KerkKerkgeschiedenis

Het verhaal gaat verder

Protestantse zendingsopleiding in Nederland (1797-2010) - Gerrit Noort (onder redactie van)Op vrijdag 14 december vond de presentatie plaats van het boek Protestantse zendingsopleiding in Nederland 1797-2010, de eerste uitgebreide studie naar zendingsopleiding in Protestants Nederland in de 19e en 20e eeuw. Bas de Gaay Fortman nam het eerste exemplaar in ontvangst en hield een lezing waarvan u de tekst hieronder kunt lezen. We danken hem hartelijk voor de toestemming om zijn lezing te publiceren.

Veel dank voor dit eerste exemplaar van een mooi boek, een leerzame geschiedenis met een rode lijn: van een opleiding tot zendeling bepaald door rood-wit-blauw eenrichtingsverkeer naar een mondiaal leerhuis, intercultureel en gegrond op wederkerigheid.  Mijn persoonlijke betrokkenheid hierbij is drieërlei:

  1. Als educator vanuit de grote cirkel rondom de kleine vaste staf van het Kraemerinstituut, onder collega’s en met de cursusgangers in een leerhuisambiance. De uitdaging was, zoals ook dit boek laat zien: spreken van daar naar hier, het voorrecht uitstralen daar te mogen werken en naast inhoudelijke competentie ook betrokkenheid tonen bij wat hun uitdagingen zouden worden.
  2. Als bestuurder in het Curatorium van de Stichting, eerst twaalf jaar als curator en tenslotte als de laatste president-curator. Pas door dit boek bemerkte ik in welke traditie je dan staat: Miskotte en Hendrik Berkhof aan hervormde zijde en Johan Bavinck en Folkert de Roos aan de gereformeerde kant. De laatste was mijn leermeester macro-economie. Van hem herinner ik me zijn reactie nadat een interrumperende student had opgemerkt één en ander nog na te willen lezen: “Daar kunt u niet dommer van worden!”  Wel, ook de zendingsopleiding had een indrukwekkende bibliotheek (als staflid kreeg ik de overzichten en leende geregeld) maar in deze geschiedenis lezen we dat het in de opleiding voor zendingswerkers niet primair gaat om boekenstudies maar om “studie van mensen en menselijke situaties”.
  3. Als vriend van het Hendrik Kraemerinstituut. Het had, zoals gezegd, het karakter van een leerhuis waarin mensen elkaar ontmoeten en zich voor elkaar open stellen. Cruciaal was het internaat; in dit boek komt dat woord zeer veel voor. JW Gunning omschreef het internaatsverband als “eine, wie mir scheint, der wichtigsten Einrichtungen“. Vorming van karakter, zo lezen we, was voor hem belangrijker dan kennis, want de zendeling moest het aankunnen in grote vrijheid te werken. Van Neurdenburg horen we nog van de noodzaak dat de kwekeling beschikte over “karakter” (“zelfstandigheid, voortgesproten uit eene gezonde vorming van het hart, bij eene geregelde ontwikkeling van het verstand en de openbaring van een ’vaste wil’”). Daarom moet niet alleen de zendeling worden opgeleid, maar ook de zendende gemeente aan welke hij ”de noodige sappen moet ontleenen”  Collectieve vorming dus van verstand en geweten, waarmee volgens artikel 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens wij allen zijn begiftigd. De sfeer in Oegstgeest was intercultureel; ook al waren er soms alleen Nederlanders, zij leefden al vanuit die andere cultuur waarin zij zouden worden opgenomen. Het internaat bepaalde de ambiance van het hele gebouw. Als docent koos ik dan ook graag voor de vroege ochtendsessie, die begon om 9 uur. Dat gaf recht en titel op overnachting in het internaat, dan trof je de groep al aan het ontbijt. (Het is natuurlijk vooral te danken aan het internaat dat er HKI huwelijken ontstonden zoals dat van Kathleen Ferrier en Tjeerd de Boer.)

U merkt al dat bij het lezen van dit boek de nostalgie vanzelf zijn slag slaat. Zo heeft ook deze middag een hoog reüniegehalte. Wat ons hier bindt is de vriendschap die door de jaren heen ontstond met het Hendrik Kraemer Instituut.

Het begon dus met nadruk op de Nederlandse identiteit. Zo lezen we dat in de 19e eeuw zendingswerkers uit andere Europese landen moesten worden voorbereid op missionair werk in een andere cultuur. Dat blijkt te slaan op Zwitsers en Fransen die als werkers in de Nederlandse zending zich op het kikkerland moesten leren richten. Maar al meer dan een eeuw geleden brak het besef door dat als het goed gaat met de zending, dáár een kleine  gemeenschap tot stand komt en die zal het zelf moeten doen. In verband met het uitblijven van massale overgangen naar het christelijk geloof lezen we dan over het falen der zending hetwelk geweten wordt aan niet alleen het gebrek aan ontwikkeling bij de zendelingen maar ook aan hun onvermogen door te dringen in een andere cultuur. Maar even verder lezen we toch weer over zendelingen als “leeraren onder de heidenen” en een zendingsopleiding die onvoldoende wordt geacht voor het “werken onder onbeschaafden”. Pas veel later dringt het besef door dat die andere cultuur moet doordringen tot ons, omdat alleen zo wij daar compleet mens kunnen zijn. Intercultureel werd het trefwoord, “Bruggen bouwen tussen culturen” heet een scriptie aan de Vrije Universiteit, met als ondertitel “Over factoren voor effectief intercultureel contact”. De auteur “heeft waargenomen dat het HKI dit een wezenlijk onderdeel vindt voor de voorbereiding op uitzending.”

Een vergelijkbare ontwikkeling valt waar te nemen bij de inhoud van de opleiding. Zo werd aanvankelijk gemeend dat Latijn voor de kwekelingen een nuttige basis zou zijn om straks zelf nog vreemdere talen te leren. Het liep uit op cursussen in het Setswana voor wie naar Botswana ging en Chichewa voor Malawi en Zambia. Taal werd allereerst gezien als belangrijk voor het vertalen van de Bijbel (en de ziphunzitso za ku Dordt, voeg ik eraan toe, de Dordtse leerregels in het Chewa, compleet met de artikelen tegen de remonstranten; dat was grondslag van de kerk waarvan ik zelf lid werd in Zambia). Het—naar mij lijkt—gevaarlijke vak der etnologie werd antropologie en dat mondde uit in een antropoloog als rector. Cultuur werd eerst gezien als verbonden met “vreemd” maar via de acculturatiecursus—nodig voor heen èn terug!—ging het ook hier naar intercultureel, inclusief het cursusonderdeel “intercultureel Bijbellezen” en de eindterm “intercultureel competent”. Evenzo was er een evolutie in perspectief. JW Gunning, een zeer verlichte geest, stelde meer dan een eeuw geleden al dat de zendeling geen behoefte had aan theologie als zodanig maar aan “theologiebeoefening die het missionaire werk plaatst in het perspectief van het werk van de Geest in deze wereld.” Het accent verschoof dan ook naar “deze wereld”. Dan gaat het om context en zo werd ik er zelf bij betrokken met als taak enig licht te werpen op de vraag “Hoe functioneren staat en recht in onafhankelijk geworden oud-koloniën met een onderontwikkelde economie?”.

Over de organisatie ben ik kort vandaag. Het HKI werd de jojo die van de ene bureaucratische constructie naar de andere werd gegooid. Tekenend is de conclusie van Hans Visser na tien jaar in het militair hospitaal. Toen was het Hendrik Kraemer Instituut “min of meer terug bij af”.  Met name de “vermarkting” had rampzalige gevolgen. Een trieste geschiedenis.

Ik eindig dan ook liever met het mooie verhaal van de evolutie naar wederkerigheid. Het onderscheid tussen zendingskerken en inheemse kerken werd opgeheven. “The home base is everywhere”, zei Verkuyl. Wederzijdse assistentie dus. Wederkerigheid gaat nog een stap verder: één gemeenschap waarin over en weer bijstand wordt verleend.

De jongste formulering van het leerdoel van de zendingsopleiding luidt als volgt:

‘De deelnemers worden zich bewust van de rol die religie speelt in het leven van mensen en in veranderingsprocessen in het gastland, oriënteren zich op de verschillende religies en kerken van het gastland en verwoorden hun eigen levensbeschouwelijke positie in het perspectief van hun toekomstig werk.’

Wat ik daar nog mis is het verhaal, dat verder gaat. “Het verhaal gaat niet vanzelf” is de titel van de laatste beleidsnota van de staf. Maar ook al lopen de uitzendingen schrikbarend terug en staat de opleiding onder grote druk, het verhaal gaat tóch verder, gegrond in de kracht van het Woord. Wij mogen ons vandaag laven aan de gegroeide wederkerigheid waarin mensen als Kwame Bediako (“Jesus in our culture”) en Desmond Tutu (“God is not a Christian”) onze leermeesters zijn geworden. Luisteren we naar de laatste. Hij refereerde eerst aan een bekend verhaaltje over de gevolgen van de komst van de handelaren en missionarissen in Afrika: “Toen de Europeanen hier kwamen, hadden wij het land en zij de Bijbel. Daarop vroegen ze ons de ogen te sluiten om te bidden. Nadat we die weer geopend hadden, bleek dat zij het land hadden en wij de Bijbel.” Tutu vervolgt dan zo:

Op het eerste gehoor zou men denken dat wij daar bijzonder slecht vanaf zijn gekomen. Maar in feite was het een schitterende deal. Het punt is dat wij in Gods woord een onbetaalbaar geschenk kregen: het evangelie van bevrijding, het goede nieuws van Gods liefde voor ons die volkomen onvoorwaardelijk wordt gegeven. Maar nog wonderlijker is dat wij het meest subversieve, revolutionaire wapen in handen kregen dat er maar bestaat. De mensen die ons wilden uitbuiten en bloot stellen aan onderdrukking en onrecht hadden ons nooit de Bijbel moeten geven, want daarmee plaatsten ze dynamiet onder hun immorele plannen.

Desmond Tutu is een levend getuigenis van de actuele kracht van Mozes en de profeten en het evangelie. Zo zijn er gelukkig meer, op elk niveau, ook dat van dorp en stadswijk. Van Dibdibe Wajtu, een 26 jarige Ethiopische die in materieel opzicht niets te makken heeft, vinden we in de Voices of the Poor studies dit profetisch woord over economie en leven:

A better life for me is to be healthy, peaceful and to live in love without hunger. Love is more than anything. Money has no value in the absence of love.

Al lange tijd vormen de Voices of the Poor onderdeel van de zendingsopleiding. Die is een mondiaal leerhuis geworden, intercultureel en gegrond op wederkerigheid. Dat is de les van dit mooie boek. Het verhaal gaat verder.

Bas de Gaay Fortman, emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht en voormalig curator van het HKI.