Geen categorieOverige

Het hoe en waarom van de nieuwe Christelijke Dogmatiek – door prof. dr. G. van den Brink

Op donderdag 18 oktober nam mr. Piet Hein Donner het eerste exemplaar van de Christelijke dogmatiek in ontvangst. Hij kreeg de nieuwe dogmatiek uit handen van de auteurs dr. G. van den Brink en dr. C. van der Kooi tijdens een feestelijke bijeenkomst aan de Vrije Universiteit. Tijdens de presentatie hield dr. G. van den Brink een lezing, u kunt de hieronder bekijken op video. Morgen   publiceren we de lezing door dr. C. van der Kooi.

De integrale tekst van de lezing door prof. dr. G. van de Brink vindt u hieronder.

Het hoe en waarom van de nieuwe Christelijke Dogmatiek
Amsterdam, 18 oktober 2012 

We hebben afgesproken dat collega Van der Kooi iets zal vertellen over het ‘wat’ van ons boek – dat wil zeggen: enkele inhoudelijke beslissingen die we genomen hebben zal toelichten – terwijl ik inga op het ‘hoe en waarom’.

1. Je bent achttien jaar, en je gaat theologie studeren. Dat komt nog altijd voor. Waarom doe je dat? Of je bent 26 of 36, en je komt erachter dat je dolgraag na de technische studie die je deed nog iets heel anders zou willen studeren: theologie. Dat leek vanwege de langstudeerdersboete weliswaar even erg duur geworden, maar valt nu misschien weer mee. En zelfs al is het duur: ook dat komt voor. Waarom doen mensen zoiets? Ik denk: in negen van de tien gevallen omdat ze aangelopen zijn tegen allerlei vragen rondom godsdienst en geloof, waar ze niet goed grip op krijgen. Die een of twee  anderen van de tien gaan theologie studeren vanuit een sterk roepingsbesef en het verlangen om predikant te worden. Maar voor de meesten, zeker als ze rechtsreeks van de middelbare school komen, geldt: omdat ze meer willen weten over het geloof waarmee ze opgegroeid zijn of waar ze anderszins in hun omgeving tegenaan gelopen zijn. Vanuit een behoefte aan oriëntatie, verheldering, bezinning op geloofsvragen, of hoe je het precies noemen moet.

Welnu, dan beginnen ze welgemoed aan de theologiestudie – en ontstaat bij velen al gauw een lichte teleurstelling. Want het gaat over van alles en nog wat, vaak ook over zeer interessante en wetenswaardige dingen, filosofie, talen, tekstkritiek van de Bijbel, boeddhisme en noem maar op. Maar het gaat doorgaans niet over hun geloofsvragen. Althans: niet in directe zin, van binnenuit. En er is daardoor een soort onbestemd gevoel van onbehagen dat de studie toch niet helemaal brengt wat ze verwachten. Bij de een is dat natuurlijk sterker dan bij de ander, maar toch. Na verloop van tijd wordt het overigens wel beter, omdat de vakken steeds inhoudelijker worden. Zo was het in elk geval tijdens mijn eigen studie: het werd steeds leuker.

Het boek dat collega Van der Kooi en ik geschreven hebben is echter in de eerste plaats bedoeld voor studenten in de eerste jaren van de studie. Dat is doorgaans de fase waarin ze de meeste vragen hebben, de sterkste behoefte aan oriëntatie. En het voordeel van de VU en de PThU is dat je hier als studenten je geloof en de vragen die je erbij hebt om zo te zeggen niet bij de drempel hoeft in te leveren, maar het allemaal mee mag nemen naar binnen om het in de discussie te betrekken. Ons boek is erop gericht studenten daarbij te helpen. Het biedt, denk ik, zo kort mogelijk geformuleerd, een oriëntatie op academisch niveau op wat christelijk geloven inhoudt. En we hebben geprobeerd dat te doen op het niveau van de beginnende student. Daarin verschilt het boek van eerdere boeken, zoals het bekende overzichtswerk van H. Berkhof, dat zich in de master-opleidingen prima liet gebruiken maar waarvan we merkten dat het steeds lastiger werd om dat in de bachelor te doen.[1]  Bij het schrijven van het boek hebben we ons dan ook steeds afgevraagd, niet: wat valt er allemaal over dit onderwerp te vertellen, want dan was het nog veel dikker geworden; maar wel: wat zouden we graag willen dat bachelor-studenten leren, kunnen overzien – hoe kunnen we hen helpen in hun o.i. volstrekt legitieme verlangen naar oriëntatie, naar begrip? Ons boek is dus geschreven vanuit het aloude adagium fides quaerens intellectum – het geloof, dat is het uitgangspunt, maar dat zoekt naar begrip, naar verstaan, naar verheldering. En we verheugen ons erop dat als bachelor-studenten het kunnen begrijpen en er hopelijk wat aan hebben, dat ook geldt voor talloze anderen – theologen, predikanten, maar zeker ook geïnteresseerde gemeenteleden – die het leuk vinden (of misschien een ‘uitdaging’) om met hen mee te lezen.

2. Laat ik iets zeggen over hoe de totstandkoming van dit boek in z’n werk is gegaan. Het is van meet af aan echt een coproductie geweest, waaraan we beiden ex aequo hebben gewerkt. De namen op de omslag en rug van het boek hebben we alfabetisch gerangschikt, maar in de nadere details over ons als auteurs op de achterflap hebben we de volgorde bewust omgedraaid. We hebben zelfs even overwogen om de namen op de voorzijde in een cirkelvorm af te drukken, zodat onduidelijk was geweest met wiens naam men moest beginnen te lezen. Dat vonden we echter toch een beetje gek en zou op de rug ook weer niet gewerkt hebben. Daarom hebben we het maar zo gelaten, en zoals het in de volksmond gewoon alfabetisch ‘Beker-Hasselaar’[2] werd zal het in dit geval wel ‘Van den Brink & Van der Kooi’ worden. Vandaar dat ik hier graag wil benadrukken dat we beiden een gelijkwaardig aandeel hebben in het schrijven van het boek. Het is niet zo dat Van den Brink Van der Kooi zo ver wist te krijgen dat deze zich voor zijn karretje liet spannen, of dat Van der Kooi zijn medewerker het eigenlijke werk liet doen om vervolgens zijn zegen en zijn naam eraan te verlenen.  Het is zoals gezegd juist geheel en al een coproductie geworden.

Wellicht zullen sommigen behoefte hebben om bij het lezen van het boek aan enige bronnensplitsing te gaan doen: wie van ons tweeën schreef nu eigenlijk wat? U mag dat gerust proberen, en afhankelijk van de mate waarin u ons en ons eerdere werk kent, zult u daar ook best trefzeker in kunnen zijn. Maar we zijn beiden door alle teksten heengegaan, hebben elkaars concepten over en weer bewerkt en aangevuld, zodat er geen paragraaf is die niet op enigerlei wijzen om zo te zeggen ons beider stempel draagt. Natuurlijk werd elk van de zestien hoofstukken door één van ons in de grondverf gezet.  Je kunt zoiets niet samen doen – ‘schreef ooit het comité een gedicht’? Ik trok me daarvoor wel eens een paar dagen terug in een huisje ergens op de Veluwe, zo de eerste  volle week van januari bijvoorbeeld, vaak een prachtig rustige week. Kees deed het geloof ik meer tussen de bedrijven door. Maar als zo’n hoofdstuk dan in de grondverf stond, ging het naar de ander voor de dekverf en meestal ook wel voor een lichte retouchering. Wat mij betreft verliep de samenwerking optimaal. De enkele keer dat we het echt niet eens waren over iets – en we gaan niet vertellen waarover dat dan was – kwamen we er na enig doorpraten telkens uit wat een goede oplossing zou zijn.

We kregen er wel regelmatig vragen over. Lukt dat, met z’n tweeën een dogmatiek schrijven, staan jullie er niet allebei nogal verschillend in? Kenners weten dat we inderdaad uit een net even iets ander circuit van protestants Nederland komen.  De één uit de voormalige Gereformeerde Kerken in Nederland, de ander uit voormalige hervormde kerk, en dan nog weer specifiek de Gereformeerde Bond. Maar dat maakt ons dus wel allebei tot ‘gewone’ gereformeerde jongens. Bovendien: van Jeroen Geurts, top-neurowetenschapper hier aan de VU, leer ik dat de samenwerkingsverbanden in de academische wereld het best floreren als de deelnemende partijen niet teveel van elkaar verschillen maar ook niet precies hetzelfde zijn en doen. Het meest vruchtbaar, zegt Geurts vanuit zijn ervaring, zijn onderzoeksverbanden met die teams die net iets anders kunnen dan wijzelf kunnen, maar wel zó dat het elkaar aanvult. Zo heb ik het ook ervaren. Kees had initieel het overzicht en inzicht over net weer iets andere onderdelen van de dogmatiek dan die waar ik me in het verleden wel eens mee beziggehouden had. Hij is wat meer geverseerd in de Duitstalige theologie, ik in de Engelstalige; hij komt uit de hermeneutische traditie, ik uit de analytische, et cetera. Dat alles maakte denk ik dat onze samenwerking een heel vruchtbare en constructieve was.

Daarbij wil ik ook zeggen dat we zeer gestimuleerd werden door de betrokkenheid van de uitgever. Hij initieerde niet alleen het project, vanuit de gedachte die bij ons beiden ook al leefde dat er op dit gebied iets gebeuren moest. Maar hij zorgde er ook voor dat er om de zoveel tijd een nieuwe ontmoeting gepland werd, en voorafgaand daaraan moest er dan natuurlijk weer door ons beiden een stuk tekst in de grondverf gezet zijn. Veel dank, Nico, voor de vasthoudende maar ook begripvolle manier waarop je ons rondom dit enorme project hebt begeleid.  Het is een hele klus geweest, maar we zijn met elkaar vandaag natuurlijk blij en dankbaar dat die afgerond kon worden. En achteraf gezien geloof ik dat vier jaar voor een boek als dit nog niet eens zo heel lang is.

3. Hoe is het boek gestructureerd? De ‘stof’ is zoals gezegd verdeeld over zestien hoofdstukken, die min of meer corresponderen met de klassieke loci (zij het hier en daar in een nieuwe volgorde geplaatst). De hoofdstukken zijn op een vergelijkbare manier opgebouwd. We beginnen telkens met een overzicht van de thema’s die we per locus willen bespreken. Daarna volgen enkele “opdrachten” (of suggesties) om in het thema te komen. Die zijn mede bedoeld om te laten zien dat dogmatiek niet in de lucht zweeft, geen abstract gebeuren is, maar met duizend draden verbonden is aan het gewone leven en ook aan de concrete geloofspraktijk. Vandaar af en toe tips om eens een bepaalde film te bekijken, en een literair werk te lezen, en je af te vragen wat die met het thema te maken heeft. Maar ook bijvoorbeeld de tip, met name aan diegenen die niet vertrouwd zijn met de bevindelijk-gereformeerde wereld om eens een kerkdienst uit die kring mee te maken, en te noteren wat dat met je doet. Wanneer zo ongeveer elke zichzelf respecterende middelbare school wel eens met leerlingen een moskee bezoekt, waarom zouden we dan niet minstens van theologiestudenten mogen vragen dat ze ook eens een gereformeerde gemeente van binnen gezien hebben, ik noem maar iets.

Na die ‘doe-opdrachten’ om er in te komen – die trouwens ook prima gebruikt kunnen worden om de stof achteraf te verwerken – volgt steeds het meer analytische gedeelte, waarin we iets laten zien van de veelvoud aan manieren waarop het deelthema aan de orde is in Bijbel, traditie en het contemporaine denken. Maar waarin we ook steeds eigen lijnen trekken en beslissingen nemen. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met een literatuurlijst, waarbij we ernaar gestreefd hebben om (zonder hyperig te worden) ook zeer recente publicaties een plek te geven. Op die manier kan de lezer immers duidelijk worden, dat de dogmatische reflectie bepaald niet stilstaat maar op allerlei plekken in de wereld nog altijd zeer levendig en in veel gevallen ook zeer stimulerend is. Zolang christelijk geloof niet iets uit een grijs verleden is – en dat zal het op wereldschaal bezien nooit worden – zal ook dogmatische reflectie op de inhoud en relevantie ervan een actuele aangelegenheid blijven.

Wat de schrijfstijl betreft: we probeerden toegankelijk te schrijven zonder populair te worden. Er bevinden zich sterk narratieve passages in het boek, zoals het begin van hoofdstuk 5 (leest u dat!), maar ook meer conceptuele, waarin we soms fijnzinnige klassieke onderscheidingen natrekken. We mijden de Latijnse en Griekse vaktermen niet, maar leggen ze wel steeds even uit (althans: de eerste keer dat we ze gebruiken). De draden van Bijbel, traditie, en hedendaagse discussie zijn telkens weer op een andere manier met elkaar verweven, maar figureren alle drie in elk hoofdstuk.

4. Wat beogen we met dit boek? Ik heb al gezegd: allereerst het bieden van oriëntatie. Ik hoop dat bij heel veel bladzijden mensen zullen zeggen: ooo, dat wist ik niet. Of: ooo, zit dat zo! Het landschap van de dogmatiek is nu eenmaal ongemeen boeiend, en je komt er de meest intrigerende auteurs in tegen. We hebben dat willen doen in een hoge mate van congenialiteit jegens de traditie, zonder die slaafs en kritiekloos te volgen. Er zit veel Bijbel in het boek, dat past ook helemaal bij het simplex ordo klimaat dat we op de VU en aan de Amsterdamse vestiging van de PThU hebben. Maar we wilden nadrukkelijk ook nieuwe inzichten en ontwikkelingen verwerken, of het nu om wijsgerige, maatschappelijke of academisch-theologische ontwikkelingen gaat. Het is niet zeker geen repristinatie-theologie die we beoefenen, in allerlei hoofdstukken zijn we in gesprek met hedendaagse ook seculiere auteurs – of ze nu Herman Philipse, Victor Lamme of Daniël Kamphues heten. We bieden overzicht dus. Maar we zijn we hakken wel knopen door. We zijn niet alleen oriënterend, maar ook normerend bezig. Dat hoort nu eenmaal bij dogmatiek. Ook al doen we het als het even kan zo min mogelijk polemisch – de tijd dat we het ons kunnen permitteren ruzie te maken over haarkloverijen is voorbij – we doen het wel. Van der Kooi zal zo dadelijk iets meer zeggen over hoe en waar we het zoal doen.

Of we in onze missie geslaagd zijn, zal de toekomst moeten uitwijzen. In elk geval natuurlijk niet voor 100%. Ik heb zelf nu enige dagen het boek in huis, en kwam de eerste foutjes alweer tegen. Eén hele opvallende wil ik u niet onthouden. Hij staat op p. 30. Daar schrijven we dat we het geheel van dogmatiek-inclusief-hermeneutiek (we hebben die woorden dan net uitgelegd) wat losjes aanduiden met de term theologie. Maar dan staat daar een merkwaardig tussenzinnetje tussen. Er staat namelijk bij dat we dat “om te beginnen in de titel” doen. Maar dat is helemaal niet zo. In de titel komt het woord theologie immers niet voor. Dat tussenzinnetje had dus weg gemoeten. Het dateerde uit de tijd dat we er nog van uitgingen dat we ons boek Inleiding in de systematische theologie zouden gaan noemen, of iets van dien aard. We hebben het geen van beiden gezien bij het proeflezen, ook Arend heeft het laten staan, Tini heeft het laten staan – wat mij overigens wel even gelegenheid geeft om te zeggen dat jullie beiden werkelijk voortreffelijk werk verricht hebben bij het opmaken van de finale tekst van het boek. Zeer bedankt voor jullie fantastische hulp! Het foutje zullen we bij een eventuele tweede druk rechtzetten. Kopers van de eerste druk zullen even genoegen moeten nemen met deze voor hen onbegrijpelijke tussenzin.

H. Berkhof besloot inderdaad in de laatste fase van het werk aan zijn dogmatiek dat de triniteitsleer uit de godsleer verwijderd moest worden en als staartje aan christologie annex pneumatologie geplakt. Dat kostte hem toen nog heel wat extra werk. Maar wie het boek leest, treft geen spoortje meer aan van de oorspronkelijke opzet; de naden zijn perfect weggewerkt. Bij ons boek is dat dus anders, en eigenlijk vind ik dat ook wel weer schattig: op zo’n plek zie je ineens nog even de grondverf door de deklaag heen. En de goede lezer voelt aan dat het kennelijk even geduurd heeft voordat we genoeg moed bijeen geraapt hadden om de titel-knoop door te durven hakken ten gunste van dat aanstootgevende, vermaledijde en daarom vandaag de dag provocerende woord: dogmatiek. Op bladzijde 30 waren we zover nog niet. Ik kan echter zeggen dat we nú al blij zijn juist voor dat woord gekozen te hebben. Christelijke dogmatiek – korter en bondiger kan niet uitgedrukt worden wat we met ons boek willen bieden. En daar komen we dus ook maar rond voor uit.

Al met al hopen we dat het overzicht dat we met ons boek willen bieden zegenrijk zal werken voor individuele lezers, maar ook binnen de bredere verbanden van de kerken en van de academische theologiebeoefening.

Gijsbert van den Brink
VU/PThU Amsterdam



[1] Daarmee willen we overigens niet zeggen dat ons boek een rechtstreekse opvolger is van Berkhofs Christelijk geloof (Nijkerk 1973), al is het er qua opzet wel mee vergelijkbaar. Minstens zit daar nog dat andere overzichtswerk tussen: J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek (Kampen 1992).

[2] E.J. Beker & J.M. Hasselaar, Wegen en kruispunten in de dogmatiek, 5 delen, Kampen 1978-1990; dit ondanks het feit dat de achterflap van deel 1 vermeldt: ‘Prof. Hasselaar benoemde (…) in 1971 dr. Beker tot zijn medewerker’. O tempora o mores!