Geen categorieOverige

God als mysterie. Mag het een onsje minder zijn?’- door Prof. Dr. Eep Talstra

Klaas SpronkTijdens de presentatie van De Bijbel Theologisch. Hoofdlijnen en thema’s op 28 oktober 2011 hield prof. dr. Eep Talsta (Vrije Universiteit Amsterdam)een lezing over Bijbelse theologie. We zijn prof. dr. Talstra erkentelijk dat we de lezing in verkorte vorm  mogen publiceren op Theoblogie. Om een reactie te lezen op deze lezing, klik hier.

1. Introductie
Mensen met een geloof hebben iets uit te leggen. Althans, in mijn generatie is dat zo. Jongere generaties zijn wat minder argwanend en veel nieuwsgieriger is mijn indruk.

Ik vind het goed dat jij gelooft, maar ik heb dat niet nodig, werd mij een poos geleden op een verjaardagsfeestje nog voorgehouden. Weliswaar tegelijk met een glas wijn, dus er was niet alleen sprake van gedoogbeleid, ik bleef oprecht welkom. Daarom gingen we nog even door over het onderwerp. Zulke woorden kun je eigenlijk niet tegenspreken. Ik vind het goed – dan ga je toch niet zeggen: Meen ja dat? Dat is een hele opluchting, dank je wel? dat jij gelooft – dan ga je toch niet zeggen: nou ja, zo hevig is het nou ook weer niet? `maar ik heb dat niet nodig`– ga je dan zeggen: ja, dat denk je nu wel, maar dat zul je nog wel merken?Dat lijkt toch ook geen sterk nummer.

Hier ligt kennelijk het moment waarop je eerst even moet nadenken welke afslag je gaat nemen. Dat is naar mijn besef ook het moment waarop de vraag naar Bijbelse Theologie actueel wordt. Ga ik mee met de uitdaging en ga ik nu uitleggen waar God goed voor is en dat het dus wel belangrijk is om te geloven? Dan laat ik me gevangen nemen door de taal van nut en belang. Of ga ik opnieuw de taal van de bijbel opzoeken? De taal die zegt: of jij God nu nuttig vindt of niet, je komt God tegen, want Hij was er al voordat jij hem had kunnen uitvinden of hem onzin had kunnen vinden. Maar eindigt het gesprek dan niet vanwege acute onverstaanbaarheid?  Dat is nog maar de vraag, we zullen zien.

Met andere woorden: in de bijbelse theologie begin je niet met argumenten te verzamelen voor een religieus of cultureel debat. Je begint met vertellen. Vertellen van het lezen van teksten, van de ervaringen van generaties uit een geloofsgemeenschap rond die teksten.

Bijbelse theologie is in feite een debat niet over goede en minder goede argumenten om in God te geloven, maar een statement over de presentie van God (spreken over God, spreken van God) in de mensenwereld. Niet een koppig individueel statement, maar gebaseerd op dat wat al eeuwen aan de gang is, de woelige geschiedenis van Jhwh met zijn volk. Naar mijn besef geldt dat niet alleen als het bijbelse verloop van die geschiedenis als basis neemt (Von Rad), maar ook als je het heel andere verloop van de geschiedenis volgens de historici als vertrekpunt neemt (Albertz).

2. het specifieke gaat voor het algemene
Een paar voorbeelden uit religieuze teksten bij uitstek: de Psalmen. Zij vertellen, verwijzen naar heiligdom doen een beroep op de ervaring van presentie.

Psalm 14
14: 1 Een dwaas zegt in zijn hart: er is geen God;
14: 7 dat uit Sion redding mag komen

Waarom dat dwaas is, zeggen dat er geen God is – geen argumenten. Er wordt een situatie geschilderd. Mensen doen elkaar vreselijke dingen aan. God probeert uit te vinden of er één verstandig is (2), maar hij vindt zo iemand niet. Dus is hat dan zo dwaas om te stellen dat er geen God is?God kan iemand die dat vindt wel als dwaas neerzetten, door een toevlucht te zijn voor wie zwak staat (6). Aan het eind (7) wordt de psalm het meest concreet. Daar klinkt een verwijzing naar een specifieke plek: Sion. Daar moet de redding vandaan komen. En een speciale naam, die in de psalm nog niet had geklonken: Israël. Met andere woorden: het lijkt wel een algemene bewering, wie zegt dat er geen God is, is dwaas. Maar de tekst gaat niet mee met een algemene discussie over religie. De tekst poneert eenvoudig namen uit de eigen traditie: Sion, Israël en Jhwh.

In psalm 53 vrijwel dezelfde tekst, zij het dat daar (7) in plaats van de Godsnaam Jhwh de algemene benaming God staat.

Dat is hoe bijbelse theologie werkt: niet de algemene discussie over God, godsdiensten en de mens. Het gaat over concrete en specifieke spelers.

Het kan zijn ons dat niet bevalt, omdat we geleerd hebben dat het in de universi­teit er om gaat om te argumenteren over beweringen. Wat is de status van onze kennis omtrent God? Wat is ons recht van spreken? Is er een epistemologie waarin een verwijzing naar God zinvol is? Het kan ook zijn dat ons dit niet bevalt omdat we ook ervaren dat godsdienst niet weg te redeneren valt uit het menselijke bestaan, omdat religies in allerlei vormen steeds weer opnieuw verschijnen, ook in de westerse wereld.

Dat zijn zinnige tegenwerpingen, die zullen in de theologie ook altijd weer terugkeren, maar in het vak Bijbelse Theologie stellen we die eerst uit. Dat zijn de spelregels. En de spelregels van de Bijbelse Theologie zijn daarmee ook een nadrukkelijke uitdaging voor de religiestudies en de theologie in het algemeen. Het gaat er eerst om te zien hoe het gesprek over God in de bijbel feitelijk verloopt. Het specifieke: Jhwh, Israël, Jezus, de gemeenschap van leerlingen van Jezus, het wordt eenvoudig geponeerd. Niet als gedachten, maar als concrete spelers in de publieke ruimte(zoals dat tegenwoordig heet).

Dus BT begint bij voorrang voor het specifieke spel van specifieke deelnemers, voordat je algemene dingen zegt over goden en mensen.

3. Het concrete gaat voor het abstracte
Behalve voorrang voor het specifieke tegenover het algemene, ook voorrang voor het concrete tegenover het abstracte. Dat blijkt al uit het noemen van concrete namen aan het eind van Psalm 14, maar het gaat verder.

Psalm 73. Schuman, 316
Weer zo’n tekst die er eerst even uitziet als weer een hoofdstuk uit een algemeen theologisch debat: waarom gaat het de boosdoeners goed en de rechtvaardigen slecht? (NBG 51, opschrift: Het raadsel van de voorspoed der goddelozen). Vers 2-16 gaat letterlijk over het tobben (vs 16) van de schrijver over het onbegrijpelijk van het goede levens van boosdoeners.

73: 11 zij zeggen: Hoe zou God het weten; zou er kennis zijn bij de Aller­hoogste?

Maar opnieuw: er volgt geen intellectueel debat over de kosmos, over de ver­houding van goed en kwaad. Er wordt opnieuw een concreet gebeuren gepo­neerd.  Vers 17: Vanaf het moment dat ik de heilige ruimten van God binnenga, kan ik begrijpen hoe het met hen afloopt.

NB De traditionele vertalingen met totdat ik binnen ging en begreep zijn grammaticaal onjuist. Er staat geen verleden tijd en er staat geen en bij de tweede regel, waardoor ook zichtbaar wordt dat vers 17 niet het eindpunt is van het vorige stuk, maar het begin van een nieuw stuk; Oratie, p.16

Gebeurt hier iets geheimzinnigs? Een bijzondere openbaring van het wereld­raadsel? Iets mystieks? Dat lijkt me niet. De spreker voegt zichzelf in in een concrete traditie op een concrete plaats: de heilige ruimten (de tempel, de synagoge misschien?), de plaats waar de geloofsgemeenschap bijeenkomt, waar de ervaringen van de generaties worden vastgehouden.

In vers 17 maakt de psalm een zwenking. Het dilemma wordt niet met piekeren (16) opgelost, het speelveld wordt veranderd. Vanaf het moment dat ik Gods heiligdommen binnen ga, gebeurt er iets. De “ik” plaatst zichzelf tegenover de claim van de boosdoeners (vers 11) dat God) geen kennis van zaken heeft. Omgang met God: in zijn heilige ruimtes ontstaat inzicht. Dat wil zeggen, de cynische vraag of God eigenlijk wel kennis heeft, wordt niet beantwoord. De tegenvraag is, of jij kennis hebt, kennis en inzicht niet als resultaat van argumenten en een redenering, maar inzicht als resultaat van een ontmoeting.

Het is deze kennis uit ontmoeting, die voldoende is om een keuze te maken. Zal ik net als iedereen ook de standaardverhalen van arrogantie en cynisme “vertellen” (vers 15)? Of zal ik verhalen “vertellen” (vers 28) over mijn ontmoeting met God, een ontmoeting die deel uitmaakt van een lange traditie van ontmoetingen van Israël met God?

Kort gezegd: de vraag wat is Bijbelse Theologie? kan het beste worden beantwoord door te verwijzen naar de zichtbare continuëteit van de religieuze traditie, zoals die onder andere in de overlevering van Psalm 73 aanwezig is (oa. allerlei verschillen MT en LXX) . Deze psalm is niet het product van individuele religieuze reflectie, zij is het verslag van religieuze ervaringen van diverse generaties, zij maakt deel uit van een proces van ontvangen en verder geven.

Uitdaging: Vertel ik het standaardverhaal van de dagelijkse ervaring, of het tegenverhaal van de generaties die zichzelf zien als erfgenaam van Gods geschiedenis met zijn volk en daarom in het heiligdom bijeen zijn?

Zie het effect in Psalm 79:

79: 1 Gojim; tempel ontwijd, Jeruzalem tot puinhopen gemaakt
79: 10 Waarom zouden de gojim zeggen: waar is hun God?’

Het kan niet zo zijn dat er geen plek meer is waar je naar kunt wijzen. Moment van ervaring, traditie, identiteit.

4. Geschiedenis van mensen, presentie van Jhwh.
Concreet en specifiek tegenover abstract en algemeen. Bijbelse theologie is niet een verzameling ideeën over God, maar gaat over de samenhang van de teksten, de geloofsgemeenschap, hun geschiedenis. (verschillende soorten canon, gemeenschappen ed., maar dat doet aan het principe niet af.)

De verwijzing naar het concrete, naar mensen van vlees en bloed, betekent dat theologie met geschiedenis te maken heeft, met cumulatieve ervaring en dat het spreken over God en mensen niet in abstracties kan plaats vinden. Dat is een waarneming in de teksten die belangrijk is voor het vak Bijbelse Theologie.

Traditie en traditiedragers.
In de taal van de bijbel is God de God van Abraham en vervolgens van nog een hele lange rij van mensen. En daarmee ook een God met een Naam.
In de geschiedenis van God en mensen blijkt het spreken over God altijd een kwestie van herkennen en herinneren. Dat is zichtbaar in de verhalen van de aartsvaders. God doet een beroep op Isaäks herinnering. Ik ben de God van Abraham. Ik met jou (Genesis 26: 3 en 24). Tegenover Jakob roept God weer de herinnering op, nu iets uitgebreider: Ik ben de God van Abraham en Isaak. Ik ben met jou (Gen 28,13,15). Dus is het niet vreemd dat God bij Mozes alweer iets meer herinnering oproept: Ik ben de God van Abraham, Isaak en Jakob. Ik ben met jou. (Exodus 3:6,11).  En dank zij deze verbinding van God met de levensverhalen van mensen die we kennen, worden de woorden: ik ben met jou’, een verhaal (1Samuël 3:19), een gebed (1Koningen 8:57), een belofte (Jesaja 41:10  43:5) en een lofzang (Psalm 46:8,12).

Een belangrijk voorbeeld waarmee het belang van het concrete kan worden getoond is te zien in de manier waarop wordt gesproken over de presentie van Gods Naam in de geschiedenis van Jhwh en zijn volk.  De Naam is uitgeroepen over de plaats: de tempel. I Kon 8. 19,29,43. In daarop volgende teksten in Koningen is het ook de stad waar de naam is gevestigd, II Koningen 21: 4, cf. 7.

In Gods antwoord op het tempelwijdinggebed in II Kronieken 7 wordt nog een volgende stap gezet. Hier staat niet alleen dat de Naam is uitgeroepen over de plaats (zoals in I Koningen 9), maar ook over het volk (vs 14). Deze verwijzing is onderdeel van een uitbreiding van Gods antwoord die alleen in de Kronieken tekst staat.

Dat is een belangrijk punt. God is niet gebonden aan instituties zoals de koning, de tempel of de stad. Dat blijkt in het boek Koningen, maar bijvoorbeeld in het boek Jeremia (hoofdstuk 7). Maar dat betekent niet dat God abstract boven de wereld zweeft, maar juist dat hij steeds weer opnieuw concreet wordt, present is in de mensenwereld. Het boek Kronieken trekt de conclusie dat ook het volk Israël zelf hoort bij die instituties waarover de Naam van Jhwh is uitgeroepen. Ook Israël als volk, in zijn kwetsbare en aanvechtbare geschiedenis, terugkerend uit ballingschap, is een representant van de Naam in de wereld. Dat is ook de wijze waarop het gebed in Daniël 9, 18v. over Israël spreekt

Het idioom komt nog een enkele keer voor: Dtn 28:10 vgl. de dialogen in Jesaja 63:19 en Jeremia 14:9 15:16. Alleen II Kronieken en Daniël hebben de analogie met stad en tempel.

5. Wat is Bijbelse Theologie?
Bijbelse Theologie. Dat vak is in feite een debat, niet over goede en minder goede argumenten om in God te geloven, maar een debat over de vraag naar de presentie van God in de mensenwereld. (cf. het werk van Sommer[1]).

Als je het zo stelt, krijg je wellicht ook wat meer ruimte, dan wanneer het debat blijft gaan over de vraag naar eenheid en gezag’ van de teksten tegenover de vraag naar de geschiedenis van de Godsdienst van Israël en van de kerk in de Romeinse tijd. (cf. Barr to. Childs)

Het debat in het vak Bijbelse Theologie gaat te vaak over normativiteit. Dan blijft de vraag: kun je wel via historisch onderzoek bij normativiteit uitkomen? Alsof religie een moreel programma is dat aan historische ontwikkelingen geen boodschap wil hebben. Maar zo loop je toch vast met individuele teksten. Ze zeggen immers niet allemaal hetzelfde. Maar, de reeds gelopen route zien, in de canon in de voor ons zo lastig te reconstrueren geschiedenis, en dan besluiten mee te lopen, dat is een ander proces. Dit laatste is typerender voor de bundel.

Deze bundel: De Bijbel theologisch. Hoofdlijnen en Thema’s heeft iets van een laboratorium. Dat is prettig, want het geeft ruimte in onderwijssituaties: wat is de theologie van Exodus, of van Romeinenbrief, ed. ?
Het is ook praktisch handig, want zo kunnen allerlei mensen samenwerken aan één project. Gaandeweg wordt zo ook meer gevonden van de route en de methode.

In deze bundel, dus in deze laboratoriumfase van het vak, gebeuren twee dingen: Eerst bijbelboeken beschrijven (synchroon, en met oog voor de pluraliteit die de diverse boeken vertegenwoordigen) en daarna: thema´s beschrijven (theologisch, systematisch).
Tegelijkertijd blijkt ook dat voor het vak bijbelse theologie het vertellen over het concrete, wat Sommer zou noemen: Gods presentie in de wereld,  het moeilijkste blijft. Waar vind je de thema´s die aanduiding willen zijn van Gods presentie onder de mensen? Termen als land, plaats, en Naam in het boek? In Hebreeën! Waar de thema’s van het volk dat de tradities draagt en vormgeeft, zoals bij Ezra en Nehemia? Bij gebed. Waar een boek als Daniël? Bij profetie en 264  Spreuken? Bij wijsheid in het algemeen 416.

M.a.w. boek schakelt ergens onderweg al over van canon op thema’s. En dan ontstaat de vraag: moet bijbelse theologie zich niet iets meer wagen aan de vragen naar de presentie van God? Is dat in gedachten? In taal? In geschiedenis? In religieuze gemeenschappen en hun tradities?

Het doet denken aan het debat van Brueggemann met zijn joodse lezers. Hun kritiek op zijn boek is: te veel gedachten over bevrijding, te weinig aandacht voor het concrete en het ritueel. Dat geeft ook aan waar in de academische bijbels theologie het probleem zit. Op het moment is BT erg veel‘taal (in de lijn Brueggemann) en daarom te weinig godsdienstgeschiedenis (Albertz), of net andersom.

Brueggemann geeft het in zijn boek (aan het begin van deel IV) ook ruiterlijk toe dat zijn Courtroom metafoor (welke taal is er over: voor of tegen God?) veel zaken uit de bijbel niet kan plaatsen. Bijvoorbeeld de priesterzegen hoort volgens Brueggemann niet bij het primaire spreken over God, maar bij de secundaire religieuze taal, wat hij noemt:. het niet-gevraagde, ‘unsolicited testimony’. Men kan ook zeggen: het publieke, filosofisch getinte debat over God weet niet waar het de eredienst moet plaatsen: is er dan nog meer dan dat mensen over God praten?  Academische theologie heeft moeite om de taal van de cultus te accepteren als meer dan retorica.

Ik hoop dat deze bundel dit debat verder zal helpen voeren. De laboratorium aanpak is daarom een belangrijk begin: zo bepaal je de bijbellezers bij de onderwerpen, de boeken en de taal. Maar uiteindelijk staat bijbelse theologie ook naast of tegenover systematische theologie of godsdienstfilosofie als een vak dat niet in de eerste plaats zoekt naar geloofsverantwoording en evenmin vraagt naar algemeen geldige uitspraken over God en de wereld, maar als een vak dat zoekt naar de concrete en ook wisselende landingsplaatsen van de bijbelse teksten in geschiedenis en in de cultuur. Waar en hoe heeft de bijbel gemeenschapstichtend en identiteitvormend gewerkt? Waar en hoe hebben de bijbelteksten de religieuze gemeenschap zelf ook weer gekritiseerd, waar en hoe de wereld om haar heen?Het bijzondere: de teksten over Gods presentie, neemt de vrijheid om de criticus te zijn van de pretenties van het algemeen geldige. Dat lijkt mij de uitdaging van de bijbelse theologie.


[1] Benjamin D. Sommer, The bodies of God and the World of Ancient Israel, Cambridge University Press: Cambridge/New York, 2009


Lees hier ook het interview met dr. Archibald van Wieringen op de website van Reformatorisch Dagblad. Dr. Van Wieringen is universitair hoofddocent Oude Testament aan de Universiteit van Tilburg en redacteur van De Bijbel theologisch. Om het interview te lezen, klik hier.