Israël

Kanttekeningen bij het boek Meervoudig verbonden – door Dr. ir. Jan van der Graaf

IsraëlDonderdag 1 november vond in de Thomaskerk te Amsterdam de presentatie plaats van het boek Meervoudig verbonden. Nieuwe perspectieven op vragen rond kerk, Israël en Palestijnen. Deze bundel, onder redactie van dr. A. J. Plaisier en prof. dr. K. Spronk, is bedoeld om de „soms vastgeroeste discussie” over Israël nieuw leven in te blazen. Tijdens de presentatie plaatste dr. ir. Jan van der Graaf kanttekeningen bij het boek. U kunt de integrale tekst van zijn lezing hieronder lezen. Maandag 12 november plaatsen we de reactie van ds. Kees Lavooij.

Geachte redactie, dames en heren,

Ik wil mijn hartelijke dank uitspreken voor de uitnodiging om hier iets te zeggen over het boek Meervoudig verbonden, dat verschenen is vanwege de sterke polarisatie rondom het thema ‘Kerk en Israël’ en daarin de hele Midden-Oosten problematiek binnen de kerken. De sprekers kregen het advies om zich te beperken tot wat ze zelf het meest relevant achten. Ik geef derhalve eerste een paar opmerkingen over het geheel en daarna kies ik één bijdrage.

Algemeen
In het algemeen wil ik zeggen dat deze bundel in bepaalde zin de polarisatie van de laatste jaren overstijgt. Dan bedoel ik vooral de toonzetting. Die is waardig, ontdaan van onterechte beschuldigingen en karikaturen. De bundel is qua inhoud ook niet eenzijdig. Gestreefd is naar evenwichtigheid in de weergave van de verschillende visies, al blijven wezenlijke verschillen soms onbenoemd of ze worden verzacht. Maar we moeten het vandaag hebben over wat op schrift is gesteld. Dat is de moeite waard en nodigt uit tot gesprek.

Plaisier
Ik heb geaarzeld welke keuze ik zou maken. Ik kies echter voor het verhaal van dr. Arjan Plaisier. In de eerste plaats omdat hij de hele problematiek in één handgreep behandelt, in de tweede plaats omdat hij als scriba van de Protestantse Kerk een spilfunctie heeft.

Zijn onderbouwing van ‘de onopgeefbare verbondenheid’ van de kerk met Israël val ik geheel bij. Hij zegt: ‘De kerk kan niet zonder een theologie van Israël om de eenvoudige reden dat Israël raakt aan de identiteit van de kerk zelf.’ Om dat te onderbouwen moet je naar de Schriftgegevens, niet als bron van meditatie waarvoor Spronk opteert, maar  in hun concreetheid; in hun soms weerbarstige concreetheid. Plaisier verzet zich tegen de gedachte dat de rol van Israël in de heilsgeschiedenis is uitgespeeld en daarmee wijst hij ook de vervangingsgedachte af. Hij zet in bij de trouw en de toewending van God aan Israël, ondanks vaak de ontrouw van het volk. Soms klinkt de banvloek, maar Gods barmhartigheid wint het telkens van het oordeel. ‘God blijft hen liefhebben omdat hij de aarstvaders heeft uitgekozen’, zegt hij op grond van Rom. 11 : 28. De woorden  die Paulus heeft geschreven over Gods ‘onberouwelijke verkiezing’ slaan evenzeer op het Israël van zijn dagen als op dat van onze dagen. ´De woorden die Paulus geschreven heeft zijn niet van adres veranderd.´
Ik ben dankbaar voor dit geluid, actueel vanwege stemmen die ervoor pleiten helemaal niet meer van ‘onopgeefbare verbondenheid’ te spreken.
Ik val hem ook bij wanneer hij de ‘omweg’ die kerk en jodendom beide zijn in Gods weg, zoals Robert W. Jenson doet, als ‘te gemakkelijk’ afwijst. In feite is er maar één weg, de weg van Jezus de Messias van Israël, in  Wie ´alles onder è­èn Hoofd is gebracht´.

Landbelofte
Voordat ik Plaisier nu opnieuw bijval, wil ik eerst met hem kritisch in gesprek en wel over het meest cruciale punt in het geding: de landbelofte. In het stuk over de onopgeefbare verbondenheid heeft hij Israël nergens verspiritualiseerd of geüniversaliseerd. En dat lijkt hij opeens wel te doen als het gaat om de landbelofte uit Gen. 17 : 8. Hij is weliswaar voorzichtig, formuleert in nuances. Hij zegt: ‘De hand wordt overspeeld wanneer met te grote stelligheid wordt beweerd dat deze landbelofte onverkort (!) blijft gelden, zeker wanneer dit nader ingevuld wordt als de belofte van een Rijk van Israël in Palestina, met Jeruzalem als hoofdstad.’ Maar, zegt hij: ‘Zelfs in Romeinen 9 tot 11, waar Paulus zo uitgebreid op het Joodse volk ingaat, staat er geen letter over.’   Ik herinner hier echter aan een stelling bij het proefschrift van Sam Gerssen (1978), (mede)opsteller van de Handreiking Israël: volk, land en staat (1970): ‘Als in Rom 9 : 4 van het joodse volk wordt gezegd dat hunner de beloften zijn, gebiedt de eenheid der Schriften, daaronder ook de landbelofte te verstaan.’

Intussen suggereert Plaisier dat de landbelofte bij hen die daaraan vasthouden verbonden wordt met zoiets als een ‘koninkrijk van Israël’, een staatkundige belofte dus. De Handreiking van 1970 beperkt zich echter tot de landbelofte en wijst een staatsbelofte af. Wel wordt de staat een afgeleide van de landbelofte genoemd. Ze spreekt over ‘de relatieve noodzaak’ van een staatsvorm’. Daar wil ik het ook graag bij houden.
Hier plaats ik dan ook heb ik echter ook een kritische vraag bij wat Plaisier zegt over de vraag van de discipelen aan Jezus of Hij ‘in deze tijd’ het Koninkrijk voor Israël weer zal herstellen (Hand. 1 :7). ‘Het komt u niet toe de tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft’, antwoordt Jezus. Hij geeft geen rechtstreeks antwoord, ook geen ontkenning . Plaisier acht het een gevaarlijke verschuiving om hier toch weer te gaan speculeren ‘over het koningschap over Israël’. Maar hij voegt daar direct aan toe: ‘of de landbelofte’. De oprichting van het koninkrijk aan Israel koppelt hij direct aan ‘het wonen in het land van de vaderen’.
Het Koninkrijk is echter een geestelijke categorie, met verschillende dimensies, hoewel met aardse consequenties, dat in Christus is aangebroken. Christus spreekt later over ‘de kleine kudde aan wie het de Vader behaagt het Koninkrijk te geven’ (Luk. 12 : 32). Daarom kan men wat dit betreft de vraag van de discipelen beter de vraag laten en het antwoord van Jezus het antwoord en niet gaan speculeren over dat koninkrijk, met name door het politiek in te vullen. Maar is de landbelofte een geestelijke categorie of gaat het over een concreet volk in een concreet land?
Het zou winst zijn als in de kerk de landbelofte weer in zijn concrete geldigheid voor nu zou worden benadrukt, zonder deze te vereenzelvigen met de ‘staatkundige grootheid’ Israël.

Politiek
Ik haast me nu tot het tweede deel van het betoog van Plaisier: Israël en de Palestijnen. Ook hier begin ik waarderend.  ‘Het is van groot belang dat Israël nu een thuisland heeft’, zegt Plaisier. Verrassenderwijds voegt hij daar zelfs aan toe: ‘De staat Israël is voor de kerk geen gewone staat. Dat is onmogelijk, ook wanneer de oprichting van de staat niet gezien wordt  als concrete vervulling van de profetieën. Het is het thuisland van het Joodse volk, en daarom zal het met andere interesses en passies worden gezien’.
Maar, zegt Plaisier terecht, ‘Met recht en gerechtigheid valt niet te marchanderen. ‘Dat geldt in de richting van een legitimering van de politiek van de staat Israël. Het geldt ook ten opzichte van de veroordeling van deze politiek’. Hij wil niet ‘eenduidig’ over het kwaad spreken.  Hij stelt dan bijvoorbeeld ook vragen bij de vereenzelviging van het heil met ‘de bevrijding van de bezetting en het wonen in een vrije Palestijnse staat’, terwijl dan wordt gesuggereerd dat ‘de zonde van de bezetting’ het kwaad’ is in Israel en de Palestijnse gebieden.  En er geen woord valt over ‘latente of openlijke vormen van antisemitisme, corruptie van de Palestijnse leiders of terrorisme’.
Overigens voeg ik hier nog aan toe dat de Palestijnen in de theologie van Naïm Ateek hun eigen landbelofte hebben, met politieke consequenties, namelijk in de wijngaard van Naboth, die hun wederrechtelijk is ontnomen.

Israël valt naar mijn oordeel op grond van de Thora in hoge mate aan te spreken op recht en gerechtigheid jegens de Palestijnen. En de kerk zal opkomen voor dat bijbelse recht, waar dan ook. Dat geldt toch echter voor veel plekken op de wereld? Maar ligt op grond daarvan de verbondenheid met het Palestijnse volk op hetzelfde vlak als ‘de onopgeefbare verbondenheid’ van de kerk met Israël? De titel van de bundel acht ik dan ook verhullend. Meervoudig verbonden? Moet dat niet zijn ‘ongelijksoortig verbonden’? Zonder Israël zou er in de Prot. Kerk geen IP-nota zijn.

Christenen
Het heeft mijn instemming als Plaisier stelt dat de kerk niet geroepen is voortdurend uitspraken te doen over de politieke situatie in het Midden-Oosten. Dat grendelt wel af naar Sabeel, de organisatie die dat wel doet. Maar wel dient ‘de stem van de Palestijnse broeders en zusters en door hen van het Palestijnse volk’ te worden gehoord, voegt Plaisier toe. Ik vraag nu: welke broeders en zusters? Ik permitteer me een paar ervaringsgegevens.

1. Dit jaar was ik op bezoek bij ds. Naïm Khoury, voorganger van een baptistengemeente in Bethlehem. Zijn vader was een Grieks Orthodox priester. Hij was na zijn bekering (tot het protestantse geloof) uitermate kritisch op het Schriftgebruik van orthodoxe of anglicaanse geestelijken en was sindsdien zelf op grond van de Schriftgegevens ‘onopgeefbaar verbonden’ met Israël.

2. Elk jaar als ik in Israël ben ga ik ’s zondags een keer naar de St. George Cathedraal, waar Naïm Ateek ooit voorganger was. In de gesprekken met geestelijken is me gebleken dat verschillenden van hen afhoudend, afstandelijk of kritisch reageren op de theologie van Ateek. Er wordt daar evenwichtiger gebeden voor de politieke situatie dan bijvoorbeeld in de Schotse Kerk, een importkerk voor toeristen, waar de gebeden politiek pro-palestijns zijn en het zelfs bij het avondmaal politiek toegaat. Daar wil ik niet meer zijn. In de St. George vielen in de gebeden wel de namen van Abbas en Nethanjahu. Over Hamas werd gezwegen.

Verzoening
Tenslotte: De hoofdzaak moet blijven dat de kerk meewerkt aan verzoening, zegt Plaisier.  Liever gebruik ik het woord vredestichting. Mensen met contrasterende visies zullen humaan en in vrede met elkaar samenleven. Dat te bevorderen is ook een roeping voor de kerk, ook voor Israël zelve. ‘Zoek de vrede voor de stad (…) want in haar vrede zult gij vrede hebben’ voegt de profeet Jeremia zijn landgenoten in Babel toe.(Jer. 29 : 7).

Maar verzoening van ideeën is een ander verhaal. Jarenlange contacten in Israël hebben me tot de overtuiging gebracht dat binnen de christenheid in Israël de vervangingsgedachte vrij algemeen is, ook waar men vredestichtend wil zijn. Welnu, is die visie verenigbaar en te verzoenen met de ‘onopgeefbare verbondenheid’? Hierover is, ook na deze bundel het laatste woord nog niet gesproken en valt er nog heel wat te spreken met de broeders en zusters in het Midden Oosten zelf.

Huizen
Jan van der Graaf