Maatschappij

In de Stoet der Getuigen

Niek SchumanNiek Schuman, schrijver en docent, beziet in zijn nieuwe boek Mijn jaren van geloven zijn leven in relatie tot de tijd waarin hij opgroeit. Zijn levensloop blijkt sterk verweven met jaren van grote verandering. Tijdens de presentatie reageerden Jan Greven en Hans de Wit op zijn boek. Hieronder kunt u de integrale tekst lezen van de toespraak van Hans de Wit.

Inleiding
– Na dit lied zou er eigenlijk alleen maar stilte moeten zijn, alleen maar gedenken. Slechts de namen noemen van Amaral, Andrea, Fernando, de dochter van Aída, Victoria, Mariana en Simón, – de angelitos esperados die Carvajal weer verwacht ooit te zien spelen (p.208).

Maar ik heb een opdracht gekregen, namelijk om iets weer te geven van wat het bij mij oproept wanneer Niek vertelt over zijn – liever hun, dat van Niek èn Bettina ­– contact met Latijns Amerika, in het bijzonder Chili.

Wat mij heeft ervan weerhouden om op het hele boek in te gaan – ik heb het helemaal gelezen – is wat Niek me een paar dagen geleden schreef: ‘Doe er niet te veel aan, hoor Hans, maar ik vind het heel fijn dát je iets wilt zeggen. Je bent de laatste, geeft dus niet als het een klein beetje uitloopt vóór het glas waar ieder dan wel zin in heeft’. U begrijpt dat het vooral die laatste subtiele bijzin was die mij terugfloot van mijn aanvechting om op het hele boek in te gaan.

Ik vind het niet makkelijk om mij aan mijn opdracht te houden en iets te zeggen, want het boek heeft me stil gemaakt. Niek en ik hebben jarenlang een kamer gedeeld op de VU en daar, zoals hij schrijft, de wereld verbeterd. Ik kende zijn dus zijn belangstelling voor cultuur, film, poëzie, kunst, architectuur en literatuur. Dat er zoveel in zijn arsenaal zat, heb ik slechts kunnen vermoeden. Laat ik gelijk maar zeggen wat ik vind: zelden heb ik een theologisch of beter geloofs-boek, juist ook om die gedichten en beelden en visioenen, met zoveel ontroering en herkenning gelezen. Zelden ben ik een boek tegengekomen dat zo indringend laat zien wat verantwoordelijke en verantwoorde theologie kan zijn. Ik ben er stil van… en de zakdoek die Niek zelf af en toe nodig had bij het herinneren en gedenken, moest er ook bij mij aan te pas komen.       Bespreking
De dragende metafoor van Mijn jaren van Geloven is die van de tocht. We worden meegenomen de Thabor op (overigens vlakbij de plaats waar Yael Sisera de tent inlokte!). Die tocht omhoog, uiteindelijk toch omhoog langs de haarspeldbochten, biedt ons vergezichten: Zuid Afrika, Umbrië en Toscane, de kloosters in België, de Vogezen, de kathedralen in Frankrijk en Duitsland, maar ook de beelden van de kampen, het oneindige verdriet en de tranen van de vele Rachels die zich weigeren te laten troosten. En dan ook het eigen hart: de eigen wonden, worsteling en vertwijfeling, de eigen bronnen van inspiratie. En inderdaad, sterk wordt ingezoomd op Latijns Amerika. Al op p.136 wordt stilgestaan bij die bijzondere reis naar Brazilië. Bevrijdingstheologie wordt voor het eerst genoemd op p.167, in het deel dat ‘de cruciale jaren’ genoemd wordt. Daarna de nieuwe ervaringen in Latijns Amerika: in Argentinië, Nicaragua, maar vooral Chili. De bevrijdingstheologie met zijn keus voor de armen, de vriendschappen met Chilenen, de bezoeken aan en colleges in Chili (p.180vv) – dit alles lijkt in sterke mate bepalend geweest voor waar dit reisverhaal uiteindelijk uitkomt: voorbij de laatste haarspeldbocht. Die Latijns Amerika ervaring is in ‘Mijn jaren van Geloven’ een ijkpunt, een scharnier- en een kantelpunt. Veel herken ik. Zo is het ook ons vergaan tijdens onze jaren in Chili, boven alle nuancering en kritiek uit: een kantelpunt.

Ter illustratie wil ik kort bij twee passages in het boek stilstaan. Op p.211 (onder het kopje Bevrijdingstheologie) wordt teruggeblikt op de reizen naar Chili en Nicaragua en wordt de boodschap van die reizen voor het theologiseren beschreven. Ik wil het een moment van disclosure, van overgave aan een nieuw paradigma noemen. Het is de ontdekking dat Theologie van de Bevrijding in de eerste plaats gezien moet worden als trauma-verwerking, als het zoeken van een antwoord op verdwijningen, martelingen, armoede, voortijdige dood. Ik lees op die bladzijde 211: ‘Nu ik dit’ – de ervaringen van het verblijf in Chili en Nicaragua – ‘opschrijf, merk ik het weer: ‘Ik ben door! Dat ging na die reis precies zo. Omwille van Graciela, Pepe, Monica, Héctor, Mariana, Anatole, het meisje van Aïda en Simón, omwille van al die anderen was ik ‘door’ en nu opnieuw. Geen koudwatervrees kon – en kan mij nog langer weerhouden van die sprong in het diepe. Echte theologie … is bevrijdingstheologie … Zij begint bij de concrete situatie van mensen … Zonder een analyse van die situatie(s) blijft theologie een hooggestemde theorie, zonder ankerpunt in de diepte van menselijk leven en samenleven.’

Ik meen dat we hier het kantelpunt vinden.

Het ijkpunt vinden we waar Graciela, via Bettina, haar verhaal vertelt (p.255vv). Graciela’s man Mario is een van de Chileense verdwenenen. Het verhaal van Graciela heeft op hen beiden een diepgaande en blijvende indruk gemaakt: ‘Het doet pijn, de stem, het gezicht van Graciela. Haar verhaal staat voor dat van talloze anderen…’. En dan schrijft Niek: ‘Er is naar aanleiding van dit alles nog iets waarvan ik mij weer heel sterk bewust geworden ben. Dat alle theologie, alle uitleg van de bijbel …. voor mij alleen maar zinvol is, als ze georiënteerd blijft op de machtlozen, de minderen, marginaal en stemloos vaak. Dat moet ik ook mijzelf goed voorhouden. Om het nog een keer zo te zeggen: de heils-geschiedenis is een tegendraadse minderheidsgeschiedenis.’ Hier vinden we het ijkpunt.

Het scharnierpunt vinden we in de rest van het boek, – en dan spreek ik toch nog over het hele boek! Het is theologiseren door te kijken naar de wereld, ook de eigen wereld waarin ons niets bespaard blijft, vanuit die hermeneutische grondervaring waarachter niet terug te vragen is: de confrontatie met en de verantwoordelijkheid voor leven dat verstoord is, voor een weerloos kind dat door kwaad getroffen wordt.

Diepgaand wordt het vertelperspectief van ‘Mijn jaren van Geloven’ bepaald door wat de ‘minderheidslijn van on-vanzelfsprekendheid’ genoemd wordt (p.233). Het steeds maar weer op die minderheidslijn willen staan, wordt gevoed vanuit wat ik als de meest fundamentele bron van het hele boek en van de schrijver beschouw: erbarmen.

Het proeven van de tranen (ook de eigen), het zien van wat er in de kelders van de mensheid gebeurt en wat plaatsvindt in de kampen, waar, in de woorden van Levinas, ‘het eigen lijden gemaakt is tot een lijden voor het lijden van anderen’, waar de ontdekking van de bloedende mensheid als Totus Christus plaatsvindt, – daar, in en vanuit dit alles zijn theologie en geloof in dit boek gevoed en vernieuwd.[1] Vernieuwd omdat inderdaad allerlei geloofsvoorstellingen voorgoed voorbij zijn; gevoed: omdat er een blijvend visioen is.

Wat hebben de beelden van LA opgeroepen?

Bij mij persoonlijk: de herkenning; herinneringen weer tot leven geroepen; dat mij met kracht toegeroepen wordt dat het visioen niet liegt (vrij naar Habakuk); de ontroering over de diepgaande spiritualiteit van de schrijver die verhalen, bijbelteksten en gedichten leest als een brief aan hem gericht (‘ik put er moed uit’, p.318).

Voor de theologie: heel veel, maar vooral dit, dat in dit boek de Christelijke theologie weer op haar voeten gezet wordt, op de plek waar ze hoort: namelijk onder gewonde mensen. Dat de theologie weer doet wat ze op de weg van de navolging van de Gewonde Genezer in de eerste plaats heeft te doen, bijdragen aan trauma-verwerking.  In de tweede plaats: dat het mogelijk, ja zelfs wenselijk is, te leren van buiten de eigen kring en zo ons theologiseren uit te leiden uit de gettopositie die veel West-Europees denken inneemt. Ik meen dat het zien over de grenzen ook het belang relativeert van die bekende oneliners als ‘alle spreken over boven komt van beneden’, waar in Mijn jaren van Geloven zo nadrukkelijk en voornaam bij stilgestaan wordt. Er zijn situaties, meer dan we ons hier in het Westen vaak kunnen voorstellen, waarin het niet alleen niet relevant is om daar bij stil te staan, maar zelfs ongepast.[2]

Slot
Ik word persoonlijk. Herhaaldelijk spreek je over Hebr.11 en de stoet der getuigen. Je kijkt er naar, put er moed uit, je ziet die stoet voortdurend voor je (p.325). Maar wat je niet door hebt, bescheiden als je bent, is dat met dit boek die stoet der getuigen zojuist is uitgebreid. Ik zie nu ook een lange, magere getuige met heldere ogen in die lange rij lopen, op weg naar de top van de Thabor. We zijn lang collega’s geweest, maar ik beschouw mezelf, nu opnieuw, ook als je leerling. Je hebt, vooral ook met dit boek, plaats genomen in mijn stoet der getuigen, in mijn stoet der rechtvaardigen.

Ik zeg dat niet lichtvaardig en besef dat hier een enorme taak voor me ligt. Maar het is een taak die tegelijkertijd misschien wel het mooiste compliment is dat ik je kan geven, namelijk dat ik je beloof dat ik mijn kinderen zachtjes, maar toch nadrukkelijk tot de lezing van dit boek zal leiden. Dan zullen ze op hun beurt weten wat hun vader en zijn stoet der getuigen en rechtvaardigen heeft bewogen.

Je laat ergens het beeld zien van joodse gevangenen die in een barak van Auschwitz een rechtsgeding tegen God voeren (p.302 en elders). De aanklachten vliegen God om de oren. Het gaat er bikkelhard aan toe. ‘Maar hij is wel onze God, zelfs als hij niet bestaat’! zegt de aanklager aan het slot van het proces. Het deed me denken aan een brief over het geloof die ik pas kreeg van mijn dochter Rebekka. Een lange brief, vooral over het thema waar je boek over gaat. In die brief schrijft ze iets wat is blijven hangen. Ze zegt: ‘Het is niet dat ik zelf nou echt in God geloof. Ik weet het niet. Ik denk niet dat ie bestaat eigenlijk, maar ik denk wel vaak aan hem.’ Dat is zo’n beetje het zelfde als: Voorgoed verleden, blijvend visioen. Het is eigenlijk ook dat wat je aan het eind noemt: geen kennis hebben van God, maar het kennis hebben aan God: ‘Ik denk wel vaak aan Hem.’ Ach, wat zouden we toch moeten zonder de verbeelding en inspiratie die ons geschonken worden door wat niet bestaat!?

Ja, ik zal mijn kinderen zachtjes, doch nadrukkelijk leiden tot het lezen van dit boek en dan vragen naar hun stoet van getuigen en rechtvaardigen. Het gaat er immers om niet om, zo citeer je Herzberg op de voorlaatste bladzij (p.325), dat hen geen kwaad zal overkomen – dat kunnen we helaas niet verhinderen – het gaat erom hoe we kunnen voorkomen dat onze kinderen beulen worden.

Ik dank jullie – ik sluit Bettina nadrukkelijk in – zeer voor dit bijzondere boek. Nee, het is geen boek geworden, het is een visioen. Dank jullie wel daarvoor.

Hans de Wit
November 2012
In de Kleine Kerk van Duivendrecht



[1] Levinas: “The only sense that can be made of suffering, that is to say, of evil, is to make one’s own suffering into a suffering for the suffering of others. Or, to put this in one word: the only ethical meaning of suffering, indeed, “the only meaning to which suffering is susceptible”, is compassion. In this way meaningless suffering enters into an ethical perspective. … as “suffering elevated or deepened to a suffering-for-the-suffering-of-another-person.”

[2] Ongepast omdat dergelijke one-liners het verlangen van mensen zich met een traditie te verbinden kidnappen. Ik bedoel dat zoals Levinas daarover spreekt wanneer hij schrijft over exegese en de Bijbel als religieus-ethische traditie: ‘People connect themselves to a tradition “as old as the world,” i.e. “as old as the humanity of the human” (Hand 1989: 255). ‘However variegated and diverse this tradition is, it is an ethical-religious tradition with a past that is oriented to the future, to peace. What is continually at stake in this tradition is the future of the earth and the humanity of being human.’