Beste Gijsbert,

Op de presentatieavond van mijn boek (Gouden oogst, 12 april 2018) zei ik dat ik graag zou willen reageren op jouw theologische en praktische reactie op mijn boek. Je weet als geen ander dat een pas uitgekomen boek de auteur kwetsbaar maakt. Dat je dit zelf kent, maakt dat jouw respons vol waardering voor mijn boek, mij heel goed deed.

Je spreekt over een prachtig boek. Nou ja, dat vind ik een opsteker. Dank je voor je waarderende woorden.

Tegelijk heb je juist vanwege je waardering ook enkele vragen bij mijn boek. Je laat merken dat je het boek goed gelezen en doordacht hebt. In het onderstaande wil ik graag op je vragen ingaan. Dat kan maar beperkt gebeuren, omdat jouw en mijn antwoorden weer nieuw vragen en antwoorden oproepen. Dat is ook het spannende van een autobiografie.

Ik ga nu niet in op het genre van het boek: de ‘ik- en mij stijl’, een egodocument. Daar heb ik destijds in Het bevindelijke nest al wat over gezegd. Daar laat  ik het nu maar bij.

Wel is het zo dat voor mij een verbondsdocument en een egodocument geen tegenstelling vormen, maar samen een wonderlijk geloofsweefsel vormen.

De tijd is voorbij dat het objectieve en het subjectieve in geloof en kerk een tegenstelling vormden. Het een bestaat alleen maar bij de gratie van het ander. Ze zijn er beide of ze zijn er beide niet.

Zondagmiddag in Benschop

Graag ga ik nu op enkele dingen in die bij jou bepaalde vragen opriepen. Een ervan betreft de manier waarop ik als predikant mijn tijd indeelde in mijn eerste gemeente Benschop (1968-1973). Het viel je op dat ik de zondagmiddag nodig had om de catechismuspreek voor de avonddienst helemaal af te krijgen. Ik kan me voorstellen dat je op een afstand bekeken, denkt: maar doe je zo niet te kort aan je gezin? Je bent toch ook nog eens een keer echtgenoot en vader! Je had er toch voor kunnen zorgen dat je preken die je ‘s zondags hield al eerder klaar waren. Dan maar wat minder bezoeken in de gemeente. Ja, dat zou je zo op het eerste gezicht wel kunnen denken, als je er vijftig jaar van afstaat.

Wat zal ik hierop zeggen? Het lijkt me niet goed om het een en ander te gaan verdedigen of goedpraten. Dat heeft geen zin en dat is ook jou bedoeling niet. Daar zit ook niemand op te wachten. Ik denk wel dat we niet alleen moeten bedenken dat de tijd van toen heel anders was dan die van nu, maar ook dat door dieper liggende motieven mijn predikantschap in die tijd werd gevuld en ingevuld.

‘Gerdien, vind je het fijn dat ik in de studeerkamer zit?’ Die vraag heb ik inderdaad toen zo niet gesteld. En ik denk dat Gerdien die vraag ook gek gevonden zou hebben. (Inderdaad, zo beaamt ze nu).

Dit raakt de wijze waarop we het predikantschap toen in die tijd samen beleefden. We beleefden het zo dat het ons helemaal in beslag nam. Zo zijn we de pastorie ingegaan en zo hebben we daarin geleefd.

Het hoorde volgens ons zo en voor ons mocht het ook niet anders. Uiteraard was het dan in de eerste jaren van het predikantschap best zoeken naar een juiste verdeling van de taken (Diekstra), maar dat ging toch altijd in – je zou haast zeggen – vanzelfsprekend overleg. Ik denk dat het te maken had en (heeft) met de manier waarop wij het predikantschap ingingen en beleefden. Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Dat was geen probleem. Daarbij speelde het roepingsbesef een doorslaggevende rol. Predikant ben je altijd. Ben je dag en nacht, ben je 24/7. Gerdien: ik was predikantsvrouw, ook 24/7, uiteraard. Zoals we ook 24/7 moeder en vader waren. Onze kinderen waren toen nog klein. Dat speelde wel mee. De indeling van onze tijd kon daarop afgestemd worden. We dachten toen dus eigenlijk niet in afzonderlijke taken van Wim en die van Gerdien, maar aan onze gezamenlijke taken. Nu zou dat zo niet meer kunnen voor predikanten (zie onder), maar toen was dat wel mogelijk en er zat ook best wel iets heel moois in. Je hele leven samen in de pastorie  beleefde je inderdaad als een leven niet in een of ander willekeurig huis, maar in de pastorie van de gemeente. In een pastorie wonen…. dat was toch zeker een geweldig voorrecht. Je zou het toch nooit gedurfd hebben om er in te gaan wonen, als je niet wist dat de Heere je daartoe geroepen had,  omdat Hij je wilde gebruiken in Zijn dienst. Gerdien deed dus helemaal mee in het gemeentewerk. Zo zag ze zelf ook haar identiteit. Ze leidde bijvoorbeeld een meisjesvereniging thuis in de pastorie. Ik heb niet de indruk dat dat ten koste van onze relatie gegaan is of ten koste van Gerdien zelf. Ik moet wel zeggen dat ze sterk van lichaam en geest was. Maar wat werk en taken betreft: we hebben daar blijkbaar samen wel een goede balans in gevonden. We pasten wat dat betreft achteraf bezien ook wel goed bij elkaar. We zijn altijd ook ‘maatjes’ geweest. Juist ook als het ging om kerk, geloof en eeuwig heil. Het had te maken met onze identiteit. Wat in een latere fase  wel mee speelde was de vraag: hoe voorkom je als predikantsechtpaar dat de groter wordende kinderen te weinig aandacht krijgen. Ik schrijf in mijn boek dat ik niet altijd die vader kon zijn die ik voor hen had moeten zijn. Daar zit een lastiger knoop van loyaliteiten dan in die eerste periode in Benschop. We probeerden daar creatief naar de kinderen toe mee om te gaan.

Zoals ik zei: ik denk dat we moeten beseffen dat het maatschappelijke leven van vijftig jaar geleden niet vergeleken kan worden met dat van nu.  Dat moet je dus ook niet doen. Niet alleen de dominee was toen dag en nacht beschikbaar, maar bijvoorbeeld ook onze huisarts in Benschop. Dat werd toen heel gewoon gevonden.

Vandaag is onze maatschappij veel individualistischer geworden dan toen (open deur). Dat heeft zeker ook het leven in de pastorie sterk beinvloed. De echtgenote (of partner van een predikant) is lang niet altijd meer de  predikantsvrouw van toen. Laat staan dat dat haar identiteit is. Ze heeft haar eigen taken en werk. Wat dat betreft keert de oude vraag uit Benschop naar een goede balans vandaag op een andere manier toch weer terug. Nu heb ik nooit gedacht aan een voorbeeldfunctie hierin voor een nieuwe generatie. Zo moet het boek ook niet gelezen worden. Maar als misschien toch iets een voorbeeld zou kunnen zijn voor jonge predikanten nu, dan is dat het samen zoeken en vinden van een goede balans tussen de taken en werkzaamheden.

Dat wordt dan nu anders ingevuld dan toen. Oké, maar het gaat om de balans. Wees daarin (tijdig) transparant naar elkaar en evalueer regelmatig.

Nog één ding wil ik hierover kwijt. Iets kwetsbaars. Onder de motieven van roeping en ambt voor het leven in de pastorie, zat nog iets anders, iets meer. Het heeft te maken met je visie op de (mede) mens en zijn/haar eeuwig heil/ onheil. Je zag je gemeenteleden als mensen die voor de eeuwigheid geschapen waren. Daar was je bewogen over. Wij kwamen daar in Benschop ook heel vaak en heel ernstig mee in aanraking. In Vrees en vreugde schrijf ik daar over.  Als het er om ging, was er uiteindelijk maar één ding belangrijk en dat was het eeuwig heil van de mens. Als predikant was je geroepen om een middel in Gods hand te zijn om mensen op weg en reis naar de eeuwigheid te (bege)leiden.

Dat heeft volgens mij niet met wat men noemt een ‘messiascomplex’ te maken. Daar moet je altijd voor oppassen. Toch denk ik dat het dat niet was. Maar veel meer met een diep besef van de ernst van dood en eeuwigheid en jouw verantwoordelijkheid daarin.

Dat speelde een heel grote rol, ook bij Gerdien. Dat bepaalde uiteindelijk de keuzes van ons allebei. Dat had je ook van huis uit meegekregen. De mens is voor de eeuwigheid geschapen. De levenstijd is vooral een voorbereiding op de eeuwigheid. Misschien speelde voor mijzelf ook wel mee dat in ons ouderlijk gezin na het jong overlijden van mijn (eerste) moeder (42 jaar) de schaduw van de dood over ons grote gezin hing. (Ps. 89:19: de dood wenkt ieder uur)

Nu goed, genoeg hierover. Zoals het toen ging met de verdeling van taken en werk, dat kan vandaag niet meer en dat hoeft ook niet meer. Doe dus niet wat ik deed: op zondagmiddag in de studeerkamer preek maken. Maar het zou wel een vraag kunnen zijn of we met het wegvallen van het besef van 24/7 predikant- en predikantsechtpaar zijn – en het eeuwigheidsperspecief, ook niet iets aan het verliezen zijn wat we alleen tot onze eigen schade verliezen. Daar zou ik best eens over willen doorpraten.  Dat zou een gesprek tussen een oudere en een jongere generatie predikanten moeten zijn. Daar sprak collega Bert Karel Foppen ook over in zijn reactie op de presentatieavond. Dan gaat het om de goede balans in taken en verantwoordelijkheden. Maar daar is dus lang alles niet mee gezegd in het licht van de eeuwigheid.

Te mooi

Dit punt van de wijze van werken is in jouw reactie onderdeel van je gedachte dat het boek jou als net iets te mooi voorkomt. Schept het boek geen beeld van het predikant- zijn van de auteur als ambtsdrager dat mooier is dan het in de praktijk was.

Dat weet ik niet. Dat weet ik niet.

Volgens Gerdien is dat niet zo. We hebben het er nog al eens over. Is een term als ‘mooi’ en dus ook een uitdrukking als ‘net iets te mooi’ eigenlijk wel een goede term? Ik denk dat je bedoelt dat er aan de wijze waarop je het predikantschap beleefd hebt, maar ook ingevuld hebt ook best allerlei kreukels zitten. Ja, inderdaad, maar volgens mij heb ik in mijn boek die kreukels niet  gladgestreken. In elk geval is dat mijn bedoeling niet geweest. Zeker hebben we niet alleen maar mooie dingen meegemaakt. Ik noemde al de vele ernstige sterfgevallen in Benschop. Hoe erg was dat! Maar ook was er de voorgeschiedenis van de derde gemeente Hierden. Zo zou ik natuurlijk net als iedere andere predikant wel een hele lijst van ingewikkelde problemen kunnen noemen. En ook van oplossingen die de schoonheidsprijs niet altijd verdienen. Maar het is wel conform de werkelijkheid en de waarheid van vijftig jaar, dat de Heere ons altijd heeft geholpen en rijk gezegend. Dat moet en mag wel gezegd worden, zoals ik doe in het boek. De Heere heeft Gerdien en mij en ons gezin nooit beschaamd. Zo hebben wij het ervaren, juist ook als het om het ambt ging.

Het is niet anders en het mag niet anders. Dat zou ik zelf niet ‘mooi’ noemen, maar veel meer een wonder. Het wonder van het verbond. Dat is het goud, dat ik zo graag heb laten schitteren in mijn boek. De trouw van God, ook, juist ook als ik ontrouw was.

Nu ik nogmaals op die jaren terug zie, dan zie ik opnieuw het wonder oplichten, dat de Heere gaf wat we nodig hadden. Vooral een positieve levensinstelling, die mij al vanaf de wieg is geschonken. Ik ben bevoorrecht met een opgeruimd, vaak zelfs vrolijk karakter. Altijd, ook als het door een dal ging, was er hoop en gaf de Heere nieuwe wegen. Licht aan het  eind van een tunnel. Vergelijk de klap in 2004. Ja, die sloeg vreselijke kreukels, ook in mijn ziel. Maar er was ook toen het ‘en toch’ van het geloof. De Heere heeft mij en ons nooit teleurgesteld. Misschien is er wel een zekere naïviteit in mijn predikantschap geweest. Maar dat is dan volgens mij  de naïviteit van het kinderlijk vertrouwen op God. Hoop op God, want ik zal Hem nog loven. Mijn allereerste psalm als kind, psalm 81:12 is in vervulling gegaan. Het lijkt me een vrucht van volwassen geloof dat je leeft uit de belofte: al wat u ontbreekt, schenk Ik, zo gij ’t smeekt, mild en overvloedig.  Dat geldt ook voor de periode in Leiden. Hierover spreekt het boek voor zichzelf in hoofdstuk 8: Leiden, Gods verrassing.

Laat het boek dan zo gelezen worden: als een ode aan Gods genade, als een lofprijzing over de trouw van Zijn verbond.

Waarom deed je de dingen, zoals je die deed? Dat was mijn vraagstelling in de inleiding van het boek. Niet: hoe deed je het (geef jezelf eens een cijfer), maar waarom deed je het, zoals je het deed. Het hoe en het waarom liggen wel dicht bij elkaar. Ze zijn wellicht met elkaar verweven. Vandaar deze nadere toelichting op het hoe, naast het waarom in het boek.

En om daarvoor dan toch de term ‘mooi’ te gebruiken: het was vanwege de trouw van God nog veel mooier dan ik ooit onder woorden zou kunnen brengen.

Vrouw en ambt

Dan het punt van het leerproces inzake het voor mij complexe vraagstuk: ambt en vrouw. Opgegroeid in een situatie dat vrouwen vaak moeders in Israël waren, maar in de verste verte niet een ambt in de kerk zouden bekleden en die dat zelf ook nooit zouden willen, tot een standpunt komen waarin ik ruimte leerde zien voor de vrouw ook als ambtsdrager. Dat is een leerproces, dat men niet moet onderschatten. Er was geen sprake van een algehele ommezwaai van de ene dag op de andere, maar van leren als afleren en dat kan verdraaid veel pijn doen. Waren dat dan geen kreukels en waarom die niet gemeld in het boek? Maar nee, zo ligt het niet.

Wie mij kent en gekend heeft, weet dat ik over vrouw en ambt altijd transparant geweest ben. Daarbij heeft zeker mijn positie in Leiden, evenals die van jou, een leerzame rol in gespeeld. Ik ging wat de Bijbel hierover zegt existentieel  ‘doorploegen’. Ik merkte uiteindelijk dat er exegetisch gesproken evenveel voor als tegen de vrouw in het ambt kan worden gezegd. In dat kader is nou juist de ervaring van en met een Hongaarse collega heel belangrijk geweest. Dat ik dit niet verzwijg in het boek vind ik zelf best heel wat.

Ik ben hierover altijd transparant geweest, ook naar het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. We hadden daarover zelfs goede gesprekken. Weer iets van mijn  ervaring van de trouw van God.  Zo heb ik hierin gestaan. Als het een functie had, dan was ik er op gemeenteavonden en in met kerkenraden in het land over in gesprek. Dan hoop je dat het helpt wat je doorgeeft.

Het leek me niet wijs om daarvoor een podium te zoeken. Achteraf ben ik daar blij om, want het zou de polarisatie op dit punt sterker hebben gemaakt dan nodig was. Ik geloof niet in een algehele omzwaai zoals in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Ik zie veel meer in het samen zoeken naar wegen waarbij je elkaar als het enigszins kan niet kwijtraakt, maar vasthoudt. Om het verbond.

Dat ik op dit onderwerp dus in mijn boek verder niet zo in ga, komt omdat dat mij niet zo verstandig leek. En het weinige wat ik er over schreef in mijn boek kan op zich ook iets van een getuigenis voor anderen zijn.

Volkskerk

Over mijn visie op de kerk als volkskerk heb ik naast wat ik in het boek schreef niet zoveel toe te voegen. Ik blijf er bij dat een kerk die geen kerk voor het volk is haar bijbelse identiteit dreigt kwijt te raken. Het gaat hier niet om een numerieke of sociologische zaak. In 1982 waren er 300 catechisanten in Hierden, en nu ruim het tiende deel. Hoezo volkskerk? Omdat al die jongeren die niet naar de catechisatie komen ook bij het verbond behoren. Daarom volkskerk. Kerk, bewogen met het volk. Als er één ding is, wat ik afgeleerd heb, als het gaat om het verbond, dan is het te zeggen: hier ligt de grens. Dat bepaalt alleen God.

Het bijbelse ‘van geslacht tot geslacht’ is geen empirische vaststelling, maar een geloofsuitspraak. ‘Heere, U kent mijn kind of kleinkind, ook als het is ‘afgehaakt’’.

Nu Gijsbert, dit zijn zo enkele gedachten die ik overwoog bij het horen en lezen van jouw reactie op mijn boek. Er zou nog veel over te zeggen zijn. Nogmaals hartelijk dank voor jouw zorgvuldige en kwalitatief goede reactie. Je hebt er veel aandacht aan besteed. Laat ik nog eenmaal mogen zeggen dat ik erg blij was en nog steeds ben dat je mijn opvolger in Leiden bent geworden.  Het is een van de redenen waarom ik je vroeg om op mijn boek te reageren. Ik ben je er dankbaar voor.

 

Wim Verboom

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *