Theologie

Dat is nu typisch de heilige Geest

Tijdens de presentatie van het boek De Geest onderscheiden op vrijdag 24 november 2017 in de Jacobikerk in Utrecht, gaf Willem Maarten Dekker een persoonlijke toelichting bij deze uitgave die hij met Andries Zoutendijk schreef. U kunt hieronder zijn toespraak lezen. Van Willem Maarten Dekker verscheen onlangs ook het boek Dit broze bestaan. Over het geloof in God de Schepper. Ook Kees van der Kooi gaf tijdens de presentatie een lezing. Deze tekst kunt u nalezen in een van de komende nummers van Theologica Reformata.

 

I.

Wij willen graag nog een tweede eerste exemplaar overhandigen. We doen dat aan een van de theologiestudenten van de Jacobikerk, iemand die bijna aan het einde van haar theologiestudie gekomen is. We hebben ons boek niet alleen, maar wel tevens geschreven met het oog op een komende generatie predikanten en theologen. Wij hopen dat zij zich mede blijven wijden aan het type vragen waar wij in ons boek mee bezig zijn. Klassieke theologische vragen bezig, vragen die al sinds het begin van het christendom gesteld worden en die steeds opnieuw om antwoord vragen. Van Ruler zei om die reden, dat een theologische opvatting nooit verouderd kan zijn. Theologie en filosofie kunnen wat dat betreft nooit meegaan in het vigerende idee van wetenschap, dat zegt dat oude theorieën door nieuw onderzoek en nieuwe theorieën achterhaald worden. Goede theologie veroudert niet, grote vragen verouderen nooit, en wij hopen dat er in de toekomst predikanten en theologen blijven die zich niet schamen om die grote oude vragen opnieuw te doordenken, zoals bijvoorbeeld die naar God zelf, zijn wezen en de triniteit. Die vragen zijn het niet alleen waard om steeds opnieuw te doordenken, het is zelfs zo dat alleen die vragen, die nooit een definitief antwoord zullen krijgen, de enige vragen zijn die het echt waard zijn om je leven aan te wijden. Alle vragen die een laatste antwoord kunnen krijgen, zijn in feite oninteressant. In dat licht en met die grote opdracht willen wij het tweede eerste exemplaar aanbieden aan de uitverkorene en gelukkige genaamd Barbara Lamain.

II.

Ik wil nog een paar inleidende woorden zeggen. Allereerst dat ik het heel leuk vind om hier samen met mijn goede vriend Andries te staan. Andries is ook een vriend van mijn ouders, en zo leerde ik hem kennen. Ik herinner mij nog goed dat hij op een zekere zaterdag zijn computer bij ons kwam brengen, zo omstreeks 1990. Wij hadden nog geen computer thuis, maar de redactie van het kerkblad zei dat de dominee nu toch zijn kopij op floppy moest aanleveren, en Andries die ook wel een beetje een koopmansgeest bezit, die kon zijn computer aan Wim slijten en kocht zelf een nieuwe. Het resultaat was overigens niet dat Wim nu achter de computer ging zitten. Mijn vader bleef gewoon schrijven en zijn kinderen tikten het uit. En ik maakte op die van Andries gekomen computer mijn schoolwerkstukken. Zo heb ik Andries dus leren kennen en overigens, op het gebied van de nieuwe techniek loopt hij nog steeds mijlen op mij voor.

Later ging ik in Utrecht theologie studeren en ontdekte daar een dominee die echt goed kon preken. Een dominee van wie ik dacht: als je zo dominee kunt zijn, dan wil ik het misschien ook wel. Dat was weer Andries. En zo kreeg ik nog later, zo ongeveer in 2006, te maken met zijn plan voor een dissertatie over de persoon van de Geest. Dat had wel raakvlakken met het proefschrift waar ik zelf mee bezig was, en zo lazen en bespraken wij paragrafen van elkaars werk. En nu, weer een aantal jaren later, ligt hier ons gezamenlijke boek. Dat de vriendschap en samenwerking daarin uitmondt, stemt mij dankbaar. Veel mensen zeggen dat predikanten goed zelfstandig kunnen werken. Sommigen zeggen het iets duidelijker: eigenlijk zijn alle predikanten solisten. Als ik voor mijzelf spreek, dan zit daar zeker een kern van waarheid in, maar er blijkt nu dus ook een andere waarheid te zijn, die van een vruchtbare theologische samenwerking. Het schrijven van dit boek is voor ons een win-win-situatie geworden denk ik, waarin ik zeker ook veel van Andries heb geleerd. Zijn nieuwsgierigheid en zijn eruditie waren en zijn een bron van blijdschap voor mij.

III.

Gaandeweg ging de vraagstelling mij meer en meer fascineren. Wie is de heilige Geest? Wat is het belang van de traditionele belijdenis, die zegt dat Hij een persoon is?

Toen we van het plan van een proefschrift afstapten en overgingen naar dat van een gezamenlijk boek, hebben we eerst de opzet van het boek zo veranderd, dat er een doorlopende lijn ontstaan is van het Oude en Nieuwe Testament tot en met de hedendaagse theoloog Schoonenberg. (De oorspronkelijke opzet van de dissertatie was: vroege kerk-nieuwe testament-twintigste eeuw). Wij beschrijven welk antwoord er al die eeuwen door gegeven is op de vraag of de Geest persoon en wat dat dan betekent. Hoewel er duidelijk zwaartepunten gelegd worden in deze geschiedenis en niet elke periode evenveel aandacht krijgt, is er toch een duidelijk beeld ontstaan van de gehele ontwikkeling over het denken over de persoon van de Geest. Dat maakt het boek ons inziens ook voor de niet-theoloog interessant. Je krijgt via het venster van de leer over de Geest een doorkijkje door 2000 jaar christelijke traditie. We besteden relatief veel aandacht aan de protestantse en Nederlandse traditie, maar zeker niet alleen. We hebben in dit deel ook mooie ontdekkingen gedaan. Bijvoorbeeld over Basileios, de Griekse kerkvader met zijn prachtige boek over de Geest, die het vooral benaderd vanuit liturgie en doxologie. Maar ook bijvoorbeeld dat de gereformeerde scholasticus Turrettini uit de 17e eeuw ook al wat behept lijkt met het moderne persoonsbegrip, dat de persoon als een zelfstandig individu gaat opvatten. Of dat de nadruk van Berkhof op de eenheid van God misschien vooral zijn achtergrond vindt in de filosofie van Kant en minder in zijn bijbelstheologische argumentatie. En dat de rooms-katholieke theoloog Schoonenberg een zeer interessante poging heeft gedaan om moderne bijbelstheologische inzichten te verbinden met de moderne filosofie.

IV.De Geest onderscheiden

In diezelfde geschiedenis zitten ook een paar helden. Dat wil zeggen: mensen die de eigenheid van de Geest op een wat ons betreft goede wijze hebben doordacht. Onze gezamenlijke held is in dit boek vooral de Friese dorpsdominee Oepke Noordmans, de meest geniale en meest onnavolgbare Nederlandse theoloog van de 20e eeuw. Van hem is een van de motto’s van het boek: ‘God heeft gesproken, God heeft geleden, en nu gaat Hij geven’. Dat is voor Noordmans een formulering van de triniteit. De Geest is de vertolker, zegt Noordmans, en dat is meer dan een vertalen, het is de vrije daad van een vrij subject. Noordmans past dat bijvoorbeeld heel aardig toe op de exegese van het Nieuwe Testament. Het is bekend dat veel exegeses van Paulus historisch gesproken niet kloppen. Paulus haalt een profeet aan, maar als je dat gaat onderzoeken, blijkt dat die profeet het heel anders bedoelt heeft. Paulus trekt wel eens een tekst uit zijn verband. Dan zegt Noordmans niet: ‘foei, Paulus’, maar: ‘dat is nu typisch de heilige Geest. Die vertaalt niet, maar vertolkt met een eigen vrijmacht en een eigen gezag.

Ik zou nog meer van onze gezamenlijke helden kunnen noemen, bijvoorbeeld Luther en Gunning, dat zijn twee andere theologen die mede de theologische band vormen tussen Andries en mij, maar dat laat ik nu verder liggen, u kunt het allemaal zelf ontdekken.

V.

Wat hebben we inhoudelijk gezien ontdekt in dit deel van het boek? Wel, in de eerste plaats dat de belijdenis van de Geest als persoon bijbels-theologisch veel sterker staat dan vaak gedacht wordt. Vaak is een tegenstelling gecreëerd tussen de Bijbel, waar de Geest de aanwezigheid of kracht van God en Christus zou zijn, en het dogma, waar de Geest dan een persoon wordt. Wij hebben ontdekt dat dat zo niet klopt. Er zit wel veel ontwikkeling en diversiteit in het bijbelse denken op dit punt, maar het persoon zijn van de Geest, dat Hij iemand is die in een relatieve zelfstandigheid ten opzichte van de Vader en de Zoon persoonlijk aan de mens in de geschiedenis handelt, met eigen kenmerken, dat vinden we ook al in het Nieuwe Testament. Het tweede dat wij ontdekt hebben is, dat de westerse traditie deze eigenheid van de Geest vaak te weinig tot haar recht heeft laten komen, doordat het de eenheid van God zo sterk benadrukte en ook een zekere ondergeschiktheid van de Geest ten opzichte van de Vader en de Zoon. Wat dat betreft ligt er een tegoed in de oosterse orthodoxie. Maar ook in onze eigen traditie, bijvoorbeeld bij Noordmans.

VI.

Het laatste hoofdstuk van het boek is door mij geschreven is. Dit is het dogmatische hoofdstuk, waar wij zelf in een eigentijdse verantwoording antwoord geven op de vraag wat de inhoud en de relevantie is van de belijdenis dat de heilige Geest een persoon is. Natuurlijk hebben we ook  dit hoofdstuk wel intensief met elkaar besproken, maar over enkele formuleringen en vraagstellingen zijn wij tot op het laatst blijven praten en nog niet helemaal tot overeenstemming gekomen. De insteek van Andries was sterk bijbelstheologisch en ook gericht op de gemeentepraktijk, terwijl mijn insteek mede filosofisch en metafysisch is.

In het laatste hoofdstuk definiëren wij ‘persoon’ als: ‘een instantie die zelf kan horen en spreken én pas in dit horen en spreken zichzelf is’. Daarmee onderscheiden we persoon duidelijk van individu. Een individu is ook zonder anderen zichzelf, maar een persoon is alleen met anderen zichzelf. Daarom is de triniteitsleer geen tritheïsme. Bovendien leggen we een bijbels accent door persoon-zijn niet primair te verbinden met rationaliteit of vrijheid, maar met horen en spreken.

Zoals gezegd zijn we over een paar dingen blijven praten. Bijvoorbeeld als het gaat over wortel van de triniteitsleer. Als ik daar over schrijf in het laatste hoofdstuk, dan neem ik geen genoegen met het idee, dat de triniteit ons nu eenmaal geopenbaard is. Er moet ook een zakelijke grond, een noodzaak voor de triniteit zijn, en die meen ik dan in aansluiting bij Jüngel en Moltmann te vinden op Golgotha. Daar blijkt dat de Geest noodzakelijk is als de persoonlijke band die maakt dat God niet breekt. ‘De Geest is de band die maakt dat God niet breekt’ – dat is dan zo’n formulering waar wij over zijn blijven praten. Voor mij is hij nodig om de identiteit van de Geest uit te zeggen, voor Andries minder.

VII.

U ziet, dames en heren: zelfs na deze studie, zelfs na deze studie is de theologie nog niet ten einde. Het gesprek gaat voort, ook vandaag. Ik ben nu zeer benieuwd naar de reflecties van de sprekers van deze middag en nodig prof. Kees van de Kooi uit om het woord te voeren. Dankuwel.

Willem Maarten Dekker

De Geest onderscheiden / Willem Maarten Dekker en Andries Zoutendijk / Uitgeverij Boekencentrum / als paperback en als e-book

Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *