Geen categorieOverige

Dag 1 – Met het oog op Pasen

Op een of andere manier zal iedereen het wel herkennen: je gaat niet zomaar feest vieren. Er moet een reden zijn.
De verhalen van de bijbel bevatten een overgrote schat aan redenen om te vieren. En er staat veel in die bijbel om stil te worden en tot bezinning te komen.
Die twee begrippen, bezinnen en vieren, horen bij elkaar. De woorden van de bijbel brengen je te binnen wat goed en wat verkeerd is. Door die woorden te horen word je je bewust van wie jij voor God bent, en van wat er in de wereld gebeurt. Door die woorden als leidraad te nemen voor je handelen, krijg je moed om verder te gaan. Want achter het water en de woestijn, door nood en dood heen, zal er een Nieuwe Morgen komen. God heeft het zelf gezegd.

70 jaar ballingschap
Er is een traditie, die al vanaf de 9e zondag voor Pasen rekening houdt met het komende Paasfeest. Men duidt die periode aan met het getal 70, naar de jaren van de ballingschap van Israël. Men noemt dan de zondagen (symbolisch) 70e, 60e en 50e zondag voor Pasen, de ‘voorvasten’. De lutherse en anglicaanse traditie hebben dat nog bewaard.

40 jaar woestijn
40 jaar is Israël in de woestijn. Jezus’ verblijf in de woestijn correspondeert natuurlijk daarmee: 40 dagen en 40 nachten vastte Hij. Zo tel je naar Pasen toe. De voorbereidingstijd voor Pasen duurt 40 weekdagen en 6 zondagen. De zondagen tellen niet mee als vastendagen. Zondag is immers altijd gedachtenis van het paasfeest.
Er loopt een weg van bezinnen en vieren die begint met Aswoensdag. Op deze woensdag kan het ‘askruisje’ gehaald worden, de as van de palmtakjes van vorig jaar. Het kan je helpen bij de bezinning. De as verwijst naar het gebruik om zich bij de boetedoening, vasten, bezinning, maar ook bij verdriet en rouw, met as te bestrooien. De inwoners van Ninevé, Job, Mordechai deden zo. Wij kennen het nog van de uitdrukking ‘in zak en as zitten’.
Volgt men alle evangelielezingen van de zondagen, dan blijkt er een wisseling in de thema’s te zijn, een wisseling van donker en licht. Het gaat zeker niet alleen om het lijden van Jezus in de dagen voor zijn kruisiging. Lijdenstijd is daarom niet altijd het goede woord voor die 40 dagen. En bovenal: het gaat niet alleen om het lijden en sterven, maar uiteindelijk om de opstanding, om het leven, waarop wij ons voorbereiden!
Van zondag tot zondag blijken de tegenstellingen steeds groter te worden, naarmate het dichter bij Pasen komt. De tegenstellingen worden steeds groter en feller. Het gaat naar de beslissing toe. Aan de grens van het beloofde land zegt Mozes tegen het volk: ‘Het leven en de dood houd ik u voor, de zegen en de vloek. Kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslacht, door de HEER, uw God lief te hebben, naar zijn stem te luisteren en Hem aan te hangen, want dat is uw leven en waarborg voor een langdurig wonen in het land (Deut. 30:19, 20).
Zo worden wij voor de vraag gesteld: waarvoor kies jij, waardoor laten wij ons leiden, hoe leef jij?
Ons wordt aangezegd en voorgehouden: de nacht is niet eindeloos en gezang 130 in het Liedboek zingt zelfs: ‘De nacht is haast ten einde, de morgen niet meer ver.’Als je de moed hebt het duister en de dood te doorléven, als je ondanks alles durft door te leven, dan is er een nieuwe morgen in nieuw licht. Dat is niet een weg van alleen maar ‘op hoop van zegen’. Israël kreeg in Egypte en onderweg in de woenstijn tekenen te zien hoe het in het beloofde land kon en zou zijn: openbaring op de Sinaï, hemelbrood als leeftocht voor onderweg, Jozua als koninklijke voorganger het beloofde land in. Deze drie verhalen uit het Oude Testament keren terug in de evangelielezingen op de ‘lichte’ zondagen: verheerlijking op de berg (Reminiscere), de spijziging (Laetare) en de intocht (Palmzondag).
Het gaat in de tijd voor Pasen dus niet alléén van kwaad tot erger. Ook de nieuwe morgen, de belofte van leven komst steeds dichterbij, al zie je daar vaak niets van. Toch: je moet iets gezien hebben, om te kunnen geloven als er werkelijk niets te zien is. Als het dus na de verheerlijking op de berg bergafwaarts gaat, dan moet je weten en geloven: deze is de verheerlijkte zoon van God. En bij het kruis moet je weten en geloven dat deze het brood ten leven deelt.

Het getal 40 staat in de bijbel voor een heel mensenleven. Je zou de 40-dagentijd en de gang van Jezus kunnen schetsen als: 40 dagen, een leven vol tegenspraak. En in het leven van Jezus zal ons eigen leven herkenbaar worden. Die tegenspraak is meerzinnig te verstaan: Jezus zegt nee tegen alles wat mensen kapotmaakt, en velen in de wereld zeggen nee tegen Jezus.
Maar bovenal mogen wij vasthouden aan het JA van God, waarmee hij alle nacht en nevel tegenspreekt. Het JA van Jezus, als hij opkomt voor recht en vrede, leven en liefde van mensen. De tegenspraak, dat het leven de dood overwint.

Bron: Wim van Beek, Verstilling in de week voor Pasen (Werkboekje voor de erdienst 23), 7-10.

En de eerste dag van de app voor iPhone en iPad van Rolf Robbe, Dagboek voor de Veertigdagentijd.

De blinde Bartimeüs
Lucas 18:35-43

Jezus is bezig aan zijn laatste reis op aarde, op weg naar zijn graf. Onderweg ontmoet Hij de blinde Bartimeüs. Hij was blind maar zag toch beter dan vele anderen wie Jezus werkelijk was: de lang beloofde zoon van David, de Verlosser die het volk zou bevrijden. In de poort van Jericho waar hij zat te bedelen, had hij al heel wat verhalen gehoord over de man van Nazareth, over de wonderen en genezingen die hij had gedaan: blinden konden weer zien, verlamden weer lopen en zelfs doden werden opgewekt. En Bartimeüs wist het zeker: Hij is werkelijk de Messias! Toen Jezus op die dag bij zijn bedelplek langs kwam, greep hij zijn kans. Hij schreeuwde boven het geroezemoes van de passerende mensenmassa uit: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ Bartimeüs beleed voor alle mensen wie Jezus was en dat hij zijn hulp nodig had. De mensen wilden het niet horen en probeerden hem het zwijgen op te leggen. Maar des te harder schreeuwde Bartimeüs om genade. Want dat was het waarop hij hoopte: dat Jezus hem genadig zou zijn. Hij kon het zelf niet, maar hij verwachtte zijn redding van Jezus. Hij beriep zich op Gods genade en liefde. En dat doe je nooit tevergeefs. Op Jezus’ bevel werd Bartimeüs naar hem toe geleid. ‘Hoe kan ik je genade geven?’ vroeg Jezus. ‘Heer, zorg dat ik weer kan zien.’ Bartimeüs wist dat Jezus dat kon en wist dat Hij het in zijn liefde wilde doen. En dat geloof redde hem. Nu, want hij werd ziende. Maar straks nog meer: als hij voor Jezus zou staan, de rechter van de wereld, en hem in de ogen zou kijken. Dan mocht hij het weten dat hij genade zou krijgen. Hij was blij dat hij die Jezus kon volgen.

Gebed
Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!

Bron: Rolf Robbe, Dagboek voor de Veertigdagentijd. App voor iPhone en iPad