Kerkgeschiedenis

Inleiding op Lutheranen in de Lage Landen door Gerard van Manen

ReformatieZaterdag 1 oktober 2011 werd het fraaie boek Lutheranen in de Lage Landen gepresenteerd. Aan dit boek werkten mee: J.P. Boendermaker; Th.A. Fafiën; K. van der Horst; C.J. de Kruijter; J.C. Riemens; M.L. van Wijngaarden en W. Littel. Dr. K.G. van Manen is de hoofdredacteur.

Tijdens de presentatie gaf dr. Van Manen een inleiding op Lutheranen in de Lage Landen, die we met zijn toestemming publiceren op Theoblogie. Wij zijn hem daarvoor zeer erkentelijk.

Dames en heren,

Vandaag verschijnt dan  lang verbeid − Lutheranen in de Lage Landen. Namens de gelijknamige werkgroep valt mij de eer te beurt dit boek te introduceren. Dit werk is niet het eerste en pretendeert werkelijk niet het laatste boek te zijn dat verschijnt over dit onderwerp. Het lijkt me daarom gepast iets te zeggen over de historiografie de geschiedschrijving  van het lutheranisme in Nederland en wel die uit eigen kring.

Afgezien van een pamflet uit 1690 over de kiesrechtstrijd binnen de Amsterdamse lutherse gemeente, liet pas in 1719 de lutherse voorganger Johannes Hermanus Manna in zijn Aanmerkingen over het werk der Reformatie zijn licht schijnen over het wel en wee van zijn geloofsgenoten hier te lande. De kerkhervorming in de Nederlanden beschouwde hij als geheel luthers. Over de geschiedenis van de gemeenten alhier uit de 16e en 17e eeuw wilde hij het niet hebben, want die was  naar zijn zeggen − te schandelijk om aan het papier toe te vertrouwen. Wij beschrijven die geschiedenis zeker! Overigens wijdde Manan hij breed uit over zijn conflicten met het presidentiële consistorie te Amsterdam.

Een reactie op het werk van Manan kwam vanuit de gemeente alhier, dus uit Woerden. Zekere Huybert Costerus vond dat Manné zich te summier had uitgelaten over zijn gemeente en hij zag zich genoodzaakt dat recht te zetten. Costerus vatte zijn taak grondig aan en begon zijn Histories Verhael bij Adam en Eva om via de apostelen, Grieks-Romeinse Oudheid en de middeleeuwse kerk reeds op pag. 10 te belanden in het proces tegen Jan de Bakker  volgens Costerus grondlegger dezer gemeente die in 1525 te Den Haag − de auteur is dan inmiddels aangeland op blz. 105 − op de brandstapel het leven liet. Na nog een enkele opmerking over de Rebellie tegen het Spaanse gezag te hebben geuit, beëindigde Costerus zijn betoog. Zijn manuscript is nooit in druk verschenen en rust hier in het gemeentearchief.

Begrijpelijk dat in 1839 de pioniers op het gebied van de geschiedschrijving van het lutheranisme in Nederland  de predikant Johannes Christoffel Schultz Jacobi en hoogleraar Ferdinand Jacobus Domela Nieuwenhuis (vader van de socialistische voorman) moesten concluderen dat er op het veld der Nederlandsche Kerkgeschiedenis geen akker is, die nog zoo geheel woest ligt, als die der Luthersche kerk. In hun tijd van emancipatie ergerden zij zich aan denigrerende opmerkingen over hun kerkgenootschap. Bij gelegenheid van een boekverkoping in Leeuwarden werd een aantal werken aangeboden met de uitroep: Daar komt een heele Luthersche rommel. Wie geeft er wat voor? Toen voelde Schultz Jacobi zich beledigd en hij bood een ducaat  een flink bedrag  voor die rommel. Gemotiveerd om hun kerkgenootschap aan de vergetelheid te ontrukken zetten Schultz Jacobi en Domela Nieuwenhuis zich aan nauwkeurig archiefonderzoek. Waar zij begrippen als luthers, luiteren, of lutherie tegen kwamen in 16e eeuwse archivalia, dachten zij met specifiek lutherse gemeentevorming van doen te hebben.

De hoogleraar Johannes Wilhelm Pont toonde echter in het begin van de 20e eeuw in zijn Geschiedenis van het lutheranisme in Nederland tot 1618 (1911)  zijn bekroonde werk is nog steeds een Fundgrube voor de bestudering van het vroege lutheranisme in de Nederlanden − overtuigend aan dat het begrip luthers in het grootste deel van de 16e eeuw synoniem was voor ketterij, heterodox handelen en dat het lutheranisme in de Nederlanden een plant van vreemde (Duitse) bodem was. Verder was hij de mening toegedaan dat de sobere eredienst in de lutherse kerken hier geen gevolg was van de invloed van het calvinisme, maar voortkwam uit de navolging van een eenvoudiger liturgietype uit Zuid-Duitsland dat metterwoon tot een Nederlands lutheranisme uitgroeide. Zijn tegenpool hierin was zijn collega Jacob Loosjes. In zijn Geschiedenis der Luthersche Kerk in Nederland (1921) stelde hij dat in het begin van de 16e eeuw zich hier een lutheranisme had geworteld in de geest van Melanchthon. Deze, naar zijn zeggen, vaag Melanchthoniaanse stroming manifesteerde zich steeds weer in de loop van de tijd. Overtuigend heeft Loosjes dit nooit kunnen aantonen. Zowel Pont als Loosjes waren kinderen van hun tijd en zij wensten een oorspronkelijk in de 16e eeuw in de Nederlanden geworteld of gegroeid lutheranisme te zien (vooral niet lijkend op rooms-katholicisme). Een ondertitel als Tussen katholicisme en calvinisme van het in 1983 verschenen werk van dr. C.Ch.G. Visser De Lutheranen in Nederland,  zou denk ik  in het interbellum niet goed gevallen zijn.

Het thans voorliggende werk onderschrijft de mening van Pont: de lutherse kerken in de Nederlanden zijn grotendeels made in Germany. Hun soms zelfs spectaculaire groei in de 17e en 18e eeuw werd veroorzaakt door immigratie uit Duitsland en in mindere mate Scandinavië Immigranten uit genoemde landen werden naar hier gelokt door ruime werkgelegenheid met relatief hoge lonen. In de volksmond werden zij wel Moffen en Knutten genoemd (iedere Noor heette immers Knud). In tegenstelling tot Pont echter zijn wij van overtuiging dat de lutherse gemeenten om vooral niet rooms-katholiek te lijken en daardoor hun getolereerde status in gevaar te brengen, hun kerkgebouwen sober hielden. Schilderijen en beelden werden schaars in hun kerken of verdwenen daaruit; altaar werd avondmaalstafel en de ouwel werd ingeruild voor brood. Lutheranen uit Duitsland en Scandinavië vaak gewend aan een rijk versierde kerk  accepteerden deze soberheid overtuigd van de noodzaak in hun nieuwe vaderland maatschappelijk aanvaard te worden. Paul Estië heeft in zijn studie uit 1987 naar het plaatselijk bestuur van lutherse gemeenten alhier in de jaren 1566-1686 aangetoond dat lutherse gemeenten beïnvloed zijn door het calvinisme. Hij komt tot de conclusie dat met betrekking tot de bestuursvorm de gemeenten wel een lutherse schering hadden, maar in genoemde periode een sterk gereformeerde inslag kregen.

In de 19e eeuw de immigratie stokte  emancipeerden lutheranen om tenslotte in de 20e eeuw volledig te integreren in de Nederlandse samenleving.

De werkgroep stelde zich ten doel de geschiedenis van het lutheranisme in Nederland te plaatsen in de context van de in de loop der tijden veranderende religieuze, politieke en economische constellaties. Naast specifieke gebeurtenissen en ontwikkelingen zijn in het boek terugkerende thema’s te vinden als: belangrijke gebeurtenissen in gemeenten, liturgie en sacramenten, opleiding, functioneren en maatschappelijke positie van predikanten en voorgangers. één aspect wil ik er even uitlichten: de diaconie, in vroegere overzichtswerken vaak onderbelicht. Indrukwekkend wat op dit gebied is gepresteerd in de loop van vier eeuwen. Zag de gemeente in Antwerpen in 1566/67 diaconie als een overheidstaak en liet zij derhalve stadsaalmoezeniers collecteren in de diensten, spoedig echter werd van lutheranen verwacht zelf voor armen  in eigen kring op te komen.

In de Amsterdamse gemeente groeide de diaconie uit tot een complexe organisatie, die de vele behoeftigen aan het einde van de 18e eeuw  de gemeente telde toen ongeveer 33.000 zielen (zeker 16% van de stadbevolking was luthers!) − wist op te vangen.

Nu zou de indruk kunnen ontstaan dat het lutheranisme in de Nederlanden geen enkele invloed heeft uitgeoefend op het protestantisme hier; het tegendeel is het geval. In 1943 toonde de latere lutherse hoogleraar Willem Jan Kooiman in zijn proefschrift Luthers kerklied in de Nederlanden aan, dat liederen van de reformator grote invloed hebben uitgeoefend op het protestantisme in ons land. Zelfs een onversneden calvinist als Petrus Datheen speelde leentjebuur bij Luther en voorzag zijn veel gezongen psalmenbundel van enige gezangen. En groeide Een vaste burcht niet uit tot het hooglied van de Reformatie? Mede door lutherse invloed Kooiman geeft daar tal van voorbeelden van − raakte het kerklied, begeleid door orgelspel, of andere instrumenten niet ondergesneeuwd. Immers tot ruim in de 17e eeuw lieten streng calvinistische voorgangers slechts psalmen zingen in de dienst en weerden zij het orgel. Dit instrument was een duivelse fluitkisten en leidde volgens Johannes Fontanus − leidend figuur in die kringen in die tijd − tot wereldse lusten ende geilheid des vleeses.

J.J. Voskuil laat in deel vier op pag. 605 van zijn onvolprezen roman Het Bureau zijn alter ego Maarten Koning zeggen: Geschiedschrijving is denken over jezelf met de feiten van anderen. Een boude uitspraak, maar wel met een kern van waarheid. Namelijk, hoe objectief  ook geprobeerd, elke geschiedschrijving blijft subjectief. Dat geldt onverkort ook voor het boek wat thans gepresenteerd wordt. Later zullen historici nieuw onderzoek plegen, andere accenten en verbanden leggen, nieuwe vragen stellen. Zo zal ook een latere generatie hopelijk rekening afleggen van haar lutherse verleden.

Lutheranen in de Lage Landen is geen eenmansactie geweest. Graag wil ik de medeauteurs, kenners van de geschiedenis van het lutheranisme, en verdere leden van de werkgroep hartelijk danken voor hun inzet.

Dhr. Jaap Riemens  oud archivaris van het gemeentearchief van Zutphen  rondde ondanks een verminderend gezichtsvermogen het hoofdstuk over de eerste helft van de 19e eeuw af.

Drs. Arno Fafia– bekend in lutherse kring  nam het tweede hoofdstuk over de 19e eeuw voor zijn rekening.

Dhr. Kees de Kruijter  archivaris en lange tijd tevens werkzaam als ambtelijk secretaris van de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland stond garant voor het eerste deel van de 20e eeuw. Anderszins was hij ook een steun bij de totstandkoming van dit werk.

Ds. Kees van der Horst, oud-president van de lutherse synode, schreef het laatste hoofdstuk, waarin ook het SoW-proces aan de orde komt. Als geen ander was hij daarvoor geïquipeerd. In de afwerkingsfase van het boek heeft hij het nodige nauwkeurige werk verricht.

De beeldredactie was in handen van ds. Martin van Wijngaarden, hierbij enige tijd geassisteerd door dhr. G. Procee. Van Wijngaarden wist de hand te leggen op een aantal niet eerder getoonde afbeeldingen, waaronder het schilderij van de Ronde Lutherse dat de omslag van het boek siert.

Dhr. Wim Littel, bekend van zijn bestuurlijke taken in de lutherse kerk, leidde de laatste jaren de financiën in geordende banen.

Buiten de werkgroep noem ik:

Dr. A.E.M. Janssen, destijds wetenschapper aan de toentertijd zogeheten rooms-katholieke universiteit Nijmegen. Hem dank ik voor zijn kritische begeleiding van de hoofdstukken over het Ancien Regime, zijn meeleven en goede raad gedurende het hele proces van totstandkoming van het boek.

Dank ook de vertalers van de samenvatting in het Duits en Engels, respectievelijk mijn oud-collega drs. Leen Korporaal en mijn vroegere leerling mevrouw drs. Liesbeth ten Ham.

Naast de kaartjes die door hem werden ontworpen, bleek dhr. Cees van Rixoort een welkome steun bij allerlei technische beslissingen die genomen moesten worden bij de afronding van het boek.

Mijn oud-collega Dhr. Martijn ten Ham wist  als ik af en toe overmand door softwareproblematiek op het punt stond de computer uit het raam te gooien  mij te kalmeren en een oplossing voor de gerezen moeilijkheid te vinden.

Medewerkers van uitgeverij Boekencentrum hebben u zult het zien er een fraai boek van gemaakt. Met een knipoog naar de politiek: van orthodox tot vrijzinnig en alle gradaties daartussen kunnen hierbij hun vingers aflikken.

Ten slotte: de uitvoering van dit hele project was niet mogelijk geweest zonder financiële ondersteuning van het Luthers Diakonessenhuis Fonds. Met enige nadruk wil ik het bestuur bedanken dat het vertrouwen bleef behouden in de hele onderneming. Ook het bestuur van het ds. Pieter Groote Fonds dank ik hier eveneens voor de genereuze donatie.

Dr. K.G. (Gerard) van Manen


Dr. K.G. van Manen studeerde geschiedenis in Nijmegen en promoveerde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij publiceerde over de geschiedenis van lutheranen en het lutheranisme in Nederland.

1 reactie

  1. 6 januari 2012 om 13:59

    Hey hoi Ik moet zeggen leuke homepagina wat ik me wel af vraag volgens mij hebben we jullie website laatst op tv ofzo gezien is dat mogelijk? deze site komt me namelijk zo bekend voor! Gegroet!!