Geen categorieOverige

Het ritueel neemt geen plaats in: het maakt juist plaats – door Tjeu van den Berk

Op vrijdag 7 oktober hield Tjeu van den Berk (auteur van o.a. Het oude Egypte) de Eredienstvaardig-lezing van 2011. Hij sprak over het ritueel dat ruimte moet maken voor het onzegbare. Het werd uiteindelijk méér dan een lezing. Door de verrukkelijke muziek van het Vocaal Theologen Ensemble onder leiding van Hanna Rijken en de intrigerende performance van beeldend kunstenaar Stefan Belderbos werd de middag zelf een ‘afdalen’ naar het onzegbare. Hier volgt de sterk ingekorte tekst van de lezing (de tekst is met toestemming overgenomen uit het Tijdschrift voor liturgie en kerkmuziek Eredienstvaardig, november 2011).

Met u wil ik hier nadenken over ritueel en ritueel bewustzijn. We voelen het onmiddellijk aan: er is een verschil tussen gewoon handelen en ritueel handelen. Er is een groot verschil tussen gewoon lopen en ritueel lopen, gewoon ademen en ritueel ademen, gewoon een vuur aansteken en dat op een rituele wijze doen. Voor de niet-ingewijde is er op het eerste gezicht nauwelijks verschil en heeft het voor hem zelfs iets komisch om te zien hoe bijvoorbeeld
iemand een gewoon stukje ouwel met de grootste eerbied nuttigt. Voor de ingewijde echter is er sprake van niets minder dan een transsubstantiatie. Maar waardoor heeft die verandering in ons gevoel dan plaatsgevonden?

Nu is het niet zo dat de ouwel letterlijk is overgegaan in het lichaam van de Heer, maar wel dat de ingewijde is overgegaan van het ene bewustzijn naar het andere. De kern van een ritueel bestaat er juist in, een overgang in het bewustzijn te bewerkstelligen. En in die zin moeten we dan ook spreken van een ritueel bewustzijn. Wat ik daaronder versta, zal ik hier behandelen.
Beginnen we met een alledaags voorbeeld: het geven van een bos bloemen aan je geliefde.

Eerst is er het proces dat de bloemen voor mij tot symbool worden. Dat zijn zij niet uit zichzelf. Mijn tuin staat vol met bloemen, niet vol met symbolen. Op het moment echter dat de bloem mijn verbeelding in werking zet, uitdrukking
wordt van een innerlijke beleving, hier van mijn vriendschap of liefde, maak ik die bloem zwanger van mijn liefde, van mijn verbeelding. Dan is de bloem door mij tot een symbool geworden. Er heeft dan echter nog geen handeling plaatsgevonden. Als de bloemist mij de bloemen verkoopt, is daar wel sprake van, maar dan betreft het nog geen symbólische handeling. Hij verkoopt mij gewoon bloemen en ik reken die af. Wanneer ik echter de bos bloemen
overhandig aan de geliefde, als teken juist ván die liefde, en zij of hij dit ook zo ervaart, dan krijgt deze door mij verrichte handeling een symbolische waarde.
Handeling en daad Ik wil dan ook spreken van een onderscheid tussen handeling n daad, zoals filosoof Cornelis Verhoeven dat uitgewerkt
heeft: ‘In een daad treedt een mens doelgericht naar uiten, wordt iets gewijzigd, iets teweeggebracht. Een daad s resultaatgericht. De handeling echter bestaat uit verrichtingen die, zo lijkt het, niet een naar buiten gericht doel hebben, maar een doel dat in de handeling zelf besloten ligt.’

Op een daad ben ik bewust gericht, bij een handeling kan ik afdwalen, mijmeren, kunnen allerlei gedachten in me opkomen, een handeling doe ik voor een groot deel onbewust. Een wereld van bedoelingen en bijbedoelingen
kan erin schuilgaan. De handeling krijgt daardoor iets schematisch,
wordt min of meer automatisch uitgevoerd. Men kan de onderdelen van een handeling dan ook nog nauwelijks daden noemen. Bij een ritueel gaat het dus in de eerste plaats om een ‘handeling’, niet om een ‘daad’. Een handeling
speelt zich af, heeft een scenisch karakter. Bij een daad kan en zal dat nooit het geval zijn. Juist een handeling kan daarom na verloop van tijd overgaan in een ritueel. Verhoeven geeft als voorbeeld het ritueel dat hij elke avond opvoert wanneer hij toebereidselen maakt om naar bed te gaan. ‘Ik orden mijn spullen en sta op; ik sluit de gaskraan en controleer of alles gesloten is; ik doe het licht uit en begeef me naar de trap. Boven gekomen sluit ik de gordijnen en sla ik de sprei terug; alles verloopt volgens een vast schema, vastgesteld in een mythisch illo tempore. Er wordt geen enkel resultaat beoogd; het moet alleen maar allemaal gebeuren en het gebeurt nu eenmaal op telkens dezelfde wijze.

Heel deze reeks van handelingen heeft geen enkele creativiteit op het oog. Het sluiten van de deur en de gordijnen heeft weliswaar een bepaald resultaat en wanneer dat niet bereikt wordt, heb ik geen rust, maar toch is de gang door het avondlijke huis, waarbij naar het woord van de dichter bij tijd en wijle een poos getalmd wordt, niet op deze resultaten toegespitst. Hij heeft een welhaast autonoom karakter gekregen.’

Verrichtingen om het geheim veilig te stellen
Uit dit voorbeeld blijkt dat een rituele handeling als zodanig geen doel kent, geen lineair maar juist een cyclisch verloop heeft. Zij keert daarom ook steeds weer terug, hier elke avond. Ook het geven van de bloemen aan de geliefde
kan een dikwijls identiek terugkerend gebaar zijn. Daarom ook zijn het allesbehalve daden. Rituelen zijn juist belangeloos, ze zijn doelloos. Het gaat
niet om het ritueel, het gaat erom waarom het ritueel zich afspeelt. Op die manier kunnen de ‘belangeloosheid’ en de ‘doelloosheid’ die het ritueel kenmerken juist een uitermate groot belang dienen, een belang echter dat niet ín het ritueel besloten ligt, maar het juist ontstijgt. ‘De ritus is een kring van gewoontehandelingen, die het eigenlijke creatieve leven omgeeft.’ De handeling, zo lijkt het, wordt zo ‘zinloos’ mogelijk uitgevoerd, omdat dit ruimte maakt voor dat creatieve leven. Het ritueel wil de openbaring van het geheim veilig stellen, het niets in de weg leggen, de weg erheen banen. Zo voer ik in het bloemenritueel juist een situatie op waarin de liefde zich present kán stellen, en
niets in de weg wordt gelegd.

‘Het ritueel,’ schrijft Verhoeven, ‘is de beschermende laag om de gebeurtenis heen, de toverkring, die er omheen getrokken wordt en die de daarin opgehoopte energie verhindert te ontsnappen en in de lucht te verdampen.’ – Wat is een ritueel in de liturgie anders dan een kring van verrichtingen
die hopelijk de Geest doet waaien.

Overgang en afdalen naar het onbewuste De verrichtingen zelf kunnen daarom niet gestileerd genoeg zijn, het gaat er immers om dat ze onder geen beding de aandacht op zichzelf mogen vestigen. De aandacht is juist gericht op dat Iets, dat niet wordt beleefd als een menselijke prestatie maar als een genade, als de eventuele verschijning van het numineuze, het onuitsprekelijk totaal andere.

Zo cirkelt het hierboven genoemde avondritueel om het mysterie van de nachtrust. Het is een voorbereiding tot iets dat men nauwelijks nog een handeling kan noemen: het slapen. Het schept een kader waarin mijn slaap zal kunnen plaatsvinden. Het ritueel neemt nooit de plaats in van iets,
het maakt plaats voor iets. Verhoeven beschrijft het weer prachtig: ‘De verschillende verrichtingen zijn de trappen, waarlangs ik mij voorzichtig
begeef naar het donkere domein van de nacht. Zij zijn de wijze waarop ik de overgang van de ene fase van het etmaal naar de andere vloeiend doe verlopen.’

In dit citaat komen twee aspecten aan de orde, hier letterlijk van toepassing op het avondritueel, maar die, goed beschouwd, kenmerkend zijn voor elk ritueel.
Het eerste is dat er steeds sprake is van een overgang, het tweede is dat er steeds een afdaling plaatsvindt naar het onbewuste, naar de irrationele dimensie van het leven. Het zijn twee fundamentele kenmerken. Ik begin met het laatste.

Het initiatief ligt bij het onbewuste
Wie of wat zet die overgang van bewustzijn naar het onbewuste in werking? We zijn misschien geneigd te denken dat hier in eerste instantie het initiatief bij het bewustzijn ligt. Dat daalt de trap af, zet de stoel klaar, koopt de bloemen
enzovoort. Het is echter van groot belang voor een goed begrip van het ritueel om hier onze visie een draai te geven van 180 graden. Het ligt namelijk juist andersom: het is het onbewuste, zonder dat we dat misschien beseffen,
dat het signaal tot slapen heeft gegeven en de verrichtingen in werking heeft gezet.

De rituele handelingen zijn, goed beschouwd, geen bewust gekozen verrichtingen. Het is juist dit onbewuste dat in illo tempore de impulsen heeft verstrekt om deze millenniaoude gebaren uit te voeren. De gekozen verrichtingen zijn namelijk niet willekeurig gekozen. Ze lijken fundamenteel
op eendere die eeuwenoud zijn, zij het in een totaal verschillend culturele kledij gestoken. Wanneer in het dagelijkse leven iets voor ons een diepe betekenis krijgt, als het ware boven het alledaagse wordt uitgelicht, en we de behoefte voelen om aan die ervaring vorm te geven, dan komen vanzelf uit de diepte van de menselijke psyche archetypische beelden naar boven om deze ervaringen in scène te zetten.

De rituele vormen worden nooit bewust geconstrueerd, net zo min als we onze droombeelden in de hand hebben. Wat er gebeurt is het volgende: op kardinale momenten in ons leven, op momenten die ertoe doen, reikt het onbewuste ons via biologisch instinctmatige impulsen en via droombeelden spontaan de bestanddelen van een ritueel aan. Iedereen kent die momenten die ons naar lijf en leden geheel omvatten: geboren worden en sterven, ingewijd worden in een gemeenschap, verloving, huwelijk, ouderschap, oorlog en vrede, crisismomenten in ons leven, steeds weer en overal worden op deze momenten door de biologische evolutie gelijksoortige archetypische beelden en gebaren aangereikt om de ‘overgangen’ die dan steeds moeten plaatsvinden gestalte te geven en de betreffende mens of groep van mensen in de gelegenheid te stellen die overgang ook daadwerkelijk te kunnen maken.

Archaïsch-dierlijke verrichtingen
Het blijkt ook uit alles dat de mens dit vermogen om oermomenten in ‘scène’ te zetten met de dieren gemeen heeft. De mens die aan een ritueel deelneemt beweegt zich op dat archaïsch niveau van zijn psyche, op het niveau van zijn hersenstam; daar waar ons reptielen- en oude zoogdierenbrein aan het werk is. Zó diep dalen wij de trappen af. We dalen af naar het gebied van onze basisfuncties: ademen, slapen en dromen, eten en drinken, en vrijen. Deze functies zijn voornamelijk instinctmatig geconditioneerd. Letterlijk of gesublimeerd maken ze dikwijls onderdeel uit van een ritueel en ze bestaan zelf uit handelingen die een ritmisch- ritueel verloop hebben. Denk aan het liefdesspel, de heilige maaltijd, de ademhalingsoefeningen enzovoort. Hoe archaïsch is bijvoorbeeld de essentie van het bloemenritueel niet. Een mens kiest niet zomaar bloemen uit! Zolang er mensen bestaan, hebben bloemen een diepe existentiële betekenis voor de mens gehad. Opkomend uit de duisternis van de aarde, trekt de bloem op geheimzinnige wijze naar het licht. – Dat zijn wijzelf natuurlijk! – De bloeiende bloem geeft belangeloos, doelloos en weerloos, nog mooier getooid dan Salomon, ons vreugde en hoop voor de toekomst; dezelfde bloem verwelkt en verdort, en doet ons onze vergankelijkheid beseffen. Dat zijn ingeboren reacties geworden in de mens.

Een tijd geleden zat ik naar een natuurfilm te kijken waarin een mannetjeshert een vrouwtje het hof maakte.Hij begon met om haar heen te paraderen met rituele stappen, ondertussen de meest vreemdsoortige geluiden uitslaand, maar toen dat niet het gewenste effect had, ging hij in een modderplas liggen, draaide zich om en om, kwam geheel bemodderd overeind en stak zijn kop met een dusdanig draaiende beweging in het struikgewas, dat hij even later, het gewei getooid met een aantal takken en bladeren, weer het wijfje met oergeluiden benaderde. Hij kwam met een bos bloemen aanzetten! Van hoe diep komen niet de impulsen van de geliefde die de bloemen overhandigt! De mens kan de geritualiseerde uitdrukkingshandelingen vervolgens natuurlijk loskoppelen van hun strikt biologische aanleiding, en zal dan bijvoorbeeld de dierlijke seizoenimpulsen periodiseren volgens het ritme van de kalender, een liturgisch jaar opzetten, bijvoorbeeld. Het blijft dan echter van belang die instinctmatige neigingen niet te verliezen. Wanneer deze instinctieve band er niet meer is, worden het dode rituelen.

Transitie naar het onbewuste
Het is dus het kerngebeuren van elk ritueel dat de mens voeling krijg met zijn onbewuste, dat hij daar naar toe overgaat, de trappen afdaalt. Men onderscheidt in de literatuur meestal drie fases in het ritueel: desintegratie, transitie en re-integratie. Eerst is er op een of andere manier sprake van een zich afzonderen, een zich terugtrekken uit het dagelijks leven, een in retraite gaan. Dan volgt de overgang, de transitio naar een andere werkelijkheid, daalt men de trappen af, gaat men de drempel over naar waar de liefde zich kan openbaren, naar waar een stukje brood kan veranderen in het lichaam van de Heer, kortom daalt men af in het irrationele. In die onbewuste regionen vindt dan een transformatie plaats, ontmoet men de goden, krijgt men inspiratie, gebeurt ‘het’. De derde fase wordt gekenmerkt door een terugkeer naar het alledaagse leven, maar nu ingewijd en verlicht.

Steeds weer begint een ritueel met het zetten van regressieve stappen. Men keert in zichzelf. Vervolgens vindt er een vernieuwde integratie plaats in de diepste lagen van de eigen ziel. Een eenzijdig corticale levensinstelling wordt
opgeheven. De goden en geesten leven als machtige gestalten in de onbewuste diepte van de menselijke psyche en via het ritueel ontvangen zij het draaiboek en het toneel van hun optreden.

Ze mogen heten hoe ze willen: Adonis, Osiris of Christus, Diana, Maria of Venus, altijd overstijgen deze goden de uiterlijke instituten, en ook het menselijke rationele ego. Zij openbaren zich daar waar wij vanuit het bewustzijn afgedaald zijn: in het onbewuste. Het gaat dus om het irrationele niet om het rationele. Vrijwel alles wat ons leven waardevol, zinvol en betekenisvol doet zijn, bestaat bij de gratie van deze irrationele krachten, die ons via intuïties, gevoelens, illusies, dromen, instincten, en… via rituelen bereiken. De werkelijkheden van kunst, spiritualiteit en seksualiteit bestaan bij de gratie van deze instinctieve impulsen.

Ik wil afsluiten met een prachtige tekst van Henri Bergson: ‘Er zijn dingen, waarnaar alleen het verstand kan zoeken, maar die het, steunend op eigen kracht, nooit zal vinden. Die dingen zou alleen het instinct kunnen vinden,
maar het zal ze nooit zoeken.’ De levensvraag wordt dan: hoe speel ik het klaar om deze twee krachten, die in eerste instantie geen enkele samenhang met elkaar vertonen, toch tot een huwelijk te bewegen. Uitersten dienen we te
vermijden: het irrationele door het rationele verdringen of het rationele laten overspoelen door het irrationele. Waarschijnlijk bestaat levenskunst erin dat het verstand, wetend waarnaar het zoekt, ruimte maakt voor het instinct
opdat dit vindt waar het niet naar zoekt.

Tjeu van den Berk

Tjeu van den Berk is theoloog en werkte aan de Katholieke Theologische Universiteit van Utrecht. Hij heeft veel geschreven over het raakvlak tussen religie, psychologie, kunst en cultuur en is een veelgevraagd spreker.
Van hem verschenen tot nu toe bij Uitgeverij Meinema Het oude Egypte: bakermat van het jonge christendom, Die Zauberflöte, Het mysterie van de hersenstam, Mystagogie, Het numineuze en Eigenzinnig kunstzinnig.