Dogmatiek

Tweede meedenkblog van dr. G. van den Brink en dr. C. van der Kooi

In ons leerboek besteden we vrij veel aandacht aan de prolegomena, de inleidingsvragen dus. We hebben hierover in het verleden samen al heel wat afgepraat, maar zouden jullie mening wel willen hebben. Wat wij doen, het valt al te zien aan de hoofdstukindeling – lijkt op een mix tussen de manier waarop Barth de prolegomena beschouwde en tegelijkertijd een oudere visie op prolegomena. We behandelen de triniteitsleer voorafgaande aan de godsleer. Nergens kunnen we algemeen over God praten. Tegelijkertijd zetten we in hoofdstuk 2 in met een behandeling van al de domeinen of velden waar de christelijke godservaring naar kan verwijzen. Dat komt, zo hopen we, de behoefte tegemoet, om concreet aan te geven waar het christelijk geloof zich mee voedt. Maar ook hier al, in hoofdstuk 2, praten we in feite vanuit het christelijk geloof, dus vanuit een deelnemersperspectief. We hebben zelfs even overwogen om het onderwerp ‘kerk’ daarom helemaal vooraf te laten gaan, om duidelijk te maken dat alle christelijk spreken over God in feite gebeurt onder beslagname van de openbaring.

Nog een vraag die we bij de prolegomena tegenkwamen. Berkhof gaat sprongsgewijs van het fenomeen religie naar de openbaringsreligies. Wij verlaten die positie. Het fenomeen religie is niet so wie so de dichtste buur of grensovergang naar christelijk geloof. Of zitten we er dan helemaal naast in deze tijd van grote aandacht voor religies en religiestudies?

Noot van de uitgever
U kunt hieronder een reactie achterlaten. We stellen constructieve reacties zeer op prijs. Onder de inzenders verloten we twee exemplaren van de Christelijke dogmatiek – een inleiding. De komende weken zullen beide auteurs regelmatig een ‘meedenkblog’ plaatsen op Theoblogie naar aanleiding van hun nieuwe uitgave.

15 reacties

  1. Wilbert Dekker
    19 maart 2012 om 15:43

    Mijn associatie bij deze blogpost, wellicht getriggerd door de vorige post door Dick Lammers, heeft betrekking op Bonhoeffer:
    – ook hij begon zijn theologie met de ontdekking van de kerk (als drager van de openbaring, zo in Sanctorum Communio – maar ook in Nachfolge is de verhouding Christus-gemeente-geloof nog zeer belangrijk)
    – ook hij pleitte voor een a-religieus christendom (en impliceert daarmee dat het échte christendom haaks staat op religie).
    Ik wil hier maar mee zeggen: de auteurs bevinden zich nmbm in goed gezelschap. Ik ben benieuwd naar het resultaat.

  2. Bert Loonstra
    19 maart 2012 om 15:52

    ‘Triniteitsleer vóór godsleer’ (beter: als begin van godsleer) en ‘christelijk geloof vóór religie’ hangen samen.
    Opvallend voor docenten aan de multiculturele VU. In contact met de redactie van Psyche & Geloof hebben VU-docenten juist gepleit voor brede aandacht in het tijdschrift voor religie in psychologie en hulpverlening.
    De ‘ultimate concern’ van Tillich is in de hulpverlening juist een verbindend element.
    Argumenten om algemene Godsleer vooraf te laten gaan zijn jullie bekend: het gebruik van Kanaänitische benamingen El, El Eljon, El Shaddai, Elohim voor de God van Israël, de godsdiensthistorische hypotheses daaromtrent, en van een geheel andere aard: het algemene godsbesef, de deelwaarheden in andere godsdiensten (RK theologie).
    In verbinding met het laatstgenoemde geeft voor mij de doorslag het logische en communicatieve argument dat je eerst moet omschrijven waar je het over hebt voor dat je daarover bijzonderheden kunt geven; dus eerst een grootste gemene deler, daarna de onderscheidende kenmerken.
    Religie is níét de eerste grensovergang naar het christelijk geloof, maar wél de naaste buur.

  3. 19 maart 2012 om 17:10

    Ik vind het een goede zaak om de Triniteitsleer aan de Godsleer te laten voorafgaan. In onze tijd is het belangrijk om het specifieke christelijke helder te maken. Karl Barth sloot aan bij de 19e eeuwse opvatting dat het christendom een godsdienst was temidden van andere godsdiensten. Hij probeerde daar weliswaar uit weg te komen door het christendom met ‘religion’ te contrasteren, maar het is onduidelijk in hoeverre hij daarin slaagde. Door te beginnen met de Drieëenheid doe je recht aan het moderne onderzoek naar het ontstaan van de Religionsgeschichte (Kippenberg e.a.) en ook wel aan de intenties van Barth. Ergens pak je zo een voor-moderne traditie weer op. (Overigens: niet zonder risico’s, je moet bij deze aanpak oppassen andere godsdiensten geen onrecht te doen).
    Beginnen met de Drieëenheid legt meteen het wezenlijkste, interessantste en in de moderne cultuur meest onbegrepen onderdeel van het christelijke geloof op tafel. Dat is een goede zaak voor het gesprek met de moderne cultuur en voor het gesprek met de Islam c.q. positionering ten opzichte van de Islam.
    Binnen de kerk is het een aardige positionering tegen een te ‘menselijke’ visie op Christus.

  4. Bert van Veluw
    20 maart 2012 om 10:50

    Snappen doe ik het wel, maar is het toch niet een beetje een zwaktebod om in het bijzondere, vanuit het deelnemersperspectief, te beginnen. Staan we dan theologisch niet nog steeds teveel met ons gezicht naar het continent Europa? Er zijn ook in het algemene wetenschappelijk gesprek meer bewijzen voor God dan je denkt (ook denkend aan de oratie van Gijsbert van de Brink). We hebben als Christelijk geloof een punt, meerder punten. Als je met een binnenperspectief begint, heeft de buitenstaander dan nog een boodschap aan je? Barth zegt mooie dingen, maar daar redden we het toch niet meer mee?
    Dat wil niet zeggen dat je dan aan moet sluiten bij religie als opstapje, of als aanvliegroute. Het doorgaande christelijk denken biedt genoeg. Ik hoop straks een boek in handen te hebben waar we in de geseculariseerde wereld wat mee kunnen en niet alleen in de kerk. Maar misschien word ik wel dolenthousiast bij het lezen van hoofdstuk 1: Dogmatiek als ‘making sense of things’.

  5. Arjen Terlouw
    20 maart 2012 om 13:12

    Een leuk iniatief, zo’n meedenkblog! Het maakt bepaald wel nieuwsgierig naar het eindresultaat!
    Wat betreft dit punt, lijkt me, dat er twee dingen door elkaar heen (dreigen te) lopen. Allereerst de vraag naar de vorm en volgorde van de presentatie van de inhoud. En ten tweede de vraag naar de plaats van religies in relatie tot het christelijk geloof. Het antwoord op de eerste vraag wordt bepaald door didactische en communicatieve overwegingen. Het lijkt mij een (weliswaar hardnekkig) misverstand om aan de volgorde van de presentatie een inhoudelijke positie af te lezen. In de Middeleeuwen schreef men in de didactisch eenduidige vorm van een sententiëncommentaar, terwijl men inhoudelijk een heel verschillende positie in kon nemen. Kortom, wat betreft dat eerste punt is volgens mij de vraag vooral: hoe schrijven we zo dat we niet steeds vooruit hoeven te grijpen op dat wat verderop gezegd wordt?
    Mij lijkt, op grond van wat ik hier lees, dat deze dogmatiek inhoudelijk recht wil doen aan twee dingen, die vaak tegen elkaar uitgespeeld worden. Enerzijds aan het bijzondere van de openbaring, de uniekheid van de geschiedenis van Israëls God, de Vader van Jezus Christus. Anderzijds wil ook gehonoreerd zijn dat deze God taal en teken geeft in deze wereld, die Zijn wereld is, en dat we daarom open ogen, open oren nodig hebben ‘om al uw tekens te verstaan’.
    Als het bovenstaande klopt, vind ik één punt aan de voorgestelde indeling opmerkelijk, nl. dat hoofdstuk 2 en 5 uit elkaar gehaald worden. Als het in hoofdstuk 2, zoals hierboven gezegd, gaat om ´al de domeinen of velden waar de christelijke godservaring naar kan verwijzen´, roept dat direct de vraag op hoe zich die ervaring verhoudt tot de openbaring. Is er godservaring verkrijgbaar zonder openbaring? Kortom, volgens mij is het voor de hand liggend om die twee zaken op elkaar te betrekken. Het lijkt erop dat deze keuze om deze twee hoofdstukken uit elkaar te halen en te ‘sandwichen’ met de Godsleer inderdaad voortkomt uit angst om ofwel teveel te staan op het been van de bijzondere openbaring (Barth), dan wel de algemene openbaring (natuurlijke theologie). Als ik de uitgangspositie van deze dogmatiek goed getypeerd heb, is geen van beide het geval en zal dat duidelijk worden, of als insteek nu de trinitarische Godsleer gekozen wordt, dan wel het openbaringsbegrip.

  6. J.C.Ravesloot
    20 maart 2012 om 16:32

    Geachte heren van den Brink en van der Kooi,
    Onlangs heb ik een diepgaand onderzoek afgerond naar bijbelplaatsen waar volgens de leer der verkiezende en zaligmakende genade geschreven zou moeten staan, dat Jezus Christus op Golgotha Gods daartoe uitverkoren gunstgenoten uit de heidenen met God verzoende.
    Nu moet ik u laten weten dat ik tevergeefs naar die bijbelplaatsen gezocht heb.
    De Christus staat wél te Boek als “een verzoening” en als “zoenmiddel”, maar niet als Verzoener.
    Misschien is het wel nodig om hier – als dat nog kan – in de uitgave Christelijke Dogmatiek aandacht aan te schenken.
    Graag verneem ik uw reactie.
    Met vriendelijke groet verblijft,
    J.C.Ravesloot

  7. Simon van der Linden
    21 maart 2012 om 14:53

    Het lijkt mij een uitstekend idee om met de Triniteit te beginnen. Het lijkt verleidelijk om met algemeen aanvaarde zaken te beginnen en zodoende de christelijke theologie vorm te geven vanuit het perspectief van de religieuze mens (Tillich). Maar juist in een post-moderne tijd als de onze lijkt het me niet van moed getuigen om eerst een ‘algemeen’ grondje te leggen. Belangrijker is echter vooral dat indien de volgorde van de openbaring in de Bijbel volgen, Gods spreken en verschijnen vooraf gaat aan onze vragen en ideeen over het religieuze. God spreekt en maakt het ons mogelijk te antwoorden. Wellicht is het oude Bijbels ABC van Miskotte een interessant werkje om mee te nemen vanuit dit perspectief.

    Het idee om te beginnen met de kerk lijkt mij erg goed: Kirchliche dogmatik bitte! Theologie is vooral selbstprufung van de kerk. Als we als uitgangspunt de uitspraak van Cyprianus nemen dat de kerk daar is waar Jezus Christus is. En als we Christus beschouwen als Gods zelfopenbaring, dan kan een christelijke theologie niet anders zijn dan theologie die vanuit de kerk opkomt en vormkrijgt.

  8. Jochem Hemink
    23 maart 2012 om 01:11

    Terecht veel aandacht voor de prolegomena in deze tijd.

    Ik deel van harte de keuze om met de triniteit te beginnen. Naar Miskottes Bijbels ABC: déze God is ónze God. Heel mooi.

    Goed om breed de godsdienstige domeinen ter sprake te brengen, en ook de ervaring al vroeg in te brengen. Het lijkt me mede daarom goed om ‘Kerk’ niet helemaal vooraf laten gaan, want ook zonder deelnemersperspectief valt er aan de buitenwereld nog wel het een en ander in te brengen over het christelijk geloof (zie onder meer de oratie van Van den Brink). Hierboven is daar ook al op gewezen.

    Ik zou zeggen een soort ‘meertrapsraket’: openbaring –> [ultimate concern –>] religie(s) –> monotheïsme –> christelijk geloof.

    Inhoudelijk waardeer ik volledig de keus om de uniciteit van het christelijk geloof te benadrukken, maar dat doet niets af aan de ervaring van velen in deze tijd dat het christelijk geloof zich aandient als ‘een van de velen’. Er is daarom niets mis mee om feitelijk het christelijk geloof te midden van de andere religie(s) te beschrijven. Barth had nog nauwelijks ontmoetingen met mensen van andere religies gehad.

    Sluit je zonder algemeen godsbesef sporen van waarheid in andere religies niet helemaal uit?

  9. Leo de Vos
    23 maart 2012 om 09:52

    Biblicisme is onder flinke delen van het Nederlandse christendom nog springlevend. Daardoor bouwen we bijvoorbeeld via verhalen als van de rijke man en de arme Lazarus nog altijd een bont hiernamaals op. Daarbij raakt de boodschap van het verhaal niet zelden op de achtergrond. We vatten bijbelse teksten als plastische gegevensbanken op zodat complete eindtijd- en Israëltheologieën blijven bloeien.
    In oudere dogmatieken kun je smullen van een geheel uitgewerkte engelenleer. Wellicht is een nieuwe dogmatiek de plek om de kerygmatische aanleg van de Bijbel eens te benadrukken zodat overduidelijk blijkt dat beelden en voorstelling te allen tijde de boodschap dienen en geen eigen onafhankelijke betekenis hebben. Maar wellicht doen jullie dat al.

  10. lezer
    23 maart 2012 om 11:40

    Geachte professoren,
    Het wezen van het Christelijke geloof staat of valt met de belijdenis dat Christus God is, zoals vervat in de geloofsbelijdenis van Nicea. Ik vind het daarom heel mooi dat het boek de drieenheid laat voorafgaan aan de godsleer. Want het boek zal moeten gaan over de God van het Christelijke geloof, van de bijbel. Dat moet van meet af aan duidelijk zijn. Wat mij betreft mag ook de Kerk daarbij in beeld zijn, want ALLEEN DAAR wordt over die God gesproken (als het goed is, moet ik helaas aanvullen). Ook is belangrijk dat een Christen zich, net als Paulus, weet aangesproken door een geheimenis dat hem/haar te groot is voor woorden. Hij wil daarom alleen het Christelijke getuigenis uit de Schrift in lijn met de kerk van alle eeuwen over Christus naspreken. Iemand wordt Christen als hij/zij van Godswege door Christus zelf wordt aangesproken. Een dogmatiek probeert dat geheimenis na te spreken, maar heeft beperkingen, net zoals je menselijke liefde ook maar beperkt onder woorden kunt brengen. Een Christelijke dogmatiek kan daarom alleen vanuit een ”deelnemersperspectief” worden geschreven. Je moet ook niet anders willen. En de kerk is de plaats waar die boodschap klinkt. Een buitenstaander wordt alleen Christen als hij/zij ook door dat ”deelnemersperspectief” wordt aangesproken. Er bestaat geen neutrale grond. Het christelijke geloof is geen overtuiging waartoe je beslist op grond van vergelijk met andere godsdiensten of een goed onderbouwde dogmatiek of apologetiek. Het is een ”dwaasheid”, en geen godsdienst die een mens bedenkt omdat het zo logisch is of ”lekker ligt”. Ik hoop dat dit duidelijk wordt gemaakt in de inleiding of prolegomena, anders wordt het een boek dat je in de bibliotheek kunt rangschikken onder ”(christelijke) filosofie”. Maar, het moet een boek zijn dat binnen de kerk gebruikt kan worden, voor bevestiging, verwoording van het Christelijke geloof. Maar, waarschijnlijk heeft u dat allemaal al wel meegewogen, veel succes verder met de afronding.

  11. Max Staudt
    29 maart 2012 om 17:59

    Geachte heren,
    Wil een dogmatiek ‘geloofsleer’ zijn (uiteenzetting van de fides quae met hoofdrol of bijrol voor de fides qua) of bezinning op het spreken van de kerk vanuit eigen medeverantwoordelijkheid voor dat spreken? Nog meer dan een vroege thematisering van ‘de kerk’ kan deze beslissing ten aanzien van de aard van de dogmatiek helderheid scheppen. Bij de tweede genoemde opvatting – die van Barth – is het fenomenologisch perspectief (op de bijbel, op de kerk in historische en sociologische zin, op verschijnselen als religie, ideologie, politiek, onderwijs, kunst…) bij voorbaat dienstbaar aan de voortgaande herijking van het kerkelijk spreken aan de bron en norm van dat spreken. Bij de eerste opvatting is die relatie van fenomenologie en normatieve sfeer veel minder meteen helder en behoeft zij uitvoeriger discussie (die mij in de huidige culturele sfeer trouwens vrij uitzichtloos voorkomt). Duidelijkheid over de vraag: ‘welk type dogmatiek bedrijven wij?’ moet het hele betoog in de prolegomena bepalen. Door zulke duidelijkheid is bij Barth het deelnemersperspectief van meet af aan verantwoordelijkheidsperspectief, de communicatie Gods (het werk van de Geest) a limine erkend als de norm en kritiek van elke algemene communicatie-overweging. Bij een term als ‘de christelijke geloofservaring’ moet vanuit deze opvatting van de taak der dogmatiek de vraag gesteld worden: aangenomen (quod demonstrandum) dat er zoiets algemeens bestaat als ‘de’ fides qua, wat is dan de rol ervan in het apostolaat, het aan Gods spreken dienstbare spreken van de kerk in en tot de wereld? Men komt dan niet meteen terecht in een discussie over verschillen en overeenkomsten met andere religieuze ervaringswerelden. Als ik het goed begrijp wilt u als auteurs daar ook niet terechtkomen. Hoe dan ook zal een dergelijke religiewetenschappelijke discussie een secundair en illustratief karakter dragen. Zo is het bij Barth. In Nederland heeft dit secundaire vaak een iets grotere plaats ingenomen dan bijhem: het fenomenologisch uitzonderlijke van de bijbel is door Miskotte en anderen soms gebruikt als toeleiding naar het JHVH èchad. Nederland was dan ook het land van de geniale fenomenologie (Van der Leeuw) en eerder van de great expectations t.a.v. de godsdienstwetenschap (Chantepie de la Saussaye), waarvan bij alle ontnuchtering iets bleef doorleven. Een formeel kenmerk van dogmatiek als ‘zelfkritiek in de ruimte der kerk op haar dienst aan Gods zelfverkondiging’ zal zijn dat zij in haar functie van hermeneutiek als primaire focus de bijbelse teksten heeft, niet de religie.

  12. Arend Altena
    29 maart 2012 om 19:34

    Inzake de volgorde voel ik mij niet voldoende competent. De opzet lijkt mij interessant en ik ben zeker nieuwsgierig naar de uitwerking. Maar graag wil ik wijzen op recente resultaten en ontwikkelingen in de Bijbelse Theologie. Het recente werk van R. Feldmeier (Nieuwtestamenticus) en H. Spieckermann, Der Gott der Lebendigen, Tübingen 2011 is daar een goed en zeer rijk voorbeeld van. Het zou te hopen zijn dat deze ontwikkelingen meegenomen worden in de dogmatische doordenking. De Bijbelse exegese en theologie dienen vooraf te gaan aan de dogmatiek. (Herhaalde plaatsing, daar ik niet zeker ben dat mijn eerste poging ontvangen is.)

  13. 29 maart 2012 om 22:44

    Je zult je alleereerst af moeten vragen voor wie je een christelijke dogmatiek wilt schrijven. Is dit voor de gelovige mens dan maakt de volgorde niet zo veel uit, wel met welke insteek je een en ander aan de orde stelt. Met K. Dijk en Berkhof komt een gelovig mens nog altijd ver op zijn pelgrimsreis. Wil je echter buiten de eigen kring en bij de zoekende mens aansluiting vinden dan moet je alleereerst een soort ‘apologetiek van de dogmatiek’ schrijven. Dogmatiek wordt immers vooral verstaan als gestolde kennis die de kracht verloren heeft en surrogaat is. Verder ervaart de post-moderne mens dit als gereedschap van het fundamentalisme. Uiteraard negatief ingekleurd. Een christelijke dogmatiek moet verder zelfbewust zijn in dialoog met de tijd [geest] maar uniciteit in bescheidenheid overeind houden. de drie-eenheid voorop zetten kan zo inderdaad een goede zet zijn [daarbij moet Schoonenberg niet vergeten worden], maar verlies u a.u.b. niet in teveel jargon want dan komt uw boek niet veel verder dan de universiteit en de mediatheek.

  14. Geurt Smink
    2 april 2012 om 21:41

    Waarom prolegomena?
    Het meest zinvolle doel van prolegomena lijkt mij het een zoekpoging om aan te geven of dogmatiek wetenschap is. Welke wetenschapsdefinitie kiezen auteurs? Wat betekent die keus vervolgens voor de manier waarop thema’s aan de orde worden gesteld? Welke relatie bestaat er tussen theologie als wetenschap en de instituties van de godsdienst? Een kritische start lijkt mij nodig om niet te verzanden in een scholastieke herhaling of loutere herpositioneren van hetgeen al vaker is gezegd en geschreven.

  15. Paul van Loon
    16 april 2012 om 11:15

    Ik onderschrijf van harte om te starten met de triniteit in een Christelijke dogmatiek, zoals ook door andere theologen is bepleit en gedaan. Tegelijkertijd past het besef dat historisch gezien God zich in de geschiedenis pas gaandeweg heeft geopenbaard en pas in het spreken van de Kerk de drieeenheidsleer haar vorm heeft gekregen.

    Belangrijkste besef is dat wij slechts kunnen nazeggen over God, wat Hij aan ons heeft geopenbaard, en dat wij slechts van daaruit erover kunnen spreken met behulp van de gaven die Hij ons heeft gegeven.

    Heilshistorisch gezien is de vraag naar de relatie met andere religies te beantwoorden vanuit het stramien schepping-zondeval-zondvloed-roeping. Hierbij is geloof in God de Schepper de oorspronkelijke religie, die (opnieuw) opgang krijgt in de roeping van- en openbaring aan Abraham. Alle andere religies moeten dan geduid worden als een spreken vanuit de mens over god(en), soms nog gevoed vanuit een openbaringsecho uit het verleden (denk b.v. aan de zondvloedmythen die over heel de wereld terug te vinden zijn).