KerkKerkgeschiedenis

Hemels Hoevelaken: Religiegeschiedenis van een valleidorp

Zaterdag 28 september organiseerde de Stichting Kerken in de Schijnwerper een feestelijk symposium ter gelegenheid van Nijkerk 600 jaar. Tijdens het symposium vond de presentatie plaats van het omkeerboek Heilig Nijkerk / Hemels Hoevelaken geschreven door John Exalto en Fred van Lieburg. Diverse sprekers waaronder Leo Fijen, Henk Vreekamp, Mechteld Jansen verzorgden een inleiding. Hieronder de bijdrage van John Exalto.

Nijkerk en Hoevelaken vormen het decor van een beslissende gebeurtenis in mijn familiegeschiedenis. Ik vertel het hier als toegift op de religiegeschiedenis die vandaag wordt gepresenteerd. Cornelis Exalto werd geboren in 1923. Hij groeide op in Linschoten onder de rook van Woerden. Zijn vader trok als handelaar in potten en pannen met een hondenkar langs de deuren. Cornelis en zijn drie broers gingen na de lagere school als boerenknecht in de nabije omgeving aan het werk. Op zondag liep het gezin naar de hervormde gemeente van Montfoort. Daar stond ds. J.H. Koster, een predikant die een grote reputatie had in bevindelijk gereformeerde kringen. Een broer van Cornelis, de latere predikant Klaas Exalto, noemde ds. Koster eens ‘een wonderlijk sinjeur, die alles vergeestelijkte. Maar préken kon hij, uren aan één stuk.’ Deze dominee Koster was qua bevindelijke radicaliteit te vergelijken met de veel bekendere ds. Jan Pieter Paauwe, de ds. Poort van Jan Siebelink. Het hervormde kiescollege van Hoevelaken had Paauwe in 1909 bovenaan het lijstje te beroepen predikanten gezet, maar hij bedankte.

Moeder Teuntje Exalto-Doornekamp was de baas in het huis met de vijf mannen, en nam het gezin doordeweeks mee naar kerkdiensten in de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Gemeenten. In de oorlog doken de vier jongens onder om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen. Ze vonden onderdak op Veluwse boerderijen. Cornelis zwierf van boerderij naar boerderij en zat sinds 1944 in Putten; als de Duitsers kwamen, spoedde hij zich naar een verborgen ruimte boven de hooizolder. Door zich schuil te houden in een boerenkoolveld, ontkwam hij aan de razzia van Putten. Na de oorlog kreeg de boer waar hij ondergedoken was, bezoek van een vriend, Leendert Wijting uit Amersfoort, oefenaar, dat wil zeggen een voorganger die niet bevoegd was de sacramenten te bedienen, oefenaar in algemene dienst bij de Gereformeerde Gemeenten. Wijting zou doorreizen naar Nijkerk en Cornelis kreeg de opdracht hem achterop een fiets met houten banden weg te brengen. De reis voerde naar de Nijkerkse familie Blankestijn, een gezin rijk aan ongehuwde dochters. Het was liefde op het eerste gezicht tussen Cornelis en Hendrika. In 1947 trouwden ze in de Gereformeerde Gemeente van Nijkerk. De huwelijksdienst werd geleid door ds. Jozias Fraanje uit Barneveld. Zowel Nijkerk als Hoevelaken kenden zogenaamde Fraanjekerkjes, afdelingen van de moedergemeente Barneveld die aan het begin van de jaren twintig werden gesticht en waar op zondag preken werden gelezen en doordeweeks predikanten voorgingen. De Nijkerkse afdeling aan de Brink werd in 1936 een zelfstandige gemeente.

Cornelis en Hendrika vonden woonruimte in Nijkerkerveen; hij verdiende de kost als los werkman en boerenarbeider. In Nijkerkerveen werkte hij nauw samen met Jan de Groot, de latere preeklezer van het Fraanjekerkje in Hoevelaken, die nog weer later dominee werd. De familieoverlevering vertelt niet of de jonggehuwden zich aansloten bij het Fraanjekerkje in Hoevelaken of in Nijkerk. Het kerkje in Hoevelaken zal hij zeker doordeweeks bezocht hebben om zijn favoriete dominee Mallan te beluisteren. Het Fraanjekerkje van Hoevelaken trok weinig publiek en werd in 1960 opgeheven. De hervormde gemeente van Hoevelaken lijkt buiten het gezichtsveld van Cornelis Exalto te hebben gelegen. Ik vermoed dat ds. Jan van Amstel hem te weinig bevindelijk was en te veel een aanhanger van de Gereformeerde Bond, een activist die alles wilde organiseren. In 1953 vertrok het gezin Exalto, inmiddels verrijkt met twee kleine kinderen, naar de stad Utrecht. In het kader van de wederopbouw was daar werk in overvloed. Maar die verhuizing was ook een vlucht, een vlucht voor familieleden die het jonge gezin wilde pressen zich aan te sluiten bij de Filadelfia-gemeente van Jacobus den Hartog uit Culemborg, een lekenprediker die zijn eigen kerk was begonnen omdat de Geest uit de vaderlandse kerk was geweken. Cornelis Exalto sloot zich bij verschillende Utrechtse schuurkerkjes aan. Later was hij weer hervormd, maar hij eindigde zijn leven als lidmaat van de Gereformeerde Gemeente in Nederland buiten verband, het kerkgenootschap waar elders in het land zijn oud-collega uit Nijkerkerveen Jan de Groot al enkele decennia predikant was.

Godsdienst, religie, geloof en kerk in Hoevelaken laten zich op verschillende manieren beschrijven. Ik benoem hier vijf benaderingen die op Hoevelaken toegepast kunnen worden.

Je kunt, in de eerste plaats, godsdienst benaderen vanuit de genealogie. Daarbij kun je de sterke verbondenheid van bepaalde familiegeslachten met een bepaalde geografische plek thematiseren. In de kerkelijke archieven van Hoevelaken kom je decennialang de namen Beitler, Vreekamp, Veldhuizen, Pleizier en nog enkele anderen tegen. Daarnaast zijn er passanten en voorbijgangers zoals Cornelis Exalto. Onderzoek naar de genealogische data van Hoevelaken in combinatie met het kerkelijk archief van de 19e en 20e eeuw kan interessant materiaal opleveren. Dan leer je bijvoorbeeld dat de tovenaar van Hoevelaken en de tovenaar van Stoutenburg, boer Vreekamp en boswachter Kuijt, elkaar op zondag bij de kerk ontmoet moeten hebben. Ik zal straks nog op die tovenaars terugkomen. Een interessante vraag is hoe honkvast de Hoevelakers zijn; in dit kader zou het ook de moeite waard zijn het oudste document van Hoevelaken te analyseren, de opgave van de zogeheten zaadgelden uit 1378, een lijst met grondeigenaren die een deel van de opbrengst van de oogst wegschonken voor het levensonderhoud van de pastoor.

De lijst met zaadgelden brengt me bij het tweede perspectief vanwaaruit je godsdienst in Hoevelaken kunt bestuderen, namelijk het bestuur en beheer van de kerk op lokaal niveau. Daarbij zijn vragen aan de orde als de relatie van de kerk tot de ambachtsheer en het lokale bestuur, het werk van de kerkvoogdij en het financiële beheer. Dit perspectief kun je ook de religieuze bestuursgeschiedenis noemen. Voor Hoevelaken heeft mr. Aart Veldhuizen hierover geschreven.

De ambachtsheerlijkheid Hoevelaken was lange tijd in handen van de familie Van Lijnden en ging halverwege de negentiende eeuw over op de familie Schimmelpenninck van der Oye. De Schimmelpennincks hebben veel voor Hoevelaken betekend. Ze stichten een school, vulden het financiële tekort van de diaconie aan en schonken de kerk een orgel. De ambachtsheer was gewoonlijk president-kerkvoogd en bezat het collatierecht bij de beroeping van een nieuwe predikant. De laatste Schimmelpenninck werd in 1914 in de grafkelder onder de kerk begraven. Het was luitenant-generaal Jan Elias Nicolaas baron Schimmelpenninck van der Oye, voorzitter van de Eerste Kamer. Twintig pachters droegen de kist van Huize Hoevelaken naar de kerk. Het oudste lid van de Eerste Kamer, Abraham Kuyper, die in Hoevelaken geen kerkelijke en politieke aanhangers had, hield op het plein voor de kerk een grafrede.

Het derde perspectief op Hoevelaken is de klassieke lokale kerkgeschiedenis, beoefend vanuit een van de confessionele deeltradities, waarbij de eigen kerkelijke gemeente in het middelpunt staat. Rooms-katholieken beginnen dan graag bij de kerstening, hervormden bij de reformatie uit de zestiende eeuw. In deze benadering vanuit het instituut en de theologie speelt de vraag naar continuïteit en oorsprong een belangrijke rol. De katholieken hadden na de reformatie geen godshuis meer in Hoevelaken, al bleven zij een substantieel aandeel van de bevolking vormen. Pas in de jaren 1960 hebben zij weer een eigen parochie gekregen. Een hervormde meelezer uit Hoevelaken had graag gezien dat ik een boek van dit type had geschreven. In deze benadering had het dus een boek moeten worden over een hervormde dorpskerk en haar predikanten, de theologische richting van gemeente en dominee, de betekenis van de prediking en de weerklank van het godsdienstige leven in de gemeente.

Een vierde perspectief op de geschiedenis van kerk, godsdienst en geloof in Hoevelaken is te vinden in het werk van autochtoon dr. Henk Vreekamp. Hij schrijft geschiedenis volgens de principes van de mythistory, een miskottiaanse benadering die het heidendom in de christen van niet-joodse oorsprong serieus wil nemen en daarbij is gestuit op oude volksverhalen en allerlei vormen van recent heidendom, bijgeloof en volksgeloof. Metahistorie en microgeschiedenis worden hier ineengevlochten tot een creatief epos.

Vreekamp neemt zijn natuurlijke en van oorsprong ‘heidense’ habitat de Veluwe als vertrekpunt voor wandelingen, dialogen, dromen en vergezichten. Het interessante is dat hij hiermee een perspectiefwisseling biedt op godsdienst op de Veluwe, door niet de laatste honderd jaar van toenemende orthodoxie en groei van de bible belt tot uitgangspunt te nemen, maar een duizenden zo niet miljoenen jaren oud perspectief waarin de Veluwe een heidens gebied is, waar steeds opnieuw een kosmische confrontatie plaatsvindt tussen de heiden en de christen – voor de jood kan hij niet in Hoevelaken terecht, maar moet hij uitwijken naar Nijkerk. Dat Vreekamp zowel de tovenaar als de dominee een plaats in zijn boek heeft gegeven, is van bijzondere betekenis: hij gaat namelijk achter het institutionele op zoek naar het geleefde en het niet-kerkelijk gesanctioneerde geloof in Hoevelaken en elders op de Veluwe.

Het mes gaat daarbij in eigen vlees, want overgrootvader Vreekamp stond bekend als een tovenaar die uit het niets witte muizen tevoorschijn kon laten komen. Hier stuit Vreekamp op een overblijfsel prehistorie en heidendom. De toverij, suggereert hij, zou epilepsie geweest kunnen zijn, vroeger bekend als de goddelijke ziekte die de mens als een blikseminslag van goddelijke wijsheid treft.

Ik heb voor Hemels Hoevelaken een vijfde perspectief gekozen. De hoofdtitel Hemels Hoevelaken verwijst naar het bovennatuurlijke en is gekozen als alliteratie met Heilig Nijkerk en geïnspireerd door Jojada Verrips’ studie over Ottoland, En boven de polder de hemel. Het perspectief dat ik gekozen heb, is in de ondertitel duidelijk verwoord: religiegeschiedenis van een valleidorp. Religie gaat over alle mogelijke manieren waarop mensen hun tijd en plaats zin en duiding verlenen. Religiegeschiedenis geeft al die manieren evenveel recht en bestudeert de manier waarop mensen een relatie met het bovennatuurlijke aangaan, de vormen die hun omgang met het goddelijke, met de andere zijde, in de loop der tijd aannemen en hoe ze veranderen. In dit perspectief bestaat er geen bijgeloof en geen heidendom, je kunt hooguit over volksgeloof of niet-kerkelijk gesanctioneerde overtuigingen spreken, maar in het perspectief van de religiegeschiedenis hebben ze evenveel recht op aandacht en verdienen ze gelijk respect.

Is dat nu nodig voor Hoevelaken? Een van de meelezers uit Hoevelaken was er niet van gecharmeerd. Met name niet over de aandacht voor volksgeloof. Ik denk, schreef deze meelezer mij, dat de hedendaagse Hoevelakers niet zitten te wachten op een verhaal over bijgelovigheden. Ik citeer nu: ‘En eerlijk gezegd mis ik in het boek een duidelijke stellingname t.a.v. het fenomeen bijgeloof. Ik ben niet gecharmeerd van een bijdrage over irrationaliteiten in een historisch boek. Is de vraag niet vooral waar de grens wordt getrokken wat onder religie gerekend kan worden. In het boek ben ik het antwoord hierop niet tegengekomen. De aandacht voor bijgeloof haalt de waarde van het boek naar beneden. Want waarom in 2013 dit soort achterhaalde verhalen oprispen?  Expliciet in een tijd van secularisatie en geloofsvacuüm bij velen, nu in de eenentwintigste eeuw? Is dit opbouwend? Wat kan de onbedoelde impact zijn? Anekdotes van kosters spreken dan nog meer tot de verbeelding van mensen.’

Maar de tovenaar van Hoevelaken heeft evenveel recht op aandacht als de dominee, die na een paar jaar bovendien weer naar een andere gemeente vertrok. De tovenaar is representant van het volksgeloof, dat in Hoevelaken een merkwaardige symbiose laat zien tussen vormen van niet-kerkelijk gesanctioneerde omgang met het sacrale én betrokkenheid bij het instituut kerk. Rikert Vreekamp, de muizentovenaar, deed belijdenis, bezocht trouw de lidmatenvergaderingen en de kerkdiensten. Johannes Kuijt, aan wie een ander toverijverhaal is toegeschreven, deed precies hetzelfde. En dat, zou ik zeggen, dat moet nu juist in een boek over Hoevelaken verteld worden. Daarom heet het boek geen kerkgeschiedenis maar religiegeschiedenis van Hoevelaken.

Religiegeschiedenis biedt naar mijn idee ook het juiste instrumentarium om de breedheid van religie, haar functioneren in het dagelijks leven, op het spoor te komen. Had ik me alleen tot de kerkgeschiedenis in strikte zin beperkt, dan was het een smaller verhaal worden. Die geschiedenis van de katholieke en later hervormde dorpskerk krijgt overigens de nodige aandacht. Want wat het zwaarste is moet het zwaarste wegen, ook in de religiegeschiedenis. Dit ene instituut heeft eeuwenlang het dorp gedomineerd.

Het moment van ontstaan van die kerk ligt overigens in het duister. In 1132 werd het moerasgebied dat later Hoevelaken werd genoemd, door de bisschop van Utrecht ter ontginning uitgegeven. Kerkelijk viel Hoevelaken aanvankelijk onder de parochie Leusden. In het tweede kwart van de twaalfde eeuw, dus tussen 1125 en 1150 moet Hoevelaken een eigen kerk met pastoor hebben gekregen. Op de pastoor rustte de zware verantwoordelijkheid het christendom te belichamen en bij te dragen aan de dieptekerstening – de christianisering van het inwendige gedrag, het denken, het voelen en het geweten – van de wellicht nog syncretistisch denkende kolonisten.

De kleine parochie leverde vanaf de 12e eeuw haar financiële bijdrage aan de bouw van de nieuwe kathedraal van het bisdom Utrecht, die zou resulteren in de majestueuze Dom. De kerk en het hoofdaltaar, dat in het koor aan het oosteinde was geplaatst, waren gewijd aan Onze Lieve Vrouwe. In het koor hebben ook twee zij-altaren gestaan die gewijd waren aan Sint Antonius en aan Sint Nicolaas. De zij-altaren waren verbonden met zogeheten vicarieën. De stichter van een vicarie liet voor het zielenheil van zichzelf en zijn familie de mis bedienen, in ruil waarvoor hij een geldbedrag doteerde waarvan een vicaris aangesteld kon worden.

Tussen 1450 en 1475 werd er een muurschildering aangebracht die een zogeheten apostelreeks voorstelde: de twaalf apostelen met mantels in rood en goud, elk een tekstband in hun hand met daarop het in het Latijn geschreven de twaalf artikelen des geloofs. De apostelen werden aan de uiteinden van het koor geflankeerd door de vicarieheiligen Sint Antonius en Sint Nicolaas, die aangebracht waren op de plaats waar het aan hen gewijde altaar gestaan moet hebben. Een schets van de muurschilderingen is ons uit 1865 overgeleverd. De twaalf apostelen en de twee heiligen hebben als veertien gezanten Gods vier eeuwen lang neergezien op het bedienen van de doop, het celebreren van de mis en, na de reformatie, de viering van het avondmaal.

Terwijl elders in de lage landen de eerste tekenen van onvrede met de moederkerk reeds werden vernomen, bleef in Hoevelaken alles bij het oude. Gelderland kende een traag proces van protestantisering. Hoevelaken koos niet voor de protestantse reformatie, maar keeg deze opgelegd. Jan van Nassau, de broer van Willem van Oranje, nam in 1578 als nieuwe stadhouder de calvinisering van het hertogdom Gelre ter hand, samen met de gereformeerde predikanten. De pastoor van Hoevelaken moet een uitnodiging hebben ontvangen om met de reformatorische leiders te spreken over zijn toekomst: was hij bereid de overstap te maken naar de gereformeerde kerk? Pastoor Pontificius had daar echter geen oren naar. De gereformeerde classis wees een predikant voor Hoevelaken aan, maar bij aankomst was het kerkgebouw hermetisch afgesloten. De koster was onvindbaar. In juni 1594 ging hij onder geleide van de schout van Nijkerk naar Hoevelaken. De ambachtsheer legde zich erbij neer, de pastoor vertrok, niemand heette de nieuwe dominee welkom. Het laat zich goed voorstellen dat de boeren uit Hoevelaken, die afhankelijk waren van de ambachtsheer, zich vanuit motieven om hun bedrijfsvoering veilig te stellen niet in een ongewis religieus avontuur hebben gestort.

Van 1601 tot 1612 was Hoevelaken vacant. Pastoor Pontificius werkte toen in Hoogland en trok ook publiek van zijn oude parochianen. Van harte ging de protestantisering dus niet. Het ging Hoevelaken in de vroege zeventiende eeuw niet voor de wind: eerst was haar pastoor weggestuurd, vervolgens de eerste gereformeerde dominee vroegtijdig overleden, zijn opvolger kwam na tien jaar wachten, en werd na zes jaar uit zijn ambt gezet wegens remonstrantse sympathieën.

Er bleven gedurende de zeventiende eeuw Hoevelakers naar het roomse Hooglanderveen lopen. Dat er sprake was van vitaal katholicisme bleek in de achttiende eeuw, toen katholieke schepenen zitting namen in het lokale bestuur. De Nijkerkse opwekking heeft geen aantoonbare weerklank gehad op de nuchtere boeren van Hoevelaken. Wel trad in hun midden rond 1760 een oefenaar op, de bijenhouder Arij Jansen hield godsdienstige bijeenkomsten in zijn eigen woning en trad ook wel elders in de omgeving op. We vangen hier even een glimp opvangen van een voor ons verder grotendeels verborgen wereld. Veluwse lekentheologen als Arij functioneerden in de achttiende eeuw in een regionaal netwerk van boerderijoefeningen. Dergelijke autodidacten beschikten over singuliere gaven en vonden met hun bevindelijke boodschap een willig oor op de pastorale markt.

In de negentiende eeuw leidde Hoevelaken een stil en gerust bestaan – de oproermakers Hendrik de Cock en Abraham Kuyper vonden geen aanhang, de zogenaamde tweede Nijkerkse opwekking van 1821 ging wederom geheel aan Hoevelaken voorbij. Hoevelaken maakte een proces van toenemende rechtzinnigheid door. Tijdens het antipapistische verzet in de Aprilbeweging van 1853 heeft de ambachtsheer katholieke pachters van hun boerderijen verjaagd. De katholieken die in 1872 nog in Hoevelaken woonden, kregen het zwaar te verduren tijdens het nationale feest ter herdenking van de inname van Den Briel in 1572 door de watergeuzen. Er werd verbaal geweld tegen hen gebruikt. In 1800 was ruim 30% katholiek, in 1900 was dat nog maar 9%.

Vanaf 1870 doet zich in het predikantenlijstje van Hoevelaken een opmerkelijke verandering voor: vanaf dat moment komen er geen kandidaten meer naar Hoevelaken. Die verandering moet te maken hebben met het in 1867 ingevoerde kiesrecht in de Hervormde Kerk. Alle kiesgerechtigde mannelijke lidmaten, het zogeheten kiescollege, mochten voortaan hun stem uitbrengen bij de beroeping van een nieuwe predikant. Het duurde enige tijd voor het kiescollege beet had. Ze viste in de vijver van predikanten met een uitgesproken orthodox en bevindelijk profiel. Nadat Paauwe en zes anderen hadden bedankt, kwam in 1910 ds. Bastiaan van der Wal van Hasselt.

Van der Wal behoorde tot de hervormd-gereformeerde richting in de Nederlandse Hervormde Kerk. Hij was geen partijganger, hij had een afkeer van kerkpolitiek, kerkelijk activisme en kuyperiaans denken. De ironie van de Hoevelakense geschiedenis is dan toch wel dat hij in 1914 is gefotografeerd bij de begrafenis van Schimmelpenninck, aandachtig luisterend naar Kuyper. Van der Wal trok publiek uit omliggende dorpen. In de zogeheten kleine kerkgeschiedenis is Van der Wal door zijn contacten met vrienden uit Amsterdam en Baarn geportretteerd als een charismatisch prediker die voortgekomen is uit het Réveil. Onder zijn bediening zou zich een kleine opwekking hebben voltrokken, een mini-Réveil. Dit lijkt mij een geconstrueerde traditie omdat Van der Wal naar mijn idee een ‘gewone’ orthodox-gereformeerde en bevindelijke predikant was. Hij stamde uit een heel andere traditie en context, leefde in een andere tijd dan de adellijke Réveilfiguren met hun grachtenhuizen en dubbele namen. Deze geconstrueerde traditie lijkt mij ontstaan uit de behoefte om zelf in een historische lijn te kunnen staan. Via Van der Wal werd de bevindelijk-hervormde richting in normatieve zin verbonden met een voorgeslacht van grote karakters en levend christendom.

Juist ten tijde van Van der Wal bloeide het volksgeloof in Hoevelaken. De muizentovenaar Rikert Vreekamp hoorde tot zijn trouwe kerkgangers, evenals de boswachters Kuijt uit Stoutenburg. Aan boswachter Johannes Kuijt heeft zich het verhaal gehecht van de behekste haas, een dienstmeid die zich in een forse haas had laten omtoveren om wraak te nemen op haar vroegere broodheer. Johannes achtervolgde de haas en wist haar met zilveren dubbeltjes te treffen en verbrak zo de betovering. In 1914 werd hij in de bossen van Stoutenburg door stropers vermoord. Zijn kleinzoon Johannes Kuijt trof in 1929 hetzelfde lot op de Zwarte Goor  waar een toverheks gewoond zou hebben. Het Hannes Kuytpad in Hoevelaken is naar hem vernoemd. Over de zoon van de oude Johannes, Hendrik Kuijt, deden ook toverijverhalen de ronde. In zijn huis zou alles behekst zijn. Toen de pastoor erbij werd gehaald, was het snel over. Een hervormde boer uit Zwartebroek kreeg eens uitslag op zijn benen toen hij in het veen turven had gestoken. Hij ging naar Hendrik Kuit om de kwaal te laten ‘belezen’, maar Hendrik zei: ga maar naar Willem Profeet, hij is drie keer sterker dan ik. De exorcist Hendrik Kuijt oogt in zijn zwarte kleding en zwarte pet als een ingetogen en gelovig man.

Terwijl Hoevelaken een proces van toenemende rechtzinnigheid doormaakte, bloeide tegelijkertijd het volksgeloof. Dat het prehistorische wortels heeft, is mij nergens gebleken. De oudste verhalen dateren uit de jaren 1930. Voor een verklaring denk ik niet zozeer aan heidendom maar eerder aan sociale posities in de dorpsgemeenschap. Sociale verschillen waren bij toverijbetichtingen heel belangrijk, en het gaat hier steeds om toeschrijvingen van toverij. Door de ander van toverij te betichten, tast je zijn eer aan en bezorg je hem een slechte naam, hetzij om je eigen positie te verbeteren, hetzij om de positie van de ander te verslechteren als hij het in de lokale samenleving ‘goed doet’ qua reputatie of bedrijfsvoering. Jaloezie dus. We moeten daarbij niet vergeten dat de mens van de negentiende eeuw in Hoevelaken in een dierrijke omgeving leefde. Waren de muizentovenaars misschien boeren die last hadden van een muizenplaag? De muizentovenaar zou weleens een zondebok geweest kunnen zijn voor muizenoverlast en animositeit in de sociale sfeer.

Onder de opvolgers van Van der Wal raakte Hoevelaken steeds nauwer bij de Gereformeerde Bond betrokken, de gereformeerde partij in de Hervormde Kerk. Hoevelaken was geen vooruitstrevende Bond maar van de behoudende en conservatieve soort – vandaar dat het Fraanjekerkje ook niet levensvatbaar is gebleken.

In de jaren zestig begonnen de panelen te verschuiven. De katholieken kochten het Fraanjekerkje en in 1974, een kleine vier eeuwen na de reformatie, werd Hoevelaken door kardinaal Alfrink als zelfstandige parochie geïnstitueerd, tegenwoordig bekend als het Pauluscentrum aan de Veenslag. De gereformeerden – ik bedoel hier leden van de Gereformeerde kerken in Nederland – startten in diezelfde jaren zestig in Hoevelaken een afdeling van Zwartebroek. Samen met vooruitstrevende hervormden die zich niet langer thuisvoelden in de in hun ogen conservatieve dorpskerk, bouwden ze het Protestants Kerke­lijk Centrum De Eshof. De moderne tijd liet zijn invloed dus ook in Hoevelaken gelden. De forensen, die de rust van Hoevelaken combineerden met een baan in Amersfoort of Hilversum, hebben een secularisatiegolf meegenomen die ook onder de autochtone bevolking zijn sporen heeft nagelaten. Op de Noordwest-Veluwe liep Hoevelaken voorop in het tempo van ontkerkelijking. Hoevelaken is dus een spiegel van de moderne tijd en nooit een geïsoleerd kerkdorp geweest, zoals je op het eerste gezicht zou vermoeden. Tegelijkertijd – maar dat is misschien ook een uiting van diezelfde moderne tijd – waren er in 2004 bij de vorming van de PKN honderd bezwaarde hervormden die zich verenigden in de Hersteld Hervormde Kerk. Je zou hooguit kunnen zeggen dat Hoevelaken traditioneel is omdat er geen moskee en geen evangelische gemeente is. maar dat kan, vermoed ik, ook heel goed sociologisch verklaard worden.

Of er in het Omkeerboek Heilig Nijkerk / Hemels Hoevelaken een les voor het heden en de toekomst ligt, zullen we vanmiddag van de theologen horen. Als nazaat van Cornelis Exalto uit het Fraanjekerkje wil ik het maar niet hebben over institutionele kerkelijke eenheid en een nieuwe opwekking. In mijn stoutste dromen zie ik hem ergens in de zijbeuk van de dorpskerk van Hoevelaken zitten, luisterend naar dominee Paauwe die het beroep nooit heeft aangenomen, starend naar de verdwenen wandschilderingen in het koor, de latijnse letters van de apostolische geloofsbelijdenis mompelend ontcijferend, links en rechts van hem de scharen uit het Pauluscentrum en de Eshof het Te Deum aanheffend onder begeleiding van een hersteld hervormde organist, terwijl de tovenaars, de forensen en de heidenen onder de bekoring raken van de magische woorden van dominee Paauwe die pastoor Pontificius blijkt te zijn.

John Exalto


John Exalto is universitair docent historische pedagogiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij schreef met Fred van Lieburg het omkeerboek Heilig Nijkerk / Hemels Hoevelaken.