Theologie

De verhouding van natuur en geest in de menselijke kennis

Op vrijdagmiddag 28 maart organiseerde de onderzoeksgroep Beliefs van de PThU een symposium naar aanleiding van het nieuwste boek van emeritus hoogleraar H.W. De Knijff. Dat boek – Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging. Over secularisatie, wetenschap en christelijk geloof – stond centraal tijdens de middag. Prof.dr. H.W. de Knijff hield tijdens dat symposium onderstaande inleiding.

 

Natuur en geest in de menselijke kennis

Deze mij voorgestelde titel beoogt een inleiding te geven op mijn boek over de geest als Europese uitdaging en hij  thematiseert het daarin behandelde grondprobleem: de verhouding van natuur en geest. Antropologisch gaat dit onderzoek allereerst over lichaam en geest als beschrijving van de menselijke werkelijkheidservaring. Dat houdt in de allereerste plaats de vraag naar de kennisleer in, die in een apart hoofdstuk wordt behandeld, maar op vele plaatsen in het boek aan de orde komt. De optiek van het geheel ligt bij deze door de kenopvatting bepaalde werkelijkheidsopvatting en de filosofische en ethische consequenties daarvan. Want onze historisch gegroeide kenopvatting heeft geleid tot een splitsing in de werkelijkheidsbeleving, tussen  – kort gezegd – extreem objectivisme en extreem subjectivisme, en dat brengt mij tot een historische behandeling van de wetenschapsontwikkeling en de maatschappelijk-culturele gevolgen daarvan voor onze huidige werkelijkheidservaring. Men kan opmerken, dat dit de zoveelste studie is over het zog. scheidingsdenken, over de onverzoende en onverzoenbare leefwerelden van een gesloten technisch-wetenschappelijke werkelijkheidsopvatting enerzijds en een gedesoriënteerd willekeurig amalgama van vele tegenstrijdige levensopvattingen en -inrichtingen die onze huidige cultuur te zien geeft, anderzijds. Onze wereld is er een geworden van publieke wereldervaring en private levensinvulling en de in mijn boek genoemde ‘filosofieën’ van de tweede eeuwhelft teken ik als een kennelijk onoverwinbaar verlies van een echte, duurzame en levenvullende objectiviteit. De mens als vreemdeling – jawel, een veel genoemd en veel behandeld thema. Dat heeft grote consequenties in onze persoonlijke levensinrichting, in de collectieve technocratische herschepping van de wereld, in de overmacht van de economie, in de werelds ‘Erlebnisgesellschaft’ (Schulze) enzovoorts, kortom in onze onmacht in zulk een overweldigende contekst van (neutrale) macht. Deze meer maatschappelijke vragen behandel ik niet of zijdelings (behalve dat van de technologie); het basisprobleem van het boek is: wat is er met de mens gebeurd? Wat is er met zijn verhouding tot de werkelijkheid gebeurd? Wat stelt zijn subject-zijn voor tegenover deze overmachtige, zich steeds verder uitsplitsende en zich vermenigvuldigende objectiviteiten? Ik concentreer mij daarom op de kern van deze problematiek, op de spelers en niet op het toneel: het gaat om het ik en de wereld, om de grond van deze verhouding, die van subject en object, welke kennelijk niet statisch, maar veranderlijk is. Vandaar de vraag: wat is er in het perspectief van de elementaire ik-ervaring met – allereerst – HET object en daarmee onvermijdelijk ook met HET subject gebeurd? Op deze wijze wordt het kennisgegeven als basale relatie tussen mens en werkelijkheid de beslissende vraagstelling. Het ik en de werkelijkheid, oftewel geest en natuur. Ik stel de vraag: hoe verhouden deze twee,  subject en object, ik en wereld, zich tegenover elkaar en wat is uit onze Euopese geschiedenis af te lezen over hun samengaan of hun uiteengaan, kortom: over hun gezamenlijke constitutie.
Historisch wordt dan zichtbaar, dat de component natuur gaandeweg die van de geest heeft geëlimineerd. Dat is een ingewikkeld proces, waarin natuur, geestes- en maatschappijwetenschappen alle een rol spelen, die ik aanduid met het begrip secularisatie. Overdreven uitgedrukt (in de huidige taal van de informatica): ons object wordt een cijfer, of iets percieser: een ingewikkelde som van cijfers. De mens als subject wordt geëlimineerd.
Ik beperk mij dus in eerste instantie tot de kenopvatting, de kenleer. Ik tracht tegenover het splitsingsdenken een beeld van de mens te schetsen, dat de mens opvat als elementaire eenheid van subject en object. De historie van dit probleem laat de alomtegenwoordiheid van de natuurcomponent zien, in vele varianten van diverse wetenschappen en toont ook ‘der Kampf um die Seele’ (Windelband), die telkens weer een verloren strijd blijkt te zijn. Ik tracht dat voor diverse wetenschapsgebieden aan te tonen en pleit voor een synthetische of correlatieve kenopvatting.
Dat wil zeggen: de mens is geestnatuur; noch natuur zonder geest, noch geest zonder natuur is, zuiver fenomenologisch gezien, te begrijpen. Dat ik ons gangbare kenbegrip ‘fysicalistisch’ noem, wil niet zeggen, dat ik de fysica voor de hoofdschuldige houd. Het fysicalisme is een voor de hand liggende conclusie uit de naadloze fysische interpreteerbaarheid van het natuurgegeven. Ik tracht daarvoor een verklaring te vinden in haar pure uitwendigheid of materialiteit. Maar ik houd vast aan de mens als geestwezen – dus ook in fysisch opzicht geestwezen –  en daarmee voor de natuur als een open werkelijkheid. Dat gegeven is aan de huidige (d.w.z. 20ste-eeuwse) natuurwetenschap niet onbekend, maar het gezichtspunt van een open natuurbegrip (d.w.z. van een andere oorzakelijkheid dan de gesloten fysische causaliteit) stoot toch bij velen op heftig verzet en bepaalt ook in slechts geringe mate de heersende kijk op de natuur en de natuurwetenschap. Hierover heeft de Rotterdamse hoogleraar filosofie Koo van der Wal onder de titel ‘Mieuwe vensters op de werkelijkheid, Contouren van een natuurfilosofie in ontwikkeling ongeveer gelijktijdig met mijn publicatie een behartenswaardig boek geschreven, dat men wel als aanvulling op het mijne kan beschouwen.
De opvatting van de mens als geestnatuur, d.w.z. als natuur, die wezenlijk bepaald is door de eigenschappen van vrijheid, wil, bewustzijn en betekenisverlening, blijft omstreden, zoals wel uit de boeken van bekende hersenfysiologen als Swaab en Lamme en hun aanhang blijkt (in mijn boek neem ik Dennett als uitgangspunt). Dit geldt evenzeer van de visie op de natuur in de laatste vijftig jaar, waar een zog. ‘Downward causation’, oftewel teleologie, in de ontwikkeling van de natuur wordt waargenomen, die het gesloten fysicalistische beeld doorbreekt. Ook deze kijk lijkt aan het algemene denk- en ervaringspatroon weinig te veranderen (behalve in alternatieve, doorgaans weinig doordachte bewegingen). De strijd tegen het fysicalisme is dus allerminst gestreden.
Ik onderzoek voorts, hoe de verhouding tussen het fysicale en het geestelijke in de verschilllende wetenschappen wordt gethematiseerd en hoe een door de geest bepaald kenbegrip zowel aan de fysische als aan de geestelijke (vooral historische) kennis vermag recht te doen. Hoe zal de mens onder het fysicalistische dictaat uitkomen en zich de werkelijkheid in heel zijn omvang toeëigenen? Hier is de bepleite correlatie tussen geest en natuur allesbeslissend. De gedachtegang loopt in ethisch-technologisch opzicht uit op een model, waarin de geest als kapitein de materie instrumentaliseert en in dienst stelt. Hier komt in ethisch opzicht de notie van gedeelde verantwoordelijkheid naar voren. Er is alles aan gelegen, dat wij de totale technisering overwinnen en de wereld weer leren ‘bewonen’. Het beeld van de woning biedt een illustratie van het inrichten van de wereld: vanuit het middelpunt van de woning, waar de dingen vertrouwd zijn en hun betekenis onmiddellijk kenbaar, doorlopend naar de randen van het buiten de woning gelegene met zijn toenemende eigenwettelijkheden in de ‘grote’ wereld.
Men kan de vraag stellen, of de identificatie van de Europese geschiedenis met de geschiedenis van de wetenschappen en de samenhang daarvan met de geloofsgeschiedenis terecht is. Nu is het een onomstotelijk gegeven, dat de ontwikkeling van het natuurdenken – in het algemeen van de wetenschap – zich heeft voltrokken in de geschiedenis van het uit de antieke cultuur voortgekomen christendom. Het is een zich langzaam loswikkelen uit de antieke en in christelijke termen vertaalde zijnskategorieën, (zoals bijv. reeds aan eenvoudige waarnemingen als die van plaats en beweging bij Galilei gemakkelijk is vast te stellen) op de historische bodem van de christelijke cultuur. Wij krijgen thans in toenemende mate te maken met een wetenschappelijk-technologische wereldcultuur. Voor zover mij bekend, is in andere godsdiensten weinig op te merken van de hier aan de orde zijnde grondslagvragen. Het komt mij voor, dat de confrontatie van geest en natuur zich binnen dat christendom uitvecht en dat tot op de huidige dag. Uiteraard liggen hier diverse historische vragen, bijv. ook naar de rol van Verlichting als ontwikkeling van de Europese geest. Is zij een beëindiging van dit historisch panorama of de voortzetting ervan?
Hoe ook, mijn studie stelt de vraag naar het verband tussen menselijke geest en Heilige Geest. Zij mogen uiteraard niet worden geïdentificeerd. Maar de vraag naar het zijn der dingen mag niet worden opgeofferd aan de totale functionalisering. Ik voer daarom ook een pleidooi voor het behoud van de theologische faculteit aan de universiteit. Dit in samenhang met een goed woord voor de jammerlijk ter ziele gegane centrale filosofische interfaculteit, die de treurige informatisering en economisering van de verschillende wetenschappen zou hebben kunnen tegengaan. Ook in deze zin kan het het christendom met zijn nadruk op de geest voor onze kennisrepubliek van niet geringe betekenis zijn. Onze geleerden moeten niet alleen overweg kunnen met data oftewel de computer, maar ook met teksten oftewel het katheder. En dat geldt zelfs van de natuurwetenschappen.