Geen categorieOverige

Het belang van Bonhoeffers Ethik – door dr. Edward van ’t Slot

Dietrich BonhoefferMaandag 21 mei 2012 werd in de Thomaskerk in Amsterdam de eerste Nederlandse vertaling van de Ethik van Dietrich Bonhoeffer gepresenteerd. Dr. Edwart van ’t Slot hield een lezing waarvan we de integrale tekst op Theoblogy publiceren. We danken de heer Van ’t Slot hartelijk voor het ter beschikking stellen van de tekst. Volgende week publiceren we de teksten van de andere lezingen die tijdens de presentatie zijn gehouden.

Lezing
We zijn hier bij elkaar voor een gebeurtenis van enorm theologisch belang. Eindelijk, mag ik wel zeggen, 63 jaar na de eerste uitgave en 70 jaar nadat Bonhoeffer zijn gedachten op papier zette is er dan de Nederlandse vertaling van Bonhoeffers Aanzetten voor een ethiek. Dat is een gebeurtenis die ik zou willen vergelijken met het verschijnen van de eerste integrale vertaling van Barths Brief aan de Romeinen, 4 jaar geleden, het verschijnen van grote nieuwe vertalingen van belangrijke Calvijnteksten 3 jaar geleden en van een toegankelijke vertaling van Luthers De servo arbitrio (Kiezen is dienen), 2 jaar geleden.

Om Bonhoeffers boek naast deze mijlpalen in de geschiedenis van de theologie te zetten lijkt misschien wat al te ferme taal: als je dan teksten van Bonhoeffer wilt noemen die qua belang in de schaduw kunnen staan van Luthers, Calvijns en Barths belangrijkste teksten dan zou je toch eerder denken aan het explosieve materiaal uit zijn gevangenisbrieven (Verzet en overgave) of misschien aan zijn geliefde en veelgelezen boek over de Navolging. Toch aarzel ik niet lang om ook de Ethiek, juist de Ethiek, in dit rijtje te plaatsen. Ik zal zo meteen uitgebreid uit de doeken doen waarom ik denk dat we hier misschien wel te doen hebben met de belangrijkste Bonhoeffertekst die we bezitten. Maar in ieder geval hoop ik dat de vergelijking ook in dit opzicht op zal gaan: toen de vertaling van Barths Brief aan de Romeinen verscheen, moest er binnen de kortste keren een tweede druk komen. Vermoedelijk was er een grote schare van predikanten en andere theologen die dachten: ‘nu is dat belangrijke boek ook voor mij goed te lezen!’ En zij buitelden over elkaar heen in hun run op de boekhandel. Of dat bij de Luther- en Calvijnvertalingen ook zo ging, durf ik niet te zeggen, maar daar ging het voor mij persoonlijk in ieder geval op: dankzij deze vertalingen kwamen hun teksten ineens nog een stuk dichterbij, ze werden toegankelijker en veelzeggend als nooit tevoren. Ik hoop van harte dat deze vertaling van Aanzetten voor een ethiek op velen dezelfde uitwerking zal hebben: dat er een gesloten boek voor hen open zal gaan (en dat een tweede en derde druk al snel noodzakelijk worden).

Het is mij dan ook een eer dat ik als kersverse voorzitter van de Nederlandstalige afdeling van het Bonhoeffer Werkgezelschap juist bij deze gelegenheid mag opdraven om aan onze blijdschap over deze gebeurtenis lucht te geven – en mede namens het Werkgezelschap dank ik u van harte voor de uitnodiging om vanavond wat te komen zeggen over het belang van Bonhoeffers Aanzetten voor een ethiek.

Ik zal dat doen in drie blokken. Allereerst wil ik iets vertellen over wat dit boek bij mij persoonlijk allemaal heeft losgemaakt. Vervolgens hebben we het over de plek die dit boek inneemt in Bonhoeffers oeuvre, oftewel we zullen de vraag stellen: welke Bonhoeffer komen we hier eigenlijk tegen? En tenslotte wil ik wat zeggen over de mogelijke actualiteit, anno 2012, van Bonhoeffers inmiddels toch decennia-oude gedachten. Dat laatste is natuurlijk het meest interessant, maar juist daar zal ook ik in aanzetten moeten blijven steken. Juist op dit punt zal het boek de komende tijd voor zichzelf moeten gaan spreken.

1. Wat heeft mij persoonlijk getroffen in Bonhoeffers Ethik?
Bij mijzelf is het met dit boek allemaal begonnen. In mijn tweede of derde jaar als theologiestudent hoorde ik in een lezing een citaat uit de Ethik: de naam van de man die de lezing gaf ben ik vergeten en ook het precieze citaat weet ik niet zeker meer – maar ik weet wel dat ik, hoewel ik niet snel achter iets wat nieuw voor me is aan zal hobbelen, ‘getriggerd’ was en in de volgende week meteen naar het antiquariaat ben gefietst en voor 20 gulden een Ethik heb gekocht om nader kennis te maken met deze Bonhoeffer. In mijn herinnering had het citaat dat mij pakte te maken met de betekenis van Jezus’ kruisdood: en inderdaad las ik daar bij Bonhoeffer dingen over die ik nog nooit eerder gehoord had maar die me wel heel raak leken.

Achteraf denk ik dat de volgende beschrijving van wat er aan het kruis nu eigenlijk gebeurt, mij toen gefascineerd heeft – en het fascineert me nog steeds:

‘Ecce homo – zie wat een mens! … Niet idealen, programma’s, niet geweten, plicht, verantwoordelijkheid, deugd, maar enkel en alleen de volkomen liefde van God kan de werkelijkheid [tegemoet treden] … De liefde van God voor de wereld trekt zich niet uit de werkelijkheid terug in edele zielen, die zich hebben losgemaakt van de wereld, maar ze ervaart en doorlijdt de werkelijkheid van de wereld in al haar hardheid. Aan het lichaam van Jezus Christus leeft de wereld zich uit. De gemartelde echter vergeeft de wereld haar zonde. Zo geschiedt de verzoening. Ecce homo (64).’

Hier wordt, zoals we dat in de kerk graag zien, en in ieder geval zoals ik dat toen ik kennismaakte met Bonhoeffer graag zag, ernst gemaakt met de beslissende rol die Jezus speelt in de geschiedenis van God met de mensen – en dus in de geschiedenis überhaupt. Tegelijkertijd is Bonhoeffer zich er duidelijk intens van bewust dat niet de hele wereld zomaar zal beamen dat er in de beschrijving van de werkelijkheid zo’n centrale plaats opgeëist moet worden voor Christus, en dan nota bene vooral voor een gekruisigde Christus. Middenin de wereld staat Jezus, de hardheid van de werkelijkheid ondergaat hij aan den lijve. Dat die rol van allesbeslissende betekenis is, zal te allen tijde een verborgen inzicht blijven: dat is met de aard van zijn optreden gegeven. Jezus gaat lijdend, weggedrukt uit een wereld waar hij juist middenin wil staan, zijn weg. En dat heeft gevolgen voor iedereen die handelend in zijn spoor wil gaan.

Wat mij betreft zijn zulke gedachten uiterst origineel en blijven ze aan het denken zetten. En deze gedachten hangen direct samen met twee andere thema’s uit de Ethik die typerend zijn voor Bonhoeffer en die voor mij van existentieel belang zijn geworden. Het eerste thema is dat van het middenin de wereld staan van Christus. Omdat God in Jezus mens is geworden om handelend, liefhebbend, lijdend, verzoenend in de mensenwereld rond te gaan, mag niemand zijn neus meer voor diezelfde wereld ophalen. Een christen mag zich niet terugtrekken uit de ‘profane’ wereld in één of andere sacrale wereld en zo de echte wereld aan haar lot overlaten. De kerk staat juist middenin het dorp, zoals Bonhoeffer later vanuit de gevangenis schrijven zal, en daar moet ze ook willen staan. De kerk zal het moeten afleren om in twee ruimtes te denken en pas wakker te worden als het gaat over laatste vragen rond hemel, vergeving, rechtvaardiging, eeuwigheid, leven na de dood. Die grote ‘laatste’ woorden worden volstrekt oninteressant wanneer ze niet verbonden worden met een totale loyaliteit aan wat Bonhoeffer het ‘voorlaatste’ noemt: juist als het gaat om eenvoudig, middenin de wereld, gerechtigheid te doen, zal de kerk wakkerder moeten zijn dan ooit.

Voor mij persoonlijk is dat de nekslag geworden voor een overgeestelijk geloof dat met het hoofd in de hemel loopt, een geestelijke of spirituele redding als de kern van leven en geloven ziet, en zo de aarde dreigt te vergeten. De opdracht is duidelijk: dit, deze wereld, de plek waar je nu staat, is de plek waar geloofd en gehandeld moet worden, de plek waar het alles of niets is, de plek waar het om gaat. Laatste woorden, waarmee een waardering of een oordeel over mijn leven en geloven wordt uitgesproken, kunnen alleen maar door God gesproken worden. Soms zal dat ook het woord ‘vergeving’ moeten zijn, wanneer ik toch, al wikkend en wegend, verkeerd heb gehandeld. Dat moet ik maar zoveel mogelijk aan God overlaten. Belangrijker is het dat ik zondaar durf te zijn en mij niet door een misplaatste angst voor de zonde laat weerhouden van de daden waar de wereld om schreeuwt. Ga jij, liet ik me door Bonhoeffer zeggen, nu maar in de wereld staan.

Hoe doe je dat dan? Daar komt het tweede thema, dat me zo mogelijk nog meer te zeggen had, om de hoek kijken: het thema van het concrete gebod. Omdat God diep geïnteresseerd is in de werkelijkheid, deelneemt aan de werkelijkheid, kunnen zijn opdrachten (of geboden) nooit losgezongen zijn van die werkelijkheid. De Bijbelse geboden drukken geen abstracte algemeenheden uit, geen prachtige idealen of onverbiddelijke regels die de werkelijkheid en de gelovige met geweld worden opgelegd. Bonhoeffer schrijft:

‘er moet … concreet geleefd en gehandeld worden. Verstand, kenvermogen, opmerkzame waarneming van het gegevene komen hier in volle actie. Daarbij zal het gebod alles omvatten en doordringen (232). Gods gebod … is altijd een concreet spreken tot iemand, nooit een abstract spreken over iets of iemand. … Het is niet alleen moeten, maar ook toelaten, het verbiedt niet alleen, maar het bevrijdt ook tot het echte leven, het bevrijdt tot spontaan handelen, … zonder dat het altijd tot het bewustzijn hoeft door te dringen. … Het gebod als element van het leven betekent vrijheid van beweging en van handelen, vrijheid van angst voor een beslissing, voor de daad, het betekent zekerheid, rust, vertrouwen, gelijkmatigheid, vreugde. … Het gebod van God is de toestemming om als mens te leven voor Gods aangezicht (275-276).’

Dit woord ‘toestemming’ heeft mij diep en bevrijdend geraakt. Beslissingen kun je meestal maar één keer nemen. Zo zit het leven nu eenmaal in elkaar. Maar dat is ook het leven waar Christus in is gaan staan en waar hij ons in zet. Dat betekent dat God geen onmogelijkheden van mij vraagt, hij wil dat ik in het hier en nu leef, ophoud met tobben, beslissingen neem en mijn weg ga. Bonhoeffer, zoon van een vooraanstaand psychiater uit Berlijn, blijkt hier zijn lezer (en ik denk ook zichzelf) psychologisch gezien scherp in de peiling te hebben. Hoeveel mensen blijven er niet altijd weer hangen in introvert getob over de vraag wat ze nu het beste kunnen doen. Dit boek heeft mij mijn angst om te handelen, en de neiging om steeds aarzelend terug te komen op eenmaal genomen beslissingen, ontnomen.

Tegelijkertijd, besef ik, blijf ik met al deze opmerking misschien nog steeds erg dichtbij mijn eigen kleine tobberijen en mijn eigen spiritualiteit. Het boek waar we het over hebben bevat Aanzetten voor een ethiek. Het gaat hier om handelen: er moet breed, groots, wereldveranderend opgetreden worden, zeker in de tijd dat Bonhoeffer deze dingen opschrijft: middenin de oorlog. Dat brengt me bij het volgende deel van mijn verhaal: welke plek neemt deze Ethik eigenlijk in in het leven en werk van Bonhoeffer?

2. Aanzetten van een ‘tijdgenoot’
‘Soms denk ik,’ schrijft Bonhoeffer vanuit de gevangenis, ‘dat ik mijn leven eigenlijk min of meer achter me heb en alleen nog mijn ethiek zou moeten afmaken (12-13).’ Alleen zo’n zinnetje van een jongverloofde 37-jarige geeft al wel aan, dat hij de Ethik zo ongeveer beschouwde als zijn levenswerk of in ieder geval als een roeping, als de belangrijkste klus die hij op dat moment onder handen had. Als de Ethik voltooid zou zijn, was het doel van dat moment ook wel bereikt. Bonhoeffer moet dus wel het idee hebben gehad dat hij in deze Ethik dingen te vertellen had, die je bij een ander niet zomaar te lezen zult krijgen – zelfs niet bij bijvoorbeeld Karl Barth. ‘Ik maakte mezelf verwijten,’ schrijft hij in een andere brief aan zijn vriend Eberhard Bethge, ‘dat ik de Ethik niet voltooid heb … en het troostte me een beetje, dat ik het wezenlijke aan jou heb verteld, en als jij het ook niet meer zou weten, dan zou het toch op de één of andere indirecte manier wel weer ergens opduiken (DBW 8, 188).’

Bij het schrijven van zijn Aanzetten voor een ethiek bevond Bonhoeffer zich middenin een proces dat Bethge heeft omschreven als zijn transformatie tot ‘tijdgenoot’. Hoewel zulke woorden al snel iets al te schematisch’ hebben, is dit wel een verhelderend woord om de plek van Bonhoeffers boek in zijn eigen biografie te verduidelijken. Bonhoeffer heeft vóór de Ethik al prachtige boeken geschreven die staan als een huis: denk aan de Navolging en aan Gemeenschapsleven. Maar deze boeken zijn overduidelijk geschreven voor de kerk, of voor een groep binnen de kerk, tegen misstanden binnen die kerk, met als doel de positie van de kerk in de wereld en ook wel tegenover de wereld radicaal en consequent te doordenken. Na het schrijven van deze boeken is Bonhoeffer betrokken geraakt bij geheime verzetsgroepen die niets met de kerk te maken hadden – integendeel. Terwijl Bonhoeffer moest toezien hoe het deel van de kerk waarin hij zich bewoog hopeloos vastliep in allerlei compromissen, vragen rondom belijdenis en kerkstructuur, en de drang tot zelfbehoud, kwam hij in het verzet vrienden tegen die niet wilden weten van God of kerk en toch – het enige goede deden. Met deze mensen werd hij ‘tijdgenoot’, met hen deelde hij het staan in een wereld waar de kerk zich wel van af leek te keren. Dat heeft zijn vraag over de positie van de kerk in de wereld, en over het handelen van christenen in de samenleving, veranderd. Minder dan ooit is de kerk een afgebakende groep die in de radicale keuzes die zij maakt, tegenover de wereld moet staan – en meer dan ooit kan degene die het gebod van God verstaat solidair zijn met de wereld. In principe kan dat zelfs betekenen dat degene die het gebod gehoorzaamt, een eenling wordt en ook tegenover de kerk komt te staan; dat zo iemand de juiste vragen weet te stellen waar de kerk uit zelfbehoud blijft steken in achterhaalde vraagstellingen uit vervlogen tijden. Het zijn gedachten die Bonhoeffer in de gevangenis verder heeft ontwikkeld – ik noemde het al explosief materiaal. Tegelijkertijd heeft Bonhoeffer de radicaliteit die ook in zijn vroegere boeken zo duidelijk naar voren komt, het compromisloos willen gehoorzamen aan Gods gebod van het moment, nooit willen opgeven. Zo vormen de Aanzetten voor een ethiek inderdaad een gedachtepatroon dat niemand anders dan Bonhoeffer gestalte had kunnen geven.

In dezelfde brief aan Bethge schrijft Bonhoeffer ook: ‘mijn gedachten waren natuurlijk ook nog onaf.’ De lezer van de Aanzetten zal merken dat dit klopt. Je stapt hier niet in een afgerond bouwwerk, je loopt hier rond op een bouwplaats, work in progress. Je wordt meegenomen op een zoektocht. Misschien is dat ook wel een deel van de charme van het boek, hoeveel moeilijkheden het de vertalers ook zal hebben bezorgd. De levensgrote vraag naar verantwoord en grensverleggend handelen, middenin de wereld, als kerk, en voor jezelf, de vraag welke consequenties je aan de gedachten van Bonhoeffer moet verbinden, die vraag staat springlevend en onafgerond voor je. Of, zoals Bonhoeffer zelf, opnieuw vanuit de gevangenis, schreef over zijn ‘fragmentarische existentie’:

‘Het komt er wellicht alleen op aan of men aan het fragment van ons leven nog ziet, hoe het geheel eigenlijk was aangelegd en gedacht en uit welk materiaal het bestaat. Er bestaan fragmenten, waarvan de voltooiing alleen een goddelijke zaak kan zijn; fragmenten dus, die fragmenten moeten zijn (DBW 8, 335-336).’

3. Actualiteit van de Aanzetten
Bonhoeffers boek komt dus op ons af als een werkstuk, dat wil zeggen als een stuk waarmee we aan de slag zullen moeten. In alle voorlopigheid zou ik nog twee van die opdrachten die uit het boek op ons afkomen over het voetlicht willen brengen. Allereerst is Bonhoeffers Ethik wat mij betreft onverminderd actueel in zijn omgang met de secularisatie. De verleiding is levensgroot om als kerk aan een zijlijn te gaan staan en alleen maar ‘ach’ en ‘wee’ te roepen bij de ontwikkelingen waarin de wereld steeds verder van God los lijkt te raken, ontwikkelingen waarin de wereld zichzelf ook hoe langer hoe meer als los van God verstaat. De kerk moet dan aantonen dat het geseculariseerde leven arm en leeg is. Of ze moet misschien laten zien hoe zulk leven in feite één levensgrote schreeuw naar God is. ‘Kom terug!’ is dan het enige wat de kerk kan roepen – vanaf de zijlijn. Zulk denken, zo’n ‘oplossing’ voor het vraagstuk van de seculariteit, is Bonhoeffer wezensvreemd. Bonhoeffer stelt de vraag of er in de secularisatie ook niet vooral een waarheidselement zit, of juist de secularisatie ons bijvoorbeeld niet beter dan ooit laat begrijpen hoe aards het evangelie is: hoezeer het, in plaats van in twee ruimten te denken en zich terug te trekken in een sacrale ruimte, gericht is op onze aarde en middenin onze alledaagse werkelijkheid wil staan, en hoe vaak juist dit element niet is weggeraakt en verdoezeld in kerk en theologie. Ook Bonhoeffers omgang met een filosoof als Nietzsche spreekt boekdelen. We kunnen deze filosoof met de hamer eenvoudig aan de kant zetten met het idee dat hij van het christelijk geloof maar bar weinig begrepen heeft. Maar we kunnen ons ook afvragen, en dat is de lijn van Bonhoeffer, of deze filosoof niet haarfijn heeft aangevoeld hoezeer de kerk zichzelf soms ontrouw is geweest in haar verloochening van de aarde (83-84). De secularisatie, hoe pijnlijk dat ook is voor de kerk, is ook een proces van ontmaskering voor de kerk.

Zulke geluiden worden nog veel te weinig gehoord. Bijvoorbeeld in het dikke nieuwe boek over de kerk van dr. A. van de Beek kom ik vooral waarschuwingen tegen tegen de geest van onze eeuw. En natuurlijk zit daar ook wat in. Maar we zullen anno 2012 ook echt te rade moeten gaan bij Bonhoeffer, en ik zou zeggen: allereerst bij hem.

Het tweede en laatste punt dat ik onder de aandacht zou willen brengen is het specifiek christelijke van Bonhoeffers staan in een geseculariseerde wereld. Want er is geen twijfel over mogelijk: voor Bonhoeffer is de komst van Christus in deze wereld het begin en het einde van alle mogelijke ‘aanzetten voor een ethiek’. Dat maakt het buitengewoon lastig zijn denken te vergelijken met allerlei filosofische aanzetten voor een ethiek. Ik noemde Bonhoeffers liefde voor het concrete leven. Het leven moet concreet geleefd worden; de vlucht in allerlei ideeën en idealen beschouwt hij werkelijk als een vlucht. Het zijn gedachten en een woordkeus die zouden kunnen doen denken aan bijvoorbeeld de filosofie van Sartre, die ook een levenshouding predikt waarin dit concrete leven in vrijheid geleefd moet worden. En als Bonhoeffer er de nadruk op legt dat het gebod van God concreet is, middenin het leven landt en dus in iedere situatie om nieuw luisteren en om een nieuwe toepassing vraagt, kan hij beschouwd worden als een vrome pragmaticus of voorvechter van een situatie-ethiek. Maar al deze typeringen, hoezeer ze ook onderstrepen dat Bonhoeffer ons juist zo aanspreekt als een echt kind van onze tijd, zijn er toch naast – en dat heeft alles te maken met het specifiek christelijke karakter van zijn Aanzetten; het heeft alles te maken met de hoop en het vertrouwen die er uit deze Aanzetten spreken, of: het heeft alles te maken met Bonhoeffers specifieke onderscheid tussen ‘laatst’ en ‘voorlaatst’. Wie aanzetten geeft voor een ethiek houdt zich bezig met het voorlaatste, en dat is in Bonhoeffers optiek ook precies wat ons geboden is. Maar we moeten dat doen omwille van het laatste (115). Ons handelen middenin de concreetheid van de aardse werkelijkheid wordt zo uiteindelijk een wegbereiding voor de Heer. God zal aan ons beperkte handelen uiteindelijk vruchten verlenen die ver boven de menselijke maat uitreiken. Anders gezegd: de wereld waarin wij handelen moeten, de ruimte waarin het gebod klinkt, is vooral ook de ruimte waarin we om Christus’ wil met goede moed kunnen handelen. Voor defaitisme is in deze ethiek nergens ruimte. We hebben hier te maken met een ethiek die energie geeft. Zo’n ethiek is altijd actueel.

Graag feliciteer ik de beide vertalers van harte met deze prachtige uitgave. Ik hoop dat velen zich over hun werk mogen buigen en dat het zo z’n vruchten mag afwerpen in de kerk en ook verder in de samenleving.

Edward van ’t Slot, 21 mei 2012


Dr. Edwart van ’t Slot is voorzitter van de Nederlandstalige afdeling van het Bonhoeffer Werkgezelschap. Hij promoveerde in 2012 cum laude op het onderwerp Bonhoeffers kritiek op Barths actualistisch geloofsbegrip.

 

1 reactie

  1. Marien Grashoff
    30 mei 2012 om 09:54

    Opnieuw de aloude theologische onzin: ‘omdat God in Jezus mens is geworden…’ Dat is nu precies NIET wat Johannes ons zo zorgvuldig onderwijst. Het Woord werd vlees, niet God. Jezus is in al zijn debarim Leraar, niet OLH op Kousevoeten. “God is door niemand gezien – het enig kind [en niet die dwaze lezing van Nestle-Aland27] dat in vaders hart is gesloten, hij legt hem ons uit.” Omdat Jezus Gods liefde en trouw – chesed we’emet – onvoorwaardelijk leeft tot voorbij het uiterste, wordt het Woord tastbaar onder ons. Dichter bij God komen kan niet, maar dat is genoeg.

    Jammer dat Barth hier al weer wordt gebruikt als struikelblok. Ik heb het verhaal verder niet meer gelezen.