – zijn wij dan misschien, vraagt Wannenwetsch, een juist begrip van prediking, liturgie en sacramenten kwijtgeraakt? Zijn prediking, liturgie en sacramenten naar klassieke christelijke overtuiging niet de middelen waarvan God zich bij voorkeur bedient om mensen naar Hem te laten verlangen?

Dit brengt me bij onze motivatie om deze reflecties van Wannenwetsch in het Nederlands beschikbaar te stellen. Ik ben geen theoloog en heb ook niet de behoefte dat te worden. Maar ik signaleer wel een grote verlegenheid rond de vorming van verlangen. Als ik zeg dat ik het buitengewoon lastig vind om weerstand te bieden aan het voortdurende appel dat mijn werkomgeving doet op mijn verlangen naar succes, dan spreek ik, denk ik, niet alleen voor mijzelf. Als ik zeg dat mijn verlangen naar God in de drukte van werk, gezin en honderdduizend andere verplichtingen gemakkelijk naar de achtergrond verdwijnt, dan ben ik, denk ik, niet het enige gemeentelid dat daarmee worstelt. Mijn verlangen, ons verlangen, dreigt voortdurend te seculariseren, als dat al niet gebeurd is – waarbij ik ‘secularisatie’ opvat als een wending naar het saeculum, de tijd tussen schepping en voleinding. Ons verlangen seculariseert als we haar vervulling zoeken in goederen uit het saeculum in plaats van bij God en Zijn rijk.

Zouden we het daarom in de kerk niet wat vaker over verlangen moeten hebben? Of beter: zouden we in de kerk niet wat nadrukkelijker moeten nadenken over de vraag hoe ons zingen, bidden, luisteren en geven onze verlangens wil vormen? Zouden we, zonder iets af te doen aan het belang van denken en doen, de oefening van ons verlangen niet een groter gewicht moeten geven? En zouden we er daarom niet goed aan doen om met Wannenwetsch de kerk te herontdekken als een oefenplaats, als een school van verlangen, als een plek die ons wil leren onze hoop en ons vertrouwen op God te stellen?

In deze formulering loopt er een regelrechte lijn van theologen die u mag associëren met de kerk als oefenplaats – Stanley Hauerwas, Samuel Wells en anderen – naar Wannenwetsch’ theologie van verlangen. En dat is terecht: Wannenwetsch spreekt met hauerwasiaanse duidelijkheid over verlangen dat in de kerk bekeerd moet worden – dus niet over religieus verlangen van mensen buiten de kerk waar wij christenen misschien niet te snel over moeten oordelen, maar over verlangens die gevormd, getraind, geoefend moet worden zó dat ze zich richten op God en Zijn rijk.

Maar er zijn ook verschillen tussen Hauerwas en Wannenwetsch, of beter, tussen hoe de frase ‘kerk als oefenplaats’ de laatste jaren vaak gebruikt wordt en hoe Wannenwetsch zich vorming van verlangen voorstelt. Te vaak wordt een oefenplaats geassocieerd met morele verheffing: laten we elkaar trainen in christelijke deugden zodat we betere christenen worden. Dat is een recept voor teleurstelling. Te vaak ook wordt morele vorming in de kerk in binnenwereldlijke termen beschreven: als een zaak van rituelen, goede gewoonten en voorbeeldfiguren. Hoe onmisbaar deze ook zijn – graag ben ik de eerste om het belang van riten, gewoonten en voorbeeldfiguren te beklemtonen – als God niet zelf de ‘oefenmeester’ is, zijn we ver van huis.

In Wannenwetsch’ theologie van verlangen bespeur ik een reactie op dit tweevoudige gevaar. Al hangt ook Wannenwetsch een christelijke deugdethiek à la Hauerwas aan, zijn vraag is wat mensen ertoe drijft zich in deugden te oefenen of in ondeugden te volharden. Zijn antwoord ligt in de sfeer van het verlangen: het hart gaat aan de handen vooraf. Wie wil weten waarom deugd zo moeilijk is, komt terecht bij wat Augustinus de ‘richting van het hart’ noemde. En die richting van het hart, zegt Wannenwetsch Augustinus na, hangt niet alleen van voorbeelden of goede gewoonten af. God zelf legt mensen een verlangen naar Hem in hun hart.  God zelf raakt mensen aan, in Woord en sacramenten, in lied en gebed. Daarom roept de kerk, als het goed is, geen taskforce christelijke karaktervorming in het leven, maar predikt zij het Woord, bedient zij de sacramenten en viert zij de liturgie, in de klassieke overtuiging dat God zelf langs deze weg verlangens zal vormen.

Nog twee opmerkingen, ten slotte. Zoals ik enkele jaren geleden al zei bij de presentatie van Hauerwas’ boek Een robuuste kerk, is de introductie van Engelstalige theologie in Nederland wat mij betreft geen zaak van blinde bewondering of identificatie. Ik ben geen Hauerwas-fan, zoals ik ook geen Wannenwetsch-fan ben. Evenmin gaat het me om deze auteurs persoonlijk. Wel is het mij, of liever gezegd, ons, vertalers en redacteuren, te doen om de stemmen die klinken in hun werk – om inzichten, analyses, benaderingen en handvatten waarvan wij geloven dat we er in de Nederlandse kerken ons voordeel mee kunnen doen. Mijn hoop is dat u, toekomstige lezers, Verlangen: een theologische peiling ter hand zult nemen met een potlood in de hand – en dat uw potlood geregeld uitschiet, om een uitroepteken in de marge te zetten, maar soms ook een vraagteken; om een belangrijke zin te onderstrepen, maar soms ook om ‘nee!’ in de kantlijn te noteren. Ga ermee in gesprek, vol waardering of zo nodig met kritische vragen, en ga eens voor de spiegel staan die dit boekje u voorhoudt. Waar gaan mijn verlangens eigenlijk naar uit? En in hoeverre worden deze in mijn kerkelijke gemeenschap gevoed?

Mijn laatste observatie ligt in het verlengde hiervan. Wannenwetsch haalt in dit boekje heel wat overhoop. Hij trekt soms grote lijnen, waar deze of gene kenner vast iets op kan afdingen. Laten we ons echter niet verliezen in details. Wannenwetsch wil de kerk herinneren aan het belang van verlangen, aan het belang van praktijken die ons verlangen vormen. Hij wil, net als Miroslav Volf, het licht van het evangelie laten schijnen over een brandend actueel thema. Met deze zelfde motivatie bieden wij, redacteuren en vertalers van dit boek, Wannenwetsch’ werk vanmiddag aan de Nederlandse kerken aan. Dat het hen moge stimuleren oefenplaatsen van verlangen te zijn.

Herman Paul
Rijksuniversiteit Groningen