Van Luther tot Heidegger van Wessel H. ten Boom biedt het spannende verslag van een daadwerkelijke én intellectuele reis langs Duitse monumenten, musea en andere Gedenkstätten, in de poging tot een verantwoording te komen van de Duitse en Europese geschiedenis. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan Luther (en de Joden), Thomas Müntzer, Goethe, Hölderlin en Nietzsche; aan Heidegger, Käthe Kollwitz en Thomas Mann. Maar ook andere dichters, denkers en schilders passeren de revue. Op deze pagina twee uitgebreide citaten ter kennismaking:

 

Theologisch ontwaken

“Waarom lig ik niet gewoon aan zee om te genieten van het leven, met een ijsje en een verstrooiend boek? Waarom laat de geschiedenis mij niet met rust? Waarom op zoek naar wat de tijd al lang verworpen heeft? Vanwaar die fascinatie – maar het is meer – voor die tekenen van hoop die het juist niet hebben gehaald? Ooit zat ik, ik schat zo op mijn elfde, twaalfde, onder het perenboompje achter in onze pastorietuin, ik keek naar de wolken en werd mij er plotsklaps van bewust dat de wereld vergaat. Is mijn leven sindsdien met zijn politiek (ik richtte met een vriendje de club Voorkoming Ondergang Wereld op) en met zijn theologie één groot verzet daartegen? Kan ik me niet bij het onvermijdelijke neerleggen? De inmiddels vergeten Sam de Wolff schrijft in zijn memoires dat hij vanwege zijn liefde voor de kleine profeten communist werd. Waarom herken ik mij daarin, meer dan in de broodnodige maar zo abstracte verkondiging van zogenaamde ‘mensenrechten’? Ik ging theologie studeren na het lezen van Barths ‘Tambacher Rede’. Het was een grote troost en belofte, wat Karl Barth hier sprak: “Het goddelijke is iets totaals (…). Het laat zich niet toepassen, het wil omverwerpen en oprichten. Het is totaal of het is totaal niets”; “Om God gaat het, om de beweging van God uit, om ons bewogen zijn door hem, niet om de religie”; “Wij willen niet weer terug achter de principiële gebrokenheid van de levenskennis van Dostojewski, naar de Grieken niet, noch naar Goethe”, of: “De tranen staan ons nader dan het lachen. Wij staan dieper in het nee dan in het ja, dieper in de kritiek en in het protest, dan in de naïviteit, dieper in de hunkering naar het toekomstige dan in de deelneming aan het heden.” En dan natuurlijk die beslissende uitspraak: “…niet als onverantwoordelijke toeschouwers en kritici tegenover, maar als mee-hopende en medeschuldige kameraden in de sociaaldemocratie, waarin in onze tijd nu eenmaal het probleem van de oppositie tegen het bestaande en de gelijkenis van het godsrijk gegeven is…”Dit was nog eens ‘anderes Bier’ dan op catechisatie praten over drugs en de PPR…” (119)

 

Joden en Duitsers

“De Jood Fitelberg als de Duitse zaakwaarnemer bij uitstek, omdat hij zich herkent in de hoon van de volken. Die weet dat hij niet op hun plaats kan gaan staan, omdat zij bij al hun gelijkenissen ook of juist tegenover elkaar staan. Die kiest voor de wereld van de salon, maar zich daarin evenzeer een vreemde voelt omdat het Oude Testament hem in de botten zit. Die een zelfde tragiek voorziet en juist wil opkomen voor het Duitse. De Jood Breisacher die het universalisme opblaast omwille van de polyfonie die aan iedere harmonie voorafgaat, waar de post-christelijke, nietzscheaanse Leverkühn zich op zijn beurt zwijgend in herkent. (Mann modelleerde Leverkühn voor wat betreft zijn muziektheorieën naar de ‘atonale’ Alfred Schönberg). En de ‘optekenaar’ Serenus Zeitblom die dit alles met de nodige distantie waarneemt en tot zijn ontzetting opeens in zijn eigen kring iets ervaart van een hem tot dan toe onbekende ‘Anti-Humanität’. Gaat het hier louter om het begrip van de onherleidbare ‘ander’ die zich onttrekt aan het begrip ‘mens’? Dat zou veronderstellen dat Jood en Duitser in wezen toch dezelfden zijn, en dan ook even makkelijk inwisselbaar met ‘de vreemdeling’ du tout. Het aangrijpende en dappere van dit boek is mijns inziens dat hier een gedenaturaliseerde Duitser een historisch drama ziet dat niet kan overwonnen worden door, en herleid worden tot, een algemene theorie van vreemdelingschap. Mann constateert bij alle overduidelijke verschillen een eenmalige verwantschap waarmee ‘de wereld’ een probleem heeft, en die zich daarom nu juist niet van het Duitse en het Joodse abstraheren laat. Daarom gloort hier niet zozeer de oplossing van de erkenning van de ander, maar veeleer de notie van plaatsvervanging en deelname, vanuit een nauwelijks te begrijpen herkenning – zonder dat deze plaatsvervanging evenwel als een verzoening tot stand komt en tot stand kán komen. Temidden van de gaskamers en de bombardementen op Europa brengt Thomas Mann een lotsverwantschap en een zielsverwantschap tussen Joden en Duitsers naar voren. De Duitser heeft het hierbij op de Jood voorzien. Maar ook hijzelf stort zich hierdoor in een ongeluk als geen ander Europees volk, dat even onontkoombaar is. Inderdaad: een ‘gewagt’ en ‘unheimlich’ werk dat hier verricht wordt. De politiek mag vrede en tolerantie uitroepen, terwijl het al te laat is. Ze mag met Fredrik de Grote stellen dat ieder zalig wordt ‘nach eigener Façon’. Thomas Mann zal zich in deze naoorlogse politiek ook herkennen. Maar daarmee is niet alles gedaan. Hij constateert, in de toonsoort van de ‘apocalyps’, een ongelijktijdigheid tussen Joden en Duitsers waarin iets van een uitverkiezing gloort, die over en weer herkend wordt, maar tegelijk alleen als ‘dubbele uitverkiezing’ kan worden ervaren en ondergaan.” (109)

Citaten uit: Van Luther tot Heidegger / Wessel H. ten Boom / Boekscout / paperback

Van Luther tot Heidegger