Pastoraat

Hond en rat

wpb12f4475.pngBinnen de psychologie zijn er beroemde dieren, zoals de hond en de rat die binnen de leertheorie hun sporen verdiend hebben. Voor mijn vak, de godsdienstpsychologie, zijn ze ook van belang. In een recent college, waarin het onder andere ging over religieus leren, geloofsoverdracht en geloofsopvoeding, zijn ze de revue weer gepasseerd.

Hond
Ivan Pavlov deed onderzoek naar de speekselproductie van zijn hond. Hij ontdekte dat de hond meer ging kwijlen wanneer hij in z’n witte jas kwam aanlopen met een stuk geurend vlees, en dat dit na verloop van tijd ook gebeurde wanneer hij zonder vlees in z’n witte jas voorbij kwam. Dit noemen we het principe van conditionering: een bepaalde stimulus lokt een respons uit (geur van vlees zorgt voor speekselproductie), maar iets dat steeds tegelijkertijd optreedt met deze stimulus lokt na verloop van tijd ook alleen die respons uit.

In de context van geloof kan het ook zo werken. Denk aan de verhalen van mensen die zich als kind onbehaaglijk voelden in een koude, donkere kerk, en die jaren later net zo’n kil en onbehaaglijk gevoel krijgen wanneer het over God gaat. Of denk aan veilige en warme herinneringen die bij je boven komen wanneer je terugdenkt aan de momenten waarop je bij je vader of moeder  op schoot zat terwijl ze je voorlazen uit de Bijbel.  Ouders kunnen dit conditioneringsprincipe ook bewust inzetten wanneer zij  bezig zijn met geloofsopvoeding door juist op die momenten een sfeer van geborgenheid of gezelligheid te creëren. Positieve gevoelens die het kind in die sfeer ontstaan kunnen als vanzelf verbonden raken met geloof en de relatie met God. In die zin is het  stukje appeltaart bij het geloofsgesprek op zondagmorgen na de dienst zeker functioneel.

Rat
Een andere manier van leren werd zichtbaar bij de rat. Hierbij ging het niet om leren door gelijktijdige gebeurtenissen, maar om leren door wat er volgt. De rat uit de jaren twintig werd door B.F. Skinner in een speciale doos met knopjes en hendeltjes gezet. Hij kon daar doen wat-ie wilde en vrijelijk experimenteren, maar  er kwam alleen voer in het bakje na het drukken op één specifiek hendeltje.  Skinner ontdekte dat de rat, die het voer eerst ‘toevallig’ ontdekte, steeds vaker het hendeltje ging gebruiken: de wet van het effect. Hij concludeerde daaruit dat gedrag dat beloond wordt, vaker optreedt. Het tegenovergestelde is ook waar: gedrag dat niet beloont wordt, dooft uit. Deze vorm van leren heet operante conditionering.

Voorbeelden van religieuze beloningen liggen voor het oprapen. Studenten noemen vaak hemel en hel, waarbij God de ultieme beloner of straffer is. Binnen de context van de Islam valt te denken aan zelfmoordterroristen aan wie een plaats bij Allah in het paradijs wordt beloofd, met de bijbehorende maagden. Beloningen kunnen ook subtieler een rol spelen binnen het religieuze domein. Aanzien of waardering binnen een geloofsgemeenschap bijvoorbeeld – mensen kunnen hun gedrag aanpassen om maar een goede gelovige gevonden te worden, of  doen vrijwilligerswerk binnen de kerk om om gewaardeerd te worden. Binnen geloofsopvoeding en godsdienstig leren kan deze vorm van leren ook een rol spelen. Ouders die hun kinderen bijvoorbeeld complimenteren wanneer bij bepaalde vormen van religieus gedrag.  Deze ‘beloning’ bevordert het zelfvertrouwen en stimuleert om het een volgende keer weer te doen.

En…?
Een derde vorm van leren is het sociale leren: leren van een model  of een voorbeeldfiguur. Kinderen imiteren het gedrag van volwassenen, ontdekte Albert Bandura . Slaat een volwassene met een hamer op een plastic pop, dan is het kind er als de kippen bij om het na te doen. Dat is ook precies het debat over gewelddadige computerspellen: op grond van Bandura’s inzichten zou dit leiden tot meer gewelddadig gedrag in het ‘echte’ leven.

Sociaal leren speelt in het godsdienstige leven ook een rol. Kinderen die ouders zien en horen bidden, nemen  vaak dezelfde houdingen, gebaren en woorden over. Kinderen leren alleen twee keer naar de kerk te gaan wanneer hun ouders dat ook doen. Wie zelf open is over zijn of haar geloofsleven, krijgt eerder geloofservaringen van anderen te horen. En dit lijstje is gemakkelijk langer te maken.

Bij het sociale leren hoort niet een specifiek dier. Misschien moeten we als kerkgemeenschap of als individuele gelovigen onze eigen rollen eens invullen, of onze eigen naam. Om zo scherp te blijven en ons af te vragen: wat kunnen anderen – of dat nu kinderen, jongeren, of volwassenen zijn, gezinsleden of collega’s, buurtgenoten of parochianen – bij ons of bij mij zien en van ons/mij leren?

Hanneke Schaap


Dr. Hanneke Schaap-Jonker is moeder, psycholoog en theoloog. Zij werkt als universitair docent godsdienstpsychologie en coördinator van het Kenniscentrum Religie en Levensbeschouwing bij Dimence in Zwolle. Bij Uitgeverij Boekencentrum publiceerde zij Alle aandacht!Preken voor kinderen en jongeren en Zondagboek.

1 reactie

  1. 23 april 2013 om 12:48

    […] Leest u verder […]