Muziek & liturgie

Hoe breed mag een liedboek zijn?

Op 7 november vond in de Geertekerk te Utrecht het minisymposium over het kerklied plaats. Aanleiding om dit symposium te organiseren was de jubileumviering van Nico de Waal, directeur van Boekencentrum en toonaangevend uitgever op het gebied van het kerklied. Hij vierde dat hij dit jaar 25 jaar in dienst is bij Boekencentrum. Tijdens dit jubileum hielden André F. Troost, Pieter Endedijk, Roel A. Bosch en Sytze de Vries een lezing. U kunt deze lezingen op Theoblogie nalezen. Als eerste de lezing van André F. Troost, Hoe breed mag een liedboek zijn?

Ik ken de Waal redelijk. De Waal denkt in vier dimensies: hoogte, diepte, lengte en breedte. Ik kan erover meepraten, ik heb jarenlang dicht bij de Waal gewoond en gewerkt. Indrukwekkend, wat een potentie bezit de Waal op het gebied van nationale en internationale communicatie en overdracht van producten! Ondanks liefde voor diepte en hoogte, moet de Waal het zakelijk gezien vooral van de lengte en de breedte hebben. Nu geeft die lengte geen problemen, maar de breedte wel. Ik heb de Waal menigmaal gadegeslagen en stilletjes gedacht: ga je dat redden? Al die schepen, hoe moeten die elkaar veilig inhalen of passeren, bij dag en nacht, in mist en nevel? De Waal is breed, dat is waar, maar zo breed dat alles er altijd maar door kan? Ik heb mijn twijfels.

Vanaf Gorinchem ga ik stroomopwaarts. Woudrichem (dat nog net de Waal kan zien), Vuren, Brakel, Herwijnen, Zaltbommel, Varik, Hien en Dodewaard… Wat wil men daar zingen? Ik kan u op grond van eigen ervaring zeggen: dat varieert. Ik zie ze in Zaltbommel het nieuwe liedboek wel bestellen, maar in Hien en Dodewaard zal dat gedurende onze levensdagen niet gebeuren en later wellicht ook niet. In Woerkum zal men, al dan niet op voordracht van dokter Tinus, voorlopig nog wel het liedboek uit 1973 blijven hanteren, denk ik. Verder aarzel ik. Ik vrees: men zal gaan discussiëren. En al die discussies zullen cirkelen om de vraag: is de rivier van het nieuwe liedboek niet te breed? Natuurlijk, de een mist versje zus, de ander versje zo. Dat heb je, dat houd je. Maar zullen voorgangers en voorzangers geen liedjes kiezen die je niet wilt zingen, niet eens horen wilt? Zelf was ik bang voor oubollige teksten, smartlapperige wijsjes, modern spul, quasi eigentijdse taal, melodieën die schril en schraal in de oren klinken, modieuze theologie of juist al te vrome, piëtistische taal, al dan niet verpakt in een evangelisch jasje. Ik vroeg me al af of we echt elke zondag kinderliedjes moesten pruimen waarin stop- en sneltreinen en op slot zittende deuren piepend en knarsend de revue passeren. Ja, dat wil men tegenwoordig, de leiding van de kindernevendienst wil dat en als die liedjes keurig in het kerkboek staan, moet dat kunnen. Ik denk dat het meevalt. Zo breed is de Waal nu ook weer niet… Toch zullen kerkenraden gaan discussiëren: moeten we niet een lijst maken met titels die we in onze diensten niet gezongen willen hebben? Want er staat toch wel heel veel in dat ter linker- en rechterzijde van de Waal beslist niet gepraktiseerd zal worden.

Of ik iets wilde zeggen over de volgende vraag. ‘Het nieuwe liedboek moet de kerk in haar gehele breedte bedienen. Hierbij kan de vraag gesteld worden: kan dat wel? Gaat dat niet ten koste van de kwaliteit maar ook van de aanvaardbaarheid door de hele kerk?’ Oftewel: ‘Hoe kleurrijk kan het kerklied zijn?’

Mijn antwoord op de vraag ‘Kan dat wel?’ luidt eenvoudig: ja, dat kan en dat zal ook blijken. Mijn antwoord op de vraag ‘Gaat dat niet ten koste van de kwaliteit maar ook van de aanvaardbaarheid door de hele kerk?’ luidt eveneens: ja, dat zal zo zijn. Dat er in de breedte van de kerk discussie zal ontstaan over de aanvaardbaarheid, dat zullen we, zo voorspel ik u, gaan beleven. Mijn stelling is echter: er valt niet aan te ontkomen. Wie exclusief plezierjachtjes wil, moet maar op de Linge gaan varen. Op de Waal moet je tolereren dat er van alles en nog wat passeert: kort en lang, smal en breed; kolen, gas, hout en stro en dan ook nog een heleboel hoekige containers met onduidelijke inhoud. Het is de markt die dat allemaal bepaalt en de Waal zou gek zijn als die zich daarover druk maakte, ook al zou de Waal het zelf misschien liever beperken tot klassiek, traditioneel, degelijk en betrouwbaar gebouwd materiaal, varend onder vlaggen uit Dordrecht of Genève.

Hoe breed mag een liedboek zijn? Bij het vorige liedboek werd dat grotendeels door de top bepaald. Die top zat op een berg, op de Pietersberg in Oosterbeek. Was er nu weer zo’n top op een berg? Een Pietersberg was er wel, niet ver van Oosterbeek. Maar wie behalve Pieter die top bevolkten… En of dat bergvolk de breedte van de kerk goed vertegenwoordigde… Ik weet alleen: als mij was gevraagd het nieuwe liedboek te maken, had het er allicht anders uitgezien. Maar dan was er nog méér gemopper geweest, over aardige scheepjes die niet doorgelaten waren!

Toen ik in 1998 promoveerde op een dissertatie over leven en werk van de memorabele man die enige tijd woonde in de schaduw van deze kerk, Willem Barnard / Guillaume van der Graft, voegde ik aan dat proefschrift enkele stellingen toe waarvan ik er bij deze gelegenheid graag drie voorlees. De eerste bepleit theologische breedte. “Door het zingen van gezangen tot het uiterste te beperken ontnemen sommige ‘orthodoxe’ gemeenten zich vrijwel de kans met naam en toenaam Christus lof toe te zingen. Deze gewoonte kan moeilijk orthodox worden genoemd.” Ik bespeur van zondag tot zondag tot mijn vreugde dat alom de waarheid van dit inzicht meer en meer wordt erkend.

De tweede stelling bepleit musicologische terughoudendheid: “Dat Willem Barnard bepleit ook liederen uit de bundel van Johannes de Heer in een kerkelijk liedboek op te nemen, betekent geen pleidooi voor opname van liederen die qua tekst en toon aan smartlappen doen denken.” Ik meen dat we in het nieuwe liedboek nauwelijks tranentrekkers en feestmutsen aantreffen.

De derde stelling die ik citeren wil, luidt: “Bij de samenstelling van een kerkelijk liedboek moet aan dichters en componisten van kerkliederen de kans worden ontnomen invloedrijke posities te bekleden, terwijl hun mening ten aanzien van eventueel op te nemen liederen als uiterst belangrijk dient te worden beschouwd.” Of dat voldoende is gepraktiseerd, blijft de vraag. Ik kan u meedelen dat ik persoonlijk geen enkele invloedrijke positie heb bekleed en pas in Monnickendam enkele handen heb geschud. Dichters en componisten moeten zelf geen dikke vinger krijgen in de liedboekpap. Maar nog niet eens het topje van een pink is wel het andere uiterste.

Intussen kabbelt de discussie over de breedte van het liedboek vrolijk voort. Dat zat erin. Immers: je kunt je trouwens afvragen of het bestuur van de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied de breedte van de kerk optimaal vertegenwoordigde. Al in 2005 had ik daar mijn vragen bij. Schriftelijk stelde ik die, aan het moderamen van de synode van de Protestantse Kerk. Onder andere deze: “Hoe komt de benoeming van vertegenwoordigers van onze kerk in de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied tot stand?” Een bevredigend antwoord kreeg ik niet. Of ik daarmee leven kan? Wij leven niet bij de gratie van getallen. Wij leven op de adem van het loflied.

Tot slot. Dat mooie nieuwe liedboek lijkt op de Waal. Voldoende breed? Die vraag zal blijven klinken. Wat is breed? Wat is smal? Hoe dan ook, liedboeken zijn als rivieren: smal en slank op bergen geboren, trekken ze gaandeweg door dalen brede sporen. Ze lijken op De Waal – al blijft Nico al 25 jaar lang net zo smal en slank als een liedboek met slechts enige gezangen.

André F. Troost


André Troost is een geliefd predikant en dichter. Hij publiceerde tal van boeken en artikelen. Zijn meest recente uitgaven zijn de adventkalender Laat uw morgen dagen, het bijbelstudieboekje Kom tot rust en de bundel Licht van hogerhand. Bezoek zijn website voor meer informatie.