KunstReligie

Het heilige gebeurt

In het nieuwste nummer van het Nederlands Theologisch Tijdschrift verscheen een artikel over de relatie tussen theologie en poëzie met als casus Gerrit Achterberg. Hieronder vindt u de intro tot dit artikel, het volledige artikel kunt u downloaden voor € 3,25.

 

‘Het heilige gebeurt’: Een voortgezet gesprek over de relatie theologie-poëzie met als casus Gerrit Achterberg

 

Kan poëtische taal theologisch geduid worden? En zo ja, onder welke voorwaarden? Is daar een specifieke vorm van lezen voor nodig? Of liggen die twee werelden, die van de theologie en de poëzie, daarvoor te ver uit elkaar?

Naar aanleiding van het verschijnen in 2014 van Brinkmans boek over het godsbeeld van Achterberg, Marsman, Nijhoff en Gerhardt met als titel Hun God de mijne? zetten Brinkman en Goud hun onderlinge gesprek over een mogelijke theologische interpretatie van poëzie in deze bijdrage voort. Ze nemen als casus Brinkmans duiding van het werk van Achterberg. Hoe ziet Achterbergs (religieuze) wereld eruit? Kan die  theologisch geduid worden zonder onrecht te doen aan de strekking van het gedicht en/of de intentie van de dichter?

Achterbergs religieuze wereld
In Nijhoffs Verzameld Werk komen we een prachtige schets van Achterbergs poëtische intenties tegen in een verslag van een gesprek dat hij in 1950 met Achterberg had. Daarin citeert hij hem als volgt:

Het dichten is een ‘blinde bezigheid’. Nooit zien we van aangezicht tot aangezicht, want alles is tweevuldig. De zee is vloed en eb, de mens man en vrouw, de schepping dood en leven, het heelal atoomcel en sterrenruimte, het uur ogenblik en eeuwigheid, de daad goed en kwaad. Eén is alleen de Energie die alles verbindt, in spanning brengt en beweegt. God is Zoon en Vader, liefde en wet, genade en wraak. Eén zijn Beiden niet dan met de Derde Persoon, de Heilige Geest, de verbindende vibratie. Eén is alleen de Drievuldigheid. (…) Hoe kan het menselijk bewustzijn, tweevuldig verdeeld in subject en object, de Eenheid ooit verstaan? Alleen in het toekomstige ‘vers’, alleen in het gespannen vibrerende woord. (…) Het woord ‘doet’ niets, als het niet ‘gloednieuw’ is, als het niet door vlammende geest wordt ontstoken, als het geen gelijkenis vertoont met de taal die de apostelen met Pinksteren spraken.

Hier wordt het verlangen naar een gloednieuw woord en een toekomstig vers vertolkt. De woorden en namen van het christelijk geloof – zoals Vader en Zoon, liefde en wet, genade en wraak – doen, zo betoogt Achterberg, alleen nog iets wanneer ze van hun traditionele betekenis vervreemd worden en in een nieuwe context worden geplaatst. Wanneer de combinaties waarin ze figureren in de juiste spanning staan, vergelijkbaar met wat in de nieuwe taal van de apostelen het geval moet zijn geweest want
onder het samenkomen
van klank en wezen moeten
zin en begrip verdwijnen
(‘Pinksteren’)

Er zijn bij deze pregnante uitspraken allerlei uitroep- en vraagtekens te plaatsen: zijn de opgesomde tweevuldigheden alle zo eenvoudig onder één noemer te brengen, is de eenheid van het ‘van aangezicht tot aangezicht’ dezelfde als die van de alles verbindende Energie? Maar wat ons treft, is iets anders. Het is de zoektocht naar een gloednieuw woord en de gelijkstelling van apostelen en dichters. De theoloog wordt in dit licht beschouwd onvermijdelijk op afstand geplaatst. Hij/zij is in zijn interpreterende en reflecterende werk afhankelijk van de ‘first order’ taal van profeten en dichters. Hij zal zich van die afstand en die afhankelijkheid bewust moeten zijn en een gevoeligheid moeten ontwikkelen voor het andere en vreemde dat daar ter sprake komt.

 

Klik hier om het volledige artikel te downloaden (€ 3,25)

 

Opmaak 1