Theologie

Het bloed van Christus als een beter offer. De kruisdood als offer in het boek Hebreeën

In een themanummer van Interpretatie over de Bijbel en het offer mag een artikel over het boek Hebreeën niet ontbreken. (1) Hebreeën presenteert de dood van Jezus als het ultieme zoenoffer, van groot belang voor de mensheid. In dit artikel zullen we nagaan in welk kader we deze voorstelling moeten lezen, en wat de functie ervan is in het geheel van de brief. Verschenen in Interpretatie 22-3, mei 2014.

 

Het bloed van Christus als een beter offer
De kruisdood als offer in het boek Hebreeën

 

De wijze waarop Hebreeën Jezus’ dood interpreteert en presenteert, is binnen het Nieuwe Testament eigenlijk het sluitstuk van een ontwikkeling. Die ontwikkeling begon bij het historische feit van de dood van Jezus aan het kruis. Jezus, wiens komst volgens zijn volgelingen de door God beloofde nieuwe wereld inluidde, werd als een misdadiger gedood aan een kruis.
Maar zijn volgelingen interpreteerden zijn dood als deel van Gods heilsplan. Ze deden dat enerzijds door Jezus te portretteren als een lijdende rechtvaardige: een schuldeloos mens, gedood door slechte mensen, maar door God in het gelijk gesteld, opgestaan, en verhoogd in de hemel. We zien deze interpretatie onder andere in de synoptische evangeliën. Anderzijds legden ze de dood van Jezus uit als datgene wat nodig was om de verstoorde relatie tussen God en mens te herstellen: de dood van Jezus, Gods Zoon, zorgde ervoor dat God de christenen, de volgelingen van Jezus, zou onttrekken aan de straf die alle mensen eigenlijk ten deel zou moeten vallen. Het is niet moeilijk om de link tussen de tweede interpretatie en de offercultus te maken: ook het jaarlijkse joodse zoenoffer was bedoeld om God gunstig te stemmen, zodat hij het volk niet zou straffen voor begane zonden. In Hebreeën vinden we een uitgebreide doordenking van de gedachte dat Jezus’ dood het ultieme zoenoffer is. De vergelijking met oudtestamentische beschrijvingen van de joodse offercultus geeft extra reliëf aan de voorstelling.
In de latere systematische theologie speelt de visie van Hebreeën  op Jezus’ dood vaak een belangrijke rol. Anders dan bij Paulus of in de evangeliën lijkt in Hebreeën Jezus’ offer bijna een theoretisch, theologisch onderwerp te zijn, dat zich goed leent voor verdere dogmatische doordenking. Toch is het belangrijk om in te zien dat ook voor de auteur van dit bijbelboek, en voor zijn publiek, de schande van de kruisdood de aanleiding is voor de hele redenering: hoe past de kruisdood in Gods heilsplan met de mensen? We zien dat ook letterlijk terug in het boek, bijvoorbeeld in Hebreeën 12:2, waar de auteur ineens spreekt over de ‘schande van het kruis’. Nieuwtestamentisch theologiseren over de kruisdood moeten we altijd zien in het licht van een praktijk die mensen uit het dagelijks leven kenden: de marteldood aan een kruis die oproerkraaiers ten deel viel.

De reden om het boek te schrijven
Voor ons begrip van de offervoorstelling in Hebreeën is het ook belangrijk om de aanleiding voor het schrijven van het boek in het vizier te hebben. Een hoofdthema in het boek is afvalligheid. In Hebreeën 10:25 lezen we dat er sprake is van christenen die niet langer naar de samenkomsten komen. De auteur probeert zijn lezers ervan te overtuigen dat het christelijk geloof de uiting is van Gods nieuwe verbond, dat het oude verbond tussen God en zijn volk overbodig maakt. In Hebreeën 6:4-6 en 10:26-27 is de auteur zeer streng: wie afvallig wordt, heeft zijn kans verspeeld. In 6:6 wordt daarbij op een bijzondere manier naar de kruisdood verwezen: ‘Maar als je daarna je geloof opgeeft, dan spot je met de Zoon van God. Dan is het net alsof je hem zelf aan het kruis hangt.’(2)
Hoewel Jezus’ dood de verzoening voor alle zonden van de gelovigen brengt – een hoofdgedachte uit de theologie van Hebreeën –, is geloofsafval een onvergeeflijke zonde. De vermaning om bij de christelijke gemeente te blijven, omdat het christelijk geloof waar is, is de uiteindelijke reden voor de auteur om het boek te schrijven. Ook de grote uiteenzettingen over de dood van Jezus als offer dragen bij aan dat doel.

De dood van Jezus als beter offer
We zullen nu proberen in vogelvlucht het motief van Jezus’ dood als offer in context te lezen, en wat uitgebreider stilstaan bij enkele passages uit hoofdstuk 9. Aan het begin van Hebreeën wordt betoogd dat God Jezus vanuit de hemel naar de aarde gestuurd heeft, hem ‘voor een korte tijd minder belangrijk gemaakt heeft dan de engelen’ (2:9). Hij is mens geworden en heeft moeten lijden. Dat was nodig om ons mensen te kunnen redden (2:16-17). Dit geeft het kader aan: Jezus is afkomstig uit de hemel, van begin af aan een zeer bijzonder mens. De auteur introduceert, direct daarop aansluitend, aan het slot van hoofdstuk 2 het Jezus-als-hogepriester- motief. Dat hogepriesterschap vormt het kader waarin later de offerterminologie aan de orde komt. In hoofdstuk 4 en 5 wordt het hogepriester- thema nader uitgewerkt: Jezus is een heel andere hogepriester dan de gewone joodse hogepriesters. In hoofdstuk 7, een van de meest mysterieuze hoofdstukken uit het boek, probeert de auteur aan de hand van twee oudtestamentische Melchisedek- teksten uit te leggen wat het unieke van Jezus als hogepriester is. Jezus is namelijk priester kata tên taxin (‘volgens de [priester]orde’) van Melchisedek (Ps. 110:4). Melchisedek is ‘niet geboren en niet gestorven’ (Hebr. 7:3) en dus eeuwig, en bovendien staat hij boven de Levieten, de stam waaruit de joodse priesters voortkomen (7:4-10). De functie van Melchisedek in Hebreeën is om als oudtestamentische typologie voor Jezus te ‘bewijzen’ dat Jezus én eeuwig hogepriester was én beter dan de gewone joodse priesters.(3) We komen Melchisedek na hoofdstuk 7 niet meer tegen. Inmiddels weten we dus dat Jezus hogepriester is voor eeuwig en dat hij boven de joodse priesters staat. In hoofdstuk 8 wordt een nieuw element uitgediept, namelijk het feit dat Jezus hogepriester is in de hemel, in de ware, hemelse tabernakel (waarvan de aardse slechts een kopie is – Hebr. 8:5). Ook dat portretteert hem weer als belangrijker dan de joodse priesters. Bovendien is dit een onderdeel van Gods nieuwe verbond, Gods nieuwe afspraak met de mensen, die de oude, niet goed werkende afspraak vervangt.
Hoofdstuk 9 begint met een weergave van de oudtestamentische cultus. Er wordt verteld hoe de aardse heilige tent eruitzag. Benadrukt wordt dat je in die tijd niet echt bij God kon komen; alleen de hogepriester mocht het allerheiligste deel van de tent binnengaan. Dan volgt een belangrijke passage over het offer van Christus (waaruit we 9:11-15 citeren):

11-12) Christus is onze hogepriester geworden in de veel betere, heilige tent in de hemel. Die tent is niet door mensen gemaakt en hoort niet bij onze wereld. In die tent in de hemel heeft hij gezorgd voor alle goede dingen die nu gebeuren. Christus is daar voor eeuwig de allerheiligste ruimte binnengegaan. Hij bracht zijn eigen bloed mee als offer voor God, in plaats van het bloed van offerdieren. Zo heeft hij ervoor gezorgd dat mensen voor eeuwig gered kunnen worden. 13) Ons lichaam kan weer rein worden door het bloed en de as van offerdieren. 14) Maar door dit betere offer, het bloed van Christus, worden we ook diep van binnen rein. Christus had Gods eeuwige Geest in zich. En daarom kon hij zichzelf offeren, terwijl hij zelf niets verkeerds gedaan had. Dankzij dat offer kunnen wij op een goede manier leven en de levende God dienen.
15) Wij hebben ons niet gehouden aan Gods oude afspraak met ons. Maar Christus is gestorven om ons te bevrijden van alles wat we verkeerd gedaan hebben. Doordat hij zichzelf geofferd heeft, geldt nu Gods nieuwe afspraak.

Om te beginnen illustreert deze passage goed hoe in Hebreeën metaforisch spreken en historische werkelijkheid soms door elkaar lopen. Waar in vers 15 gesproken wordt over het historische feit van Jezus’ dood, zien we in vers 11-12 de voorstelling van Christus die zijn eigen bloed meeneemt als offer voor God. Hoe goed deze gedachte ook past in het betoog van de schrijver over de rol van Christus, het is natuurlijk niet letterlijk bedoeld.
Wat verder opvalt in deze passage, is dat het offer van Christus twee openingen biedt voor de gelovigen: ten eerste ‘eeuwige redding’, omdat het offer voor altijd de zonden weggenomen heeft; ten tweede zuivering, niet alleen van het lichaam, maar ook van het hart, diep van binnen, waardoor het mogelijk is om goed te leven en God op de juiste wijze te dienen (waarmee impliciet de vermaning in de brief gediend wordt: je kúnt immers de goede keuzes maken).
Ten slotte zien we in vers 15 dat het offer van Jezus ook het moment markeert waarop Gods nieuwe afspraak met de mensen gaat gelden, oftewel het moment waarop Gods nieuwe wereld begint (midden in de oude wereld, die nog niet definitief voorbij is). Verderop in hoofdstuk 9 lezen we opnieuw over de heilige tent in de hemel, en het offer dat Christus daar gebracht heeft, ten opzichte van de oudtestamentische offercultus. We citeren 9:25-28:

25-26) Christus hoeft zichzelf daar niet steeds opnieuw te offeren. Anders had hij vanaf het begin van de wereld telkens weer moeten lijden! Dat is anders bij de hogepriester. Die gaat wel elk jaar opnieuw de allerheiligste ruimte binnen. Maar die offert het bloed van een dier, en niet zijn eigen bloed. Christus heeft zichzelf één keer geofferd, toen Gods nieuwe tijd begonnen is. Daarmee heeft hij alle zonden weggenomen.
27) Ieder mens zal één keer sterven. Daarna zal God zijn oordeel over hem uitspreken. 28) Zo heeft ook Christus zichzelf één keer geofferd. Hij is gestorven voor de zonden van veel mensen. Hij zal opnieuw komen, maar dan niet om de zonden weg te nemen. Nee, hij zal komen om de mensen die op hem wachten, te redden.

In deze passage komt vooral naar voren dat het offer eenmalig is, en dat met dat offer de nieuwe tijd is begonnen. Interessant genoeg introduceert de auteur in het slotvers de parousie: Christus zal terugkomen, maar, zo waarschuwt hij, niet om nogmaals de zonden weg te nemen. Dat is al gebeurd. Als de nieuwe tijd, die nu al begonnen is, definitief zal doorbreken, zal Christus komen om uit te voeren wat reeds besloten is: wie gelooft, zal gered worden.

Tot slot
De beschrijving van Jezus’ dood als zoenoffer is in Hebreeën een onderdeel van de voorstelling van Jezus als hogepriester in de hemel. Zijn dood is het eenmalige, definitieve offer in de ware, hemelse tempel, waarmee de zonden weggenomen zijn. Met dit offer gaat Gods nieuwe afspraak met de mensen in, en breekt Gods nieuwe wereld aan. En het offer reinigt niet alleen de buitenkant, maar ook de harten van mensen, zodat ze God op de juiste wijze kunnen dienen. Dat wil zeggen: mensen moeten tot geloof komen, zich aansluiten bij de christelijke gemeente, en vooral niet afvallig worden. Want de ware, hemelse hogepriester zorgt ervoor dat mensen bij God kunnen komen. Ze zijn gered, en dat zal blijken bij zijn terugkeer op aarde. En zo blijkt het ogenschijnlijk theologisch-systematische relaas van Hebreeën over Jezus’ dood als offer uiteindelijk een belangrijk ingrediënt voor een vermaning: blijf geloven en zorg dat je gered wordt!

 

Dr. R. Buitenwerf is algemeen directeur van het Nederlands Bijbelgenootschap. Hij is als bijbelwetenschapper gepromoveerd aan de Universiteit Leiden.

 

Literatuur
Twee aanbevolen commentaren bij Hebreeën (gebruikt voor dit artikel):
– H.W. Attridge, The Epistle to the Hebrews, a Commentary on the Epistle to the Hebrews (Hermeneia), Philadelphia 1989.
– E. Grässer, An die Hebräer I-III (EKK 17), Zürich 1990-1997.

Noten
1. Waar mogelijk wordt de tekst geciteerd uit de Bijbel in Gewone Taal, die in het najaar van 2014 zal verschijnen. Ik heb meegewerkt aan de vertaling van het boek Hebreeën. De Bijbel in Gewone Taal is de duidelijkste vertaling van de Bijbel uit de grondtalen die ooit in het Nederlands is gemaakt. Juist bij de ingewikkelde nieuwtestamentische brieven is deze vertaling voor de lezer zeer behulpzaam bij het doorgronden van de structuur en de redeneringen.
2. De gebruikelijke vertaling ‘opnieuw kruisigen’ ligt minder voor de hand: het Griekse woord anastauroô wordt gewoonlijk gebruikt voor ‘kruisigen’.
3. Er wordt vaak gesproken over de mogelijke verwantschap tussen Hebreeën en de Qumran-fragmenten over een hemelse Melchisedek. Mijns inziens bestaat die verwantschap alleen uit de speculatie over een bovennatuurlijk bestaan van Melchisedek op grond van de schaarse oudtestamentische informatie. Het is niet nodig om achter Hebreeën een uitgebreide traditie over een ‘eeuwige’ Melchisedek te veronderstellen.

 

Interpretatie