BijbelGeloof

Hogerop hebben wij niets meer te zoeken

In het aprilnummer van het tijdschrift Woord & Dienst [thema: Losers & Mazzelaars] verscheen onderstaand artikel van Bart Gijsbertsen.

 

Hogerop hebben wij niets meer te zoeken

Iedereen worstelt om hogerop te komen. En onderweg jutten we elkaar op: je hebt je talent niet voor niets gekregen! Onze denkrichting is ‘omhoog’.
Allemaal hebben we onze eigen plek in de machtspiramide. Op school, in het bedrijf, in de maatschappij; zóveel mensen die lager in rang zijn, zóveel mensen tegen wie je opkijkt.

Upside down
Het is niet dat Jezus onze machtspiramiden niet ziet. Maar Jezus neemt die piramide van ons als het ware in zijn handen, kijkt er eens goed naar, en zet hem op zijn kop voordat Hij hem aan ons teruggeeft. En wat is nu dan boven en onder? Welke richting moet ik nu kiezen met mijn talent? Ik zit nog steeds op dezelfde plek. Maar degenen die lager in rang zijn, blijken ineens degenen te zijn die door mij gedragen worden. En degenen op wie ik jaloers was omdat ze boven mij zaten, blijken mij nu te dragen. Ik moet in mijn gebeden plotseling heel andere dingen vragen voor wie ‘boven’ zitten, voor wie ‘onder’ zitten, en voor mijzelf. Mijn hele denkrichting verandert.
Hij die het grootste talent had van iedereen, Jezus Christus, werd de alleronderste steen van die upside down-piramide, de steen die allen draagt. Als christen, navolger van Hem, zou ik moeten weten dat na Hem ‘hogerop’ niets meer te zoeken valt. Wie veel talent heeft, wordt met Hem ‘lagerop’ geroepen om mensen te dragen, het welzijn van levens te faciliteren.
Normaal gesproken staat de piramide bij ons met de punt naar boven. En door omhoog te streven, proberen we boven de vergeefsheid van ons bestaan uit te komen. Eigenlijk: de dood te overwinnen en eeuwige roem te verwerven. Het liefst waren of werden wij zelf goden…

De dood ontstijgen
De evangelist Johannes vertelt hoe uit de wijsgerige Griekse cultuur mensen naar Jezus kwamen om Hem te horen over de zin van het leven. Weet Hij soms hoe je de vergeefsheid en de dood kunt ontstijgen? Het antwoord dat Jezus aan die Grieken geeft, is vanuit Israël de hele wereld overgegaan. En dat antwoord blijft ontzetten. Het komt naar ons toe in drie uitspraken van Jezus, wijsheidsspreuken (Joh. 12, vanaf vers 20).
Jezus blijkt zichzelf daarin te duiden als tarwekorrel. Hij laat zich van bovenaf – van God uit en namens God – vallen in het aardse bestaan, zegt Hij. Dat antwoord moet de Grieken op zich al ontsteld hebben. Want Jezus duidt zichzelf daarmee niet als zo’n Griekse god die zich voor een tijdje in het ondermaanse begeeft – meestal tot eigen vermaak – om daarna snel terug te keren, maar duidt zichzelf als een hemelse gestalte die bewust kiest voor de aarde en het schepsel. Jezus representeert de God die zichzelf een identiteit gegeven heeft via namen van aardse mensen: God van Abraham, God van Izaäk, God van Jakob/Israël. Een God die met mensen geschiedenis maakt. Het is een God-die-meegaat; zelfs een God-die-mee-valt met de mensen. Hij zoekt juist de geringsten, de kleinsten, de meest verdrukten, wier leven de hoogste graad van vergeefsheid lijkt te hebben. De hele Tenach, het hele Oude Testament, gaat hierover en Jezus is de vleeswording daarvan. Hij gaat die hele weg naar beneden.

Uit-een-breken
Wie Jezus ziet, ziet dus een vallende tarwekorrel. Waarom moet die korrel vallen? Jezus zegt, letterlijk vertaald: omdat hij anders op zichzelf blijft; alleen blijft. Maar als hij zich nu verbindt met de aarde en uit-een-breekt…
Wij zouden zeggen: dan ga je pas echt verloren. Wie durft zichzelf zo op te geven, zo te ‘ontledigen’? Dat is kiezen voor de vergeefsheid, dat is kiezen voor totaal teloorgaan. Concreet: je verbindt je met dat lijdende onschuldige kind in hongerland, je geeft je leven in anonimiteit om die ene zieke tot zijn dood toe te begeleiden, je zet je in voor wie dreigt onder te gaan door armoede of handicap, je laat je eigen ambities lopen omdat de agenda van de ander zich aan je opdringt, je gaat zoals die Duitse onderwijzer mee met je Joodse leerlingen als ze weggevoerd worden en met hen ten onder…

Dat alles is nu juist wat wij over het algemeen niet doen en niet willen. Wij bewegen ons juist weg uit de vergeefsheid, weg van de geringen en verdrukten. Wij zoeken het juist hogerop, wij willen omhoog…
Maar als christen zou je moeten weten dat ‘hogerop’ niets meer te zoeken valt sinds God zich in Jezus Christus als een tarwekorrel liet vallen. Die tarwekorrel suist aan ons allen die aan het opklimmen zijn voorbij – op weg naar beneden, op weg naar de minsten der mensen.

Eeuwig gewicht
Dus, beste Grieken, Saksen, Germanen… Als je het leven wilt, wat dacht je van deze goddelijke weg? ‘Indien iemand Mij wil dienen…’ gaat Jezus verder. Indien, inderdaad. Want dat wordt nu wel zeer de vraag. Als kerk willen we ook zo graag omhoog; aan de dood en de vergeefsheid juist ontsnappen, hemelwaarts. Maar: ‘indien iemand Mij wil dienen, hij/zij volge Mij. En waar Ik ben, zal ook mijn dienaar zijn’.
En waar is dat dan? Is dat in het zwarte gat waarin de tarwekorrel is gevallen? Jezus zelf zegt in het direct daaropvolgende vers dat de weg van de tarwekorrel Hem doodsbang maakt. Is Hij zometeen niet dood en vergeten?
Maar Hij gelooft dat dit de goddelijke weg is, de weg die de Tenach leert. En dus kan en mag het niet vergeefs zijn. Wie de weg van Gods woord gaan, kunnen niet vergeefs leven. Nee, zegt Jezus, want zo iemand ‘zal door de Vader geëerd worden’ (Joh. 12:26). Zijn of haar daden hebben een eeuwig gewicht bij God.

Mee-vallen
Tijdens de veertigdagentijd kijken we met ontzetting naar wat Hij gedaan heeft. En tegelijk zingen we ervan. God zelf heeft met Pasen deze weg van zijn Zoon bevestigd en vrucht laten dragen. Hij die zich zo ontledigd heeft, is uitermate door God verhoogd en is de top van de piramide geworden. En álles staat daarmee dus op z’n kop.
Ik leef van deze God die mee-valt met de mensen en daarmee staat mijn leven op z’n kop. Ik heb nog steeds de neiging mijn weg omhoog te zoeken. Maar ik weet: als ik Hem als Messias belijd, dan is zijn weg ook de mijne. Ik probeer het: los-laten, agenda laten doorkruisen, mee-gaan met mensen, mee-vallen, de geringen zien, in Jezus’ naam.
Deze passie verbonden met een paaslied: ‘nu is op aard geen goede daad meer tevergeefs gedaan, maar wat gij goed doet is als zaad, dat heerlijk op zal gaan’ (Gz. 218:7 / LB 642:7).

Ds. Bart Gijsbertsen is protestants predikant te Kampen.

 

Opmaak 1