GeloofReligieTheologie

Lees de proloog van de nieuwe biografie over de duivel

De priester: ‘Welnu, mag ik me voorstellen: Ik ben Damien Karras.’
De demon: ‘En ik ben de duivel! En wees nu zo vriendelijk deze boeien los te maken!’
De priester: ‘Als je de duivel bent, waarom laat je die boeien dan zelf niet verdwijnen?’
De demon: ‘Dat is een vulgaire vorm van machtsmisbruik, Karras.’
De priester: ‘Waar is Regan?’
De demon: ‘Hier binnen. Bij ons.’

‘De Exorcist’ (1973)

 
Zo begint de proloog van het nieuwe boek De duivel. Een biografie van Philip C. Almond. Lees hieronder de hele proloog.

 

Met deze woorden verscheen de duivel tegen het einde van de twintigste eeuw weer in de westerse cultuur. ‘The Exorcist’ was een film die het publiek herinnerde aan de dreigende ander die meer dan tweeduizend jaar lang in het westers bewustzijn present was geweest. Het betrof een wezen dat de donkere kant van het heilige vertegenwoordigde, verpersoonlijkt als de Boze, de duivel. Het meisje waarin de duivel zijn intrek had genomen, sprak met een diepe altstem, schreeuwde obsceniteiten, braakte en zweefde, kon haar hoofd honderdtachtig graden draaien, masturbeerde met een crucifix en liep als een spin. Het publiek was geschokt en ontdaan, maar tegelijkertijd diep gefascineerd.

Het was het begin van hernieuwde aandacht voor het demonische in film, op televisie, in literatuur en in muziek, een aandacht die tot in de eenentwintigste eeuw voortduurt. Het heeft geleid tot een toename van kennelijke demonische bezetenheid in de conservatieve middenmoot van de christelijke kerken, zowel de katholieke als de protestantse, en tot groei in het aantal exorcismen en ‘bedieningen van bevrijding’. Het heeft invloed gehad op de morele opschudding over vermeend seksueel misbruik van kinderen in satanische sekten. En het leidde tot toenemend (zij het  ongewettigd) wantrouwen onder conservatieve christenen dat er in de groeiende new-agebeweging sprake is van demonische invloeden, in het bijzonder bij moderne hekserij (wicca) en neopaganisme.

De terugkeer van de duivel in de West-Europese volkscultuur, en mogelijk zelfs bij de elite, maakt deel uit van een nieuwe westerse betrokkenheid op een denkbeeldige, betoverde wereld van bovennatuurlijke wezens, zowel goede als kwade, van vampieren en sprookjesfiguren, heksen en tovenaars, weerwolven en geestverschijningen, transformers en superhelden, engelen en duivelen, geesten en draken, elfen en ruimtewezens, mannelijke en vrouwelijke demonen, hobbits, bewoners van Zweinstein en zombies. En dit is ingebed in een hernieuwd actuele reeks esoterische en occulte technologieën van het zelf (zowel uit het Oosten als het vroeg moderne Westen) die als betekenisgeving dienen waar noch wetenschap noch feitenkennis bruikbaar zijn – astrologie, magische en spirituele heling, divinatie, oude profetieën, meditatie, allerlei voedingswijzen, complementaire geneesmiddelen et cetera. De moderne betoverde wereld is er een met een veelheid aan betekenissen, waar het spirituele een ruimte inneemt tussen werkelijkheid en onwerkelijkheid. Het is  een domein waar geloof een keuze is en waar ongeloof vrijwillig en blijmoedig terzijde wordt geschoven.

Of we al dan niet in de duivel geloven is tegenwoordig een kwestie van kiezen. Zo was het niet altijd. Het grootste deel van de afgelopen tweeduizend jaar was het even onmogelijk om niet in de duivel te geloven als in God. Christen zijn betekende niet alleen dat men geloofde in de verlossing door Christus, maar ook dat men, als men niet tot de uitverkorenen behoorde, te rekenen had met de bestraffingen van Satan en zijn demonen in de eeuwige vlammen van de hel. De geschiedenis van God in het Westen is tevens de geschiedenis van de duivel en de geschiedenis van de theologie derhalve ook de geschiedenis van de demonologie.

Het christelijke verhaal is een historisch verhaal. Het begint met Gods schepping van de engelen, de wereld, de dieren, van man en vrouw. Het vertelt over de rampzalige gebeurtenis van de zondeval van de mens na de schepping, toen Adam en Eva door de slang werden verleid in de Hof van Eden, God ongehoorzaam waren en uit het paradijs verdreven werden. De vervreemding tussen de mens en God, als gevolg van de val, was voor God de reden om mens te worden in Jezus Christus. Dit leidde tot verzoening tussen God en mens, dankzij Christus’ leven, dood en opstanding. Uiteindelijk vertelt het christelijke verhaal over de vervulling en het einde van de geschiedenis, als God zal komen om de levenden en de weer tot leven gewekte doden te oordelen, om de verlosten te bestemmen tot de eeuwige gelukzaligheid in de hemel en de verdoemden tot de eeuwige bestraffing in het hellevuur.

Dit christelijke verhaal kan niet worden verteld zonder de duivel.

In het verhaal van het christelijke geloof speelt hij, naast God zelf, de belangrijkste rol. Hij is de eerste, de vorst van de engelen die geschapen zijn in den beginne. Hij is de eerste die ongehoorzaam is aan God, en de eerste die, samen met alle engelen die met hem gevallen zijn, uit de hemel verdreven wordt. Vanaf dat moment verhaalt de geschiedenis over het conflict tussen God en zijn hemelse engelenmachten en de duivel en zijn demonische leger. Het is de duivel die kort na zijn eigen val, in de gestalte van een slang, de val van de mens teweegbrengt. Hij is het die er uiteindelijk verantwoordelijk voor is dat God mens moest worden in Jezus Christus, en hem moet Christus overwinnen. Het is de voorlopige, zij het nog niet de ultieme nederlaag van de duivel door Christus’ leven, dood en opstanding die het hart vormt van de daaruit voortvloeiende verzoening tussen God en mens.
Het is de duivel die, onversaagd door zijn schijnbare nederlaag, de bron blijft van het kwaad in de wereld en het lijden van de mensheid. En het zijn de duivel en zijn demonische bondgenoten die uiteindelijk verslagen worden in de grote kosmische strijd tussen goed en kwaad aan het einde der tijden, waarna hij en zijn demonen tot de eeuwige straf in het hellevuur worden gedoemd.

Toch is dit een zeer paradoxaal verhaal. De duivel is Gods meest onverzoenlijke vijand, en hij onttrekt zich aan Gods controle, aangezien deze hem zelf de vrijheid heeft gegeven om tegen
Hem in opstand te komen. Toch is hij tegelijkertijd Gods trouwe dienaar die uitsluitend in actie komt als God het hem beveelt, of tenminste toelaat. De duivel is zowel letterlijk als metaforisch de
verpersoonlijking van de paradox in het hart van het christelijk theïsme. Voor zover de duivel Gods onverzoenlijke vijand is die zich aan zijn gezag onttrekt, kan de verantwoordelijkheid voor het kwaad namelijk bij hem worden gelegd. Gods liefde blijft gewaarborgd, zij het ten koste van zijn almacht.

Anderzijds, voor zover de duivel Gods dienaar is en zijn wil uitvoert, is alles wat de duivel doet uiteindelijk Gods eigen verantwoordelijkheid. Gods almacht is gewaarborgd, maar ten koste van zijn liefde. Deze ‘demonische paradox’ van de duivel als Gods knecht en vijand tegelijk vormt de kern van het christelijke verhaal. Dit boek is een nieuwe ‘biografie’ van de duivel, een die zijn bestaan een plek geeft binnen het grotere geheel van het christelijke verhaal waarin het een onlosmakelijk element vormt. Hoofdstuk 2, ‘De val van de duivel’, gaat zijn leven na vanaf zijn ‘geboorte’, direct na de schepping, tot zijn val uit de hemel, met zijn engelen, en vervolgens zijn betrokkenheid bij de zondeval van de mens. Hoofdstuk 3, ‘Hell’s Angel’, gaat in op zijn plaats in het verlossend
werk van Jezus Christus, zijn kennelijk voorlopige maar niet finale nederlaag en zijn activiteit in de hel, in de geschiedenis en in de wereld na de ‘overwinning’ die Christus op hem behaald heeft. Hoofdstuk 7, ‘Een heel bezitterige duivel’, onderzoekt de toename van zijn activiteit in de lichamen van mannen en vrouwen naarmate het einde van de geschiedenis nadert en de tijd van zijn finale nederlaag dichterbij komt. Hoofdstuk 8, ‘De duivel verslagen’, gaat in op zijn ‘incarnatie’ als de antichrist, zijn uiteindelijke nederlaag aan het einde der geschiedenis en zijn veroordeling tot de hel op de dag des oordeels, waar hij paradoxaal zowel degene is die foltert als degene die zelf gefolterd wordt, zowel degene die de verdoemden straft als zelf een van de verdoemden.

Tegelijk wil dit boek een ander verhaal vertellen. Want verweven met de weergave van het christelijke verhaal over de duivel is een ander ingewikkeld en gecompliceerd verhaal, dat voorafgaat en parallel loopt aan het christelijke verhaal, dit soms doorkruist en overlapt, en dat is het westerse concept van de duivel. Het christelijke verhaal over de duivel krijgt pas vorm in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling, maar de geschiedenis van het concept ‘duivel’ begint al zo’n goede vijf eeuwen daarvoor.

Daarom onderzoeken we in hoofdstuk 1, ‘De “geboorte” van de duivel’, hoe het concept van de duivel zijn oorsprong vindt in de joodse bijbelse en buiten-bijbelse bronnen, hoe het zich op diverse wijzen ontwikkelt en hoe het wordt verfraaid en uitgewerkt in de Dode Zeerollen en in het Nieuwe Testament. In het volgende hoofdstuk, ‘De val van de duivel’, analyseren we de constructie van het christelijke verhaal over de duivel in de eerste vijf eeuwen van het christendom en de oorsprong van de demonische paradox. Hoofdstuk 3, ‘Hell’s Angel’, gaat in op de overheersende interpretatie van Christus’ overwinning over Satan in de eerste duizend jaar van het christendom – de theorie van verzoening door loskoping. Het is naar men zegt deze ambivalente aard van Christus’ overwinning over de duivel die tot een andere ‘demonische paradox’ binnen de geschiedenis van het christendom leidt: dat de duivel tegelijk door Christus overwonnen is en
toch vrij blijft om in de wereld rond te gaan.

Het concept van de duivel in de westerse intellectuele geschiedenis bereikt zijn hoogtepunt in de eerste helft van het tweede millennium. Hoofdstuk 4, ‘De duivel gaat rond’, onderzoekt de expansie van ‘elitaire’ magie in het Westen vanaf de elfde eeuw en de daaruit voortvloeiende toenemende demonisering van deze magie. Het volgende hoofdstuk, ‘Duivelse lichamen’, gaat in op de steeds sterker wordende centrale rol van ‘de duivel’ in de demonisering van de volksmagie en tovenarij binnen de klassieke demonologie vanaf de vijftiende eeuw. Hoofdstuk 6, ‘De duivel en de heks’, gaat vervolgens in op de vraag hoe de klassieke demonologie leidde tot de heksenjacht in de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw. Hoofdstuk 7, ‘Een heel bezitterige duivel’, verkent de gouden eeuw van de demonische bezetenheid, van 1550-1700, toen men meende dat de duivel even actief werkzaam was in het lichaam van individuele mensen als in de natuur en geschiedenis in het algemeen. De golf van demonische bezetenheid beschouwde men destijds als een teken dat de finale nederlaag van de duivel nabij was en het einde van de geschiedenis voor de deur stond. Daarom gaan we in hoofdstuk 8, ‘De duivel verslagen’, in op het denken onder christenen over de rol van de duivel en zijn zetbaas, de antichrist, in het laatste der dagen, zowel binnen het katholicisme als binnen het jonge protestantisme van de zestiende en zeventiende eeuw. In het christelijke verhaal kan de duivel, als onsterfelijke geest, niet sterven. Aan het einde van de geschiedenis leeft hij voort, zij het in de hel. Maar ideeën sterven, of verdwijnen op z’n minst uit het intellectuele landschap. Hoofdstuk 9, ‘De dood van de duivel’, onderzoekt de neergang van de duivel in het westerse denken. Waar het in 1550 onmogelijk was om niet in de duivel te geloven, gaan we in dit hoofdstuk het veranderende intellectuele klimaat na, gedurende de late zestiende tot halverwege de achttiende eeuw, dat er in elk geval onder de ‘geletterde’ elite toe leidde dat men het niet-bestaan van de duivel overwoog, of op z’n minst betwijfelde of deze nog een rol had in de natuur, de geschiedenis of in de levens van mensen. Vanaf die tijd oppert men de mogelijkheid dat de duivel uitsluitend ‘spiritueel’ bestaat, of zelfs louter ‘metaforisch’; in de menselijke geest of het hart van de mens.

Hoewel de duivel nog altijd ‘leeft’ in de moderne volkscultuur, is hij in de afgelopen tweehonderdvijftig jaar in het heersende intellectuele denken in het Westen een marginale figuur geworden. Vergeten is dat men zich ooit het leven niet zonder hem kon voorstellen, dat hij deel was van het alledaagse bestaan, permanent present in natuur en geschiedenis, actief werkzaam in ons diepste innerlijk. Het is het doel van dit boek om de moderne lezer beter inzicht te verschaffen hoe, vanaf de vroegste eeuwen van het christendom tot het recente begin van de moderne wereld, het verhaal van de mens niet verteld kon worden, noch het menselijk leven geleefd kon worden, los van het ‘bestaan’ van de duivel. Dat brengt ook meer inzicht met zich mee in het feit dat in het grootste deel van de afgelopen tweeduizend jaar de strijd tussen goed en kwaad in de harten en gedachten van mensen slechts de weerspiegeling was van een kosmische strijd tussen God en Satan, tussen het goddelijke en het diabolische, die het hart van de geschiedenis vormde.

 

 

Klik hier voor meer informatie over het boek.