Het boek ‘Gouden oogst’ van dr. Wim Verboom is een prettig leesbaar boek. Wat voor genre is het? Verboom schrijft zelf in het Woord vooraf: het is een theologische autobiografie. Het woord theologisch staat hierbij tussen haakjes. Ik denk dat deze typering –inclusief de haakjes- recht doet aan het boek. Nu het ouderdomt (ds. A. Been), Sores en zegen (ds. P.L. de Jong), Gouden oogst (dr. Wim Verboom), het is een eigen genre aan het worden in hervormd-gereformeerde kring. Dominees die op een persoonlijke manier terugblikken, evalueren. Een genre tot lering ende vermaak. Dat is althans wel wat Wim Verboom beoogt met zijn boek. Hij heeft dit namelijk geschreven voor –ik citeer- ‘allen die in het kerkelijk leven en in het predikantschap geïnteresseerd zijn’ en heeft daarbij ook gedacht aan de nieuwe generatie predikanten. Daarbij wil hij in gesprek zijn met zijn lezers. ‘Hij deed zijn werk zo. Zou je het ook zo doen? Of juist niet?’ Een spiegeloefening dus.[1]

In onderstaande bijdrage kijk ik -zelf diepgeworteld en ook van harte staande in de hervormd gereformeerde traditie, maar 35 jaar jonger dan Verboom-  in de spiegel ‘Gouden oogst’ en geef  enige persoonlijke reflecties.[2] Hierbij noem ik allereerst een aantal zaken die mij raakten bij het lezen van het boek. Vervolgens bespiegel ik over Verboom en verbond en om af te sluiten met nog een aantal concluderende opmerkingen.

Veel herkenning

Het boek roept op allerlei gebied ontzettend veel herkenning bij mij op. Dat geldt op allerlei gebied. Ik noem –zonder hier compleet te zijn- een aantal zaken:

1) het bevindelijke klimaat van het ouderlijk huis.

‘Vader dreigde nooit met hel en verdoemenis’, zo schrijft Wim Verboom. Tegelijk was het wel duidelijk dat er ook wat moest gebeuren. Je was niet zomaar kind van God. Wanneer ik dat soort dingen lees, denk ik direct: ‘ja, zo herken ik het ook’, al zongen we in mijn ouderlijk huis de liederen van Johannes de Heer met de gitaar in plaats van bij het harmonium.  Gelukkig heb ik nooit –zoals Wim Verboom- gedacht dat het dak van de kerk in zou storten wanneer ik een gezang zong in de kerk.

Het bevindelijk klimaat wordt ook vaak (mede)gevormd door kleine zinnetjes waar een wereld van gedachten aan achter zit. Wim Verboom hoorde als kind en student met regelmaat opmerkingen als ‘blijf er maar klein onder’. Mijn oma, maar ook mijn ouders spraken met regelmaat ook dit soort zinnetjes tegen ons uit. ‘Jongen, een veertje heeft nog wind nodig, om omhoog te gaan, maar een mens?’ was in ons gezin een gevleugelde uitspraak. Ook in mijn jeugd was er het geschil tussen Kievit en Woelderink wat (nog) besproken werd en waar inleidingen over werden gemaakt. Mijn radicaal tot geloof gekomen opa, ouderling en voorzitter van de mannenvereniging, zat met alle waardering voor Woelderink toch iets meer op de lijn van Kievit, zo weet ik nu nog.[3]

Natuurlijk ging je als kind ook naar de kerk. Of je alles begreep? Nee, dat niet. Verboom schrijft heel eerlijk:  ‘van de preken van vader begreep ik niet veel, dat hoefde ook niet, je was kind. Een kind hoeft de dingen niet te begrijpen als het ze maar aanvoelt.’ Ja, zo ben ik ook opgevoed. Je zat in de kerk en deed op jouw eigen manier mee. Je gedachten dwaalden met regelmaat weg. Je mijmerde nog eens over een woord, een psalmregel. Als je maar stil zat. Ik maakte de mensen om mij heen, soms ook de ouderlingen en dominee, oranje of groen, al naar gelang ik ik van mijn oma een anti-flu of een pecto snoepje gekregen had.

2) Benschop, Waddinxveen, Hierden.

De plaatsen waarin Verboom heeft gediend roepen eveneens herkenning bij mij op. Het zijn plaatsen waar ik op mijn manier ook aan verbonden ben (geweest).

Het lieflijke Benschop. Toen ik er –zo rond 2000- als getrouwd kandidaat woonde, deed de groenteboer op zaterdagmiddag zijn laatste ronde. We kochten de soepgroente voor de dag des HEEREN. Daarna daalde er een soort rust over het dorp. Het fluitekruid woei zachtjes langs de Wetering. Het grint werd geharkt de zondag kon beginnen.

Waddinxveen…de vrolijke kinderdrukte, de mondige mensen. Een beetje rumoerig, overweldigend ook. Wat rationeler ingesteld. Ik herinner mij de keurig geformuleerde consistoriegebeden.

Het milde hervormde klimaat in Hierden. Toen ik als jongvolwassene op vrijdagavond ‘naar de zang’ ging, zongen we aan het einde van de koorrepetitie een psalm bij het Harmonium. Te midden van geurend kuilgras werd met mond én hart de lof de HEEREN gezongen. Ik zie de mannenbroeders nog staan met hun gladgeschoren rode konen. [4] Onvergetelijke avonden heb ik er beleefd.

Momenten van de hemel op aarde en heimwee naar Gods toekomst.  Verder hield ik in dit Veluwse dorp mijn eerste preek. Je wist je gedragen door de broeders van de kerkenraad.

3) Beroepingswerk en ambtsopvatting.

Herkenning is er ook als het gaat om het beroepingswerk en de ambtsopvatting. Ik stond én sta daar grotendeels hetzelfde in als collega Verboom. Je wordt beroepen. Dat is inderdaad een passief gebeuren.[5] Net als Gerdien Verboom, zegt mijn vrouw Marlieke:  ‘jij moet beslissen, maar ik ga met je mee.’

4) Verkondiging, pastoraat, catechese.

Herkenning is er tenslotte ook als het gaat om de verkondiging, liturgie en pastoraat. Het wordt eerlijk en transparant beschreven en ik herken veel van mijn eigen houding, tobberijen en vreugde, al zijn er ook verschillen. Over deze verschillen straks meer. Prachtige woorden kom ik tegen: Preken is uitzingen Wie de drie-enige God in Jezus Christus is en uitdelen van wat Hij gedaan heeft tot ons eeuwig heil.’ Uitzingen én uitdelen!

De overeenkomst geldt ook de catechese. Ik geef zelf met liefde catechese en probeer ook een vriend van de catechisanten te zijn![6] Verboom geeft aan dat het relationele aspect een grote rol heeft gespeeld in de praktijk van het predikantschap:  ‘niet alleen omdat je als predikant een relationeel wezen bent, maar ook omdat het relationele voor mij theologische betekenis had. Dat had alles te maken met het verbond.’ Een teruggetrokken leven leiden was voor Verboom dus zowel karakterologisch als theologisch onmogelijk. Eerlijk stelt hij dat het voor predikanten met ‘een gesloten persoonlijkheidsstructuur’ derhalve wel ingewikkeld is.  Van mijn kant een kleine overweging hierbij. De grote opwekkingsprediker C.H. Spurgeon stelt in zijn pastorale adviezen dat het hebben van een ‘goede stem’ noodzakelijk is voor het ambt van predikant. Studenten die zich niet/nauwelijks verstaanbaar kunnen maken worden door hem- alle verhalen over roeping ten spijt- als niet (geheel) geschikt naar huis gestuurd. De komst van de microfoon heeft het criterium van Spurgeon (gelukkig!) ingehaald. Zou juist in onze ‘mondige’ tijd er niet meer gewicht gegeven moeten worden aan de relationele en communicatieve vaardigheden van een (toekomstig)predikant? Zou het niet verstandig zijn wanneer deze vaardigheden – op grond van persoonlijkheidsstructuur- niet genoeg aanwezig zijn mensen niet worden toegelaten tot het ambt? Een strengere selectie voorafgaand en tijdens de studie kan wellicht een hoop narigheden in de toekomst voorkomen. Zowel voor de predikanten zelf als voor de gemeenten die zij dienen. [7]

Samenvattend: vanuit de genoemde punten wordt duidelijk: er is veel herkenning is er op allerlei gebied. Het laat duidelijk zien dat er veel zaken zijn die lang, generaties lang, hetzelfde zijn gebleven. Ik vind dat mooi.  Er kan blijkbaar –ondanks leeftijdsverschil- ook een grote constante zijn in het kerkelijk leven en in de theologie en beleving van het predikantschap. Toch constateer ik dat zaken die lang, soms eeuwenlang, hetzelfde zijn gebleven inmiddels wel zijn veranderd. Naar mijn inschatting zijn deze veranderingen vooral  de laatste 15 jaar zichtbaar geworden.[8]  De snelle opmars van social media –door Verboom niet genoemd- heeft hier ook zeker een bijdrage aan geleverd.[9] In de volgende paragraaf som ik een aantal veranderingen op.

Ds. E. K. Foppen

Download hier de volledige reflectie.

[1] Dr. Wim Verboom,  Gouden oogst, een halve eeuw theoloog in pastorie en universiteit, Zoetermeer, 12

[2] Deze bijdrage is een uitgewerkte én uitgebreide versie van de door mij uitgesproken bijdrage tijdens de in Hierden gehouden presentatie van ‘Gouden oogst’ op 12 april 2018 .

[3] Zou juist op dit punt niet (ook)  gelden  dat de (geloofs)biografie  een grote rol speelt als het gaat om theologische positiekeuze.  Zie hierover mijn ook mijn gedachten op

[4] Ik denk in het bijzonder aan de broeders Peter van Ark en Eibert  Hoksbergen naast wie ik destijds stond. De christelijk gemengde zangvereniging Euodia maakt –nog steeds- deel uit van de Verenigde Veluwse Koren. Destijds was Marinus Brandsen de dirigent. Hij leerde mij dat ‘muziek tussen de noten zit’ en vertolkte het bevindelijk geloofsklimaat van de Veluwe door zijn eigen wijze van muziekinterpretatie van het eenvoudig geestelijk lied. Verboom beschrijft in Gouden oogst hoe in Waddinxveen het met name de hervormd gereformeerde zangvereniging Vox Jubilans was waardoor het bevindelijk klimaat werd geuit en geïnd.  Bevinding heeft ook veel met het lied te maken!

[5] Verboom beschrijft dat er meer en meer wordt gesolliciteerd. Natuurlijk wordt er ook in die situatie uiteindelijk nog wel een beroep uitgebracht door de gemeente. ‘Solliciteren is dus niet jezelf beroepen’ (Gouden Oogst, blz. 76). Tegelijk is het toch wel zo dat je als dominee door sollicitatie in het traject voorafgaand aan een beroep veel actiever bent dan in een beroepingstraject zonder sollicitatie.

[6] Verboom  geeft een aantal waardevolle tips. In ieder geval bepleit hij een actieve rol voor de predikant met betrekking tot de catechese, zie Gouden oogst,  135.  Dit is iets wat ik sterk deel.  Het model van mentorcatechese  heeft  voordelen , zeker als het om grote groepen catechisanten gaat. Dit model mag wat mij betreft echter niet leiden tot een ‘mindere’ inzet van de predikant als catecheet .

[7]  Een strenge selectie vindt  immers ook  al eeuwenlang op ander niveau plaats: iemand die geen WO niveau heeft kan –een enkele uitzondering daargelaten- geen predikant worden in de Protestantse Kerk.

[8] Heel bewust schrijf ik ‘zichtbaar geworden’.  De kiem van deze veranderingen is natuurlijk (veel)ouder dan 15 jaar. Zie hierover bijvoorbeeld wat W. Dekker heeft geschreven in zijn boek Marginaal en missionair.

[9] Over de gevolgen van de invloed van social media op het kerkelijk leven is nog niet zoveel geschreven. Zie Erik van den Berg en Frank G. Bosman (red.), Handboek kerk en social media, Zoetermeer