Geen categorieOverige

Heeft het protestantisme genoeg in huis? – door dr. Bert de Leede

eredienstLeesvruchten bij Gerrit Immink, Het heilige gebeurt.

De titel

De titel die Gerrit Immink voor zijn boek heeft gekozen vind ik een vondst. Wie deze titel proeft heeft het wezenlijke verstaan van wat Immink in zijn boek wil. De rest biedt veel goeds aan kennis, inzicht en begrip. Het is een gedocumenteerde theologische doordenking van wat een protestantse kerkdienst is. Waarom die geen Roomskatholieke kerkdienst is, en waar hem dat nu in zit. Dat het verschil dat een gereformeerd of oecumenisch protestant proeft wanneer hij een evangelisch getoonzette viering bijwoont, meer is dan een gevoel of een kwestie van smaak. Er staat meer op het spel. Daar helpt het boek van Immink over nadenken. Maar dit is waar het om gaat: het wezen van de kerkdienst is, dat het heilige gebeurt. Wat dat betekent, wil hij op het spoor komen. Daarom gaan we nog wat door op die titel.

Het heilige gebeurt. In de titel resoneert aan de ene kant Bijbels taaleigen. ”Het Woord des HEREN geschiedt” , luidt het nogal eens in het Oude Testament. God openbaart zich met kracht, scheppend, oordelend, bevrijdend. Van buiten af, van Boven, breekt iets in, Woord Gods, waardoor mensen, situaties, verhoudingen in beweging komen. Er gebeurt iets aan ons, dat wij ervaren als iets dat over ons komt.

Dat bedoelen we als we iets een gebeuren noemen. Het is een woord met een vage connotatie, en daarmee juist trefzeker. Er komt iets over je, wat je raakt, iets met je doet, en het is groter dan jij bent of kunt bevatten. Een gebeuren. Wanneer mensen naar de kerkdienst komen, hopen zij dat er iets gebeurt. Niet maar iets. Zij hopen dat het heilige gebeurt. Iets van de Heilige in ons midden. Met het heilige verwijst Immink derhalve naar de God van Israël, de Heilige te midden van zijn volk. Dat is de ene kant.

Het heilige gebeurt. De titel is aan de andere kant ook een knipoog en meer dan dat  naar het beroemde boek van Rudolf Otto, Das Heilige, het grondleggende boek over de fenomenologie van de godsdienst. In een godsdienstige betrekking gebeurt van alles, aldus Immink, geleerd door Otto. Waar Boven beneden aandoet, raken mensen aangedaan. Zij worden blij, raken ontroerd, ervaren pijn, verdriet, schuldbesef, verwondering, huiver, ontzag. Mensen vertrouwen zich toe, of zij keren zich af. Dat alles uiten zij verbaal en non-verbaal, en voelen daarbij lichamelijke sensaties. Er gebeurt in de religieuze praktijk van alles, en wat gebeurt heeft psychologische, cultureel-antropologische, sociologische aspecten.

Het heilige gebeurt. De godsdienstige praktijk heeft dus die twee kanten, van Boven en beneden, in die interactie van openbaring en ervaring. Immink is geïnteresseerd in die interactie van Gods openbaring en de werkelijkheid van mensen, wanneer het heilige gebeurt.

Wat gebeurt er dan? Hoe weten we dat wat gebeurt het heilige is, dus van de Heilige? Hoe onderscheiden we echt van fake, namaak? Wat maakt dat het heilige in de kerkdienst gebeurt (of, onverhoopt: niet gebeurt)? Natuurlijk gebeurt het heilige ook in een pastoraal gesprek, of ´in de binnenkamer of in het open veld. Maar wie op zondagmorgen naar de kerk gaat, hoopt dat het daar en dan in elk geval gebeurt, in de kerkdienst.

Kerkgangers zitten intentioneel betrokken in de kerkdienst. Zij verwachten, verlangen, hopen en wan-hopen dat er iets van Boven gebeurt. Dat er iets gebeurt, dat het leven met wat het is één wat het niet is, met wat het deed één naliet, verandert, en dat zij een ander zicht ontvangen op de werkelijkheid. Namelijk: hoop. Kerkgangers uiten hun verlangen door de gebeden mee te bidden. In het lied loven ze God omdat Hij is Wie Hij zegt te zijn. Al zingend ervaren zij ineens meer vertrouwen op God, dan zij bij binnenkomst hadden. Iets vergelijkbaars hopen zij in het bijzonder bij de preek. En in de viering van Brood en Wijn. Dat het heilige gebeurt.

Immink beoogt in zijn boek dat wat gebeurt en wat wij fenomenologisch waarnemen, theologisch te analyseren, te duiden en te verstaan. We verkeren in het boek dus in het gebied van de pneumatologie, de werkzaamheid van de Geest. Wie Geest zegt, zegt inwoning. Wie het over de werking van de Geest heeft, heeft het direct ook over onze geest. Waar de Geest is, daar is leven: vrijheid, vrede, vreugde, vrucht. Dan gaat het dus over ons geweten, ons gemoed, ons gevoel en onze wil en ons gedrag. Daar gebeurt het heilige. In het geestelijk leven van de gemeente.

Het heilige gebeurt. Het boek heeft niet als titel  Heilige gebeurt. We kunnen niet zeggen dat God gebeurt. Wij kennen Hem in zijn werkingen. Wij herkennen Hem in het heilige dat gebeurt. God valt niet samen met zijn werkingen. Hij zelf blijft de Transcendente. God handelt. Hij openbaart zich, door Woord en Geest, in taal en teken. Zo is Hij tegenwoordig, present. Als de Opgestane Christus, werkzaam door de Geest van de Levende Heer. Omdat wij geloven, dat de Heilige in ons midden is, verlangen wij dat het heilige gebeurt. Wel in het bijzonder in de kerkdienst. Wat maakt een kerkdienst tot een plaats en een tijd waar en wanneer het heilige gebeurt?

De auteur

Tot zover over de titel van het boek, waarin we de theoloog Gerrit Immink herkennen. We herkennen zijn nadruk op de zelfstandigheid en transcendentie van God, in de lijn van de gereformeerde traditie, wijsgerig-theologisch onderbouwd in de leerschool van Alvin Plantinga. Gods zelfstandigheid en transcendentie geven ruimte om over God tegelijk te spreken als Persoon, die handelt, één als Mysterie, dat ons te boven gaat. We herkennen zijn waardering voor en reserve ten opzichte van Karl Barth en Thurneysen en achter hen ook Kohlbrugge. Zijn waardering betreft hun nadruk op Woord, Openbaring, en het kerugmatisch ferment van de prediking. Zijn reserve betreft een te sterke nadruk op de forensische aspecten van de rechtvaardiging in de prediking. Doet zo’n prediking met alle nadruk op dat het heil buiten onszelf ligt, extra nos en pro nobis, wel voldoende recht aan het geestelijk leven, de gestalte van het leven door de Geest. We herkennen in zijn boek de praktisch theoloog Immink, die het gesprek met Schleiermacher voert, en die het gelijk van Gunning en de ethische theologen wil onderbouwen, en versterken. Zo lees ik Imminks boek. Dat vind ik het spannende erin. De ethischen zochten naar een vruchtbare verbinding van theo-logie en antropo-logie, om uit de steeds grotere spagaat tussen het objectieve en het subjectieve te ontsnappen, in de wetenschap, in de theologie. Zij zochten naar een goed antwoord op de doorwerking van de ontdekking van het subject, en de opkomst van de mondige, zelf-bewuste, ervarende mens in de 18de en 19de eeuw. Zij zagen voor welke uitdagingen de psychologie en de andere sociale wetenschappen het spreken over God en over de mens-voor-God stelden. Kunnen wij voluit theocentrisch spreken over God als zelfstandig en transcendent Persoon en tegelijk recht doen aan het verlangen en de ervaring van mensen? Dat is de actuele betekenis van dit gesprek, toen en nu. Deze vragen liggen op vergelijkbare wijze opnieuw op ons theologische bord door de opkomst en invloed van de charismatisch-evangelische beweging in kerk en theologie.

Hoe gebeurt het heilige? Last but not least wil Immink met deze vraag ook recht doen aan de vrijzinnige stroming in kerk en theologie die in wezen de inzet van Schleiermacher representeert en voortzet. Gebeurt het heilige niet vooral of uitsluitend daar waar wij  bij voorbeeld in de kerkdienst  het religieuze leven van de mens in diens verlangen naar betekenis, zingeving, en g/God exploreren, stem geven en voeden? Zo denkt en (s)preekt een belangrijke stroming in kerk en theologie. Immink volstaat niet met een stevige gereformeerde afwijzing van deze positie. Die schleiermacheriaanse positie fascineert hem integendeel. In die gedeelten van het boek waar hij het legitieme van deze positie theologisch en met het oog op de praktijk probeert te verwerken, is het boek voor mij het spannendst.

Wie goed thuis is in de (gereformeerde) theologie, leest ook veel bekends bij Immink. Al lezend krijgt de lezer een goede opfris-cursus. Voor studenten is het een uitstekend leerboek. Hij/zij krijgt een gedegen theologische doordenking van de kerkdienst. Daar is in ons taalgebied grote behoefte aan. Maar het vernieuwende zit in de doordenking van alle elementen van de kerkdienst vanuit die titel Het heilige gebeurt. Voor de goede verstaander is het duidelijk: Immink doordenkt de bevinding in en door de kerkdienst. Met het oog op haar vernieuwing. Zo wil ik een paar thema’s uit het boek nader bespreken. Wat levert deze inzet op? Veel zeg ik gelijk maar. Misschien op onderdelen nog wel meer dan Immink zelf in zijn boek doet. Ga nog eens een stap verder, zou ik hier en daar tegen hem willen zeggen.

Kern en fundament Christusgeheim en Geest

Hoofdstuk III, Het Christusgeheim, vormt het theologische hart van het boek. Nauwkeuriger gezegd: de opstanding van de Gekruisigde Jezus van Nazareth, de opstandings-werkelijkheid van de Levende Heer, waartoe wij geen toegang hebben dan door de Geest. Het is het Christusgeheim. Het is de Geest die de werkelijkheid van de opstanding present stelt in het heden. Doet de Geest dat, dan is dat tegelijk niet minder dan de presentie van de Levende Heer zelf. In een boeiend gesprek met Bultmann en diens school, en luisterend naar recenter nieuwtestamentisch onderzoek van Dunn en ten onzent G. H. van Kooten, neemt Immink positie in dit hart van de theologie, de christologie. Zonder de opstanding als historisch feit, toen en daar, zou er geen sprake zijn van een Christusgeheim, een opstandingswerkelijkheid. En derhalve geen bodem onder alles wat wij verder kunnen zeggen en verwachten in de kerkdienst. ‘Ons geloof hangt aan feiten, zei Gunning al, en Immink zegt hem dit na. Zonder deze feitelijkheid hangt ons geloof nergens aan. Een opstandingsgeloof als verdicht verlangen van de volgelingen (Ter Linden, e.a.) is een te dunne bodem. Daar zakken we door. Immink spreekt over het ontologisch, het zijns-karakter van de opstanding. Die is onmisbaar wil het echt ergens over gaan in de kerkdienst, en wil er echt iets gebeuren. En die ontologie van de opstandingswerkelijkheid kan weer niet zonder dit feit van de opstanding ten derden dage.

Maar Immink zegt er onmiddellijk twee dingen bij.

Tot dit feit  het lege graf van de Gekruisigde  hebben wij geen toegang dan alleen door het getuigenis van de getuigen, dat ons overtuigt (ons geloof). De ambivalentie van verrassing, verwondering, blijdschap en verwarring, vertwijfeling en ongeloof, die wij bij de eerste getuigen al opmerken, is gegeven met de eigen aard van dit heilsfeit als historisch gebeuren. Je kunt er met je neus boven op staan, en het toch niet zien. Wij kennen van nu aan Christus niet meer naar het vlees, aldus Paulus. Dat vertellen ons de verschijningsverhalen al. Hij is het, Hij is dezelfde, en tegelijk is Hij totaal anders, je kunt Hem niet vasthouden, Hij komt op een nieuwe wijze tot ons. Dat is de boodschap uit de verhalen van de verschijningen van de Opgestane. Dat is het eerste wat je bij de feitelijke historiciteit van de opstanding moet zeggen.

En ten tweede  dit Christusgeheim, deze opstandingswerkelijkheid, vraagt een nieuw handelen van God. We hebben het dan over de centrale plaats van de Geest in het (gereformeerd) protestantisme. Hoe krijgt het heilsfeit  toen en daar  betekenis nu? Het antwoord op die aloude vraag is tweeërlei. Wij leven in de werkelijkheid van de opstanding. Dat ten eerste. De Heer leeft en wij leven post christum natum. Dat is de betekenis van de heilshistorische cesuur waar Paulus het over heeft: het oude is voorbij gegaan, het nieuwe is gekomen. Die opstandingswerkelijkheid gaat aan alles vooraf. Wij preken niet naar de verzoening toe, maar van de verzoening uit, prentte J.M. Hasselaar ons op college al in. Het gaat als een leidraad met mij mee, voor het leven. Maar daar moet onmiddellijk het tweede bij gezegd. De realisering van die opstandingswerkelijkheid in geloof en bekering, in ervaringen van troost, blijdschap, verlangen, hoop en gebed, in lied en lofprijzing, vraagt een nieuw handelen van God, door de Geest. Daarom die grote nadruk op Pinksteren als een nieuwe inzet in Gods voortgaand handelen, en op de Heilige Geest als Persoon en kracht beide.

De kerkdienst in al zijn aspecten staat in het krachtenveld van het handelen van God door de Geest en de realisering van de opstandingswerkelijkheid in het geestelijk leven van de gemeente.

Met een variatie op de aangehaalde uitspraak van Gunning: Ons geloof hángt aan het feit van de opstanding. Als Christus niet is opgewekt, dan … is alles ijdel, ook de prediking (I. Cor. 15 vs 14). Maar ons geloof heeft van de werkelijkheid van de Opgestane. En dat is het werk van de Geest. Het is Gods eigen werk, waar en wanneer het heilige gebeurt.

Epiclese en presentia realis

Daarom is het hart van de kerkdienst het gebed om de Geest, de epiclese, de aanroeping en inroeping van de Heilige Geest. Het heilige gebeurt, omdat en wanneer God werkt, en zijn Geest zendt. Daarom staat in de gereformeerd-protestantse liturgie voor de lezing van de Schrift en de prediking, en voor de breking van het Brood, de bede dat de Heer, de Opgestane Heer, zelf aanwezig zal zijn. Want  presentia realis, voor minder doet ook de protestantse kerkdienst het niet.

Immink laat zien dat hier het verschil met Rome zich aftekent. Het verschil zit niet in meer of minder nadruk op of belang van de werkelijke aanwezigheid van God in de kerkdienst, het werkelijk delen in de werkelijkheid van de opstanding. Die is bij beide tradities van even (groot) belang. Het verschil zit in de weg waarlangs het heilige gebeurt. Bij Rome loopt dat langs de weg van kerk/bisschop, ambt/priester, liturgie/eucharistie, met als kern de consecratie, de elementen van brood en wijn, waarlijk Lichaam en Bloed van Christus. We zien bij Rome een zekere materialisering van de aanwezigheid van de Heer, en objectivering van de opstandingswerkelijkheid. Vandaar dat de eucharistie een veel crucialer plaats inneemt in de kerkdienst dan de preek. Hetzelfde kan gezegd worden van de Evangelielezing  het wordt staande ontvangen, het Boek eerbiedig opgeheven, gekust door de priester  in vergelijking tot de preek. De Evangelielezing kan bij Rome heel goed zonder preek, om toch de presentie van de Opgestane te bemiddelen.

Immink laat zien hoe dit alles in het protestantisme anders is vervoegd. De kern van alles is de epiclese, de aan- en inroeping van de Geest zowel bij de opening van de Schrift en de preek als ook bij de sacramenten, Doop en Heilig Avondmaal. De werkelijke aanwezigheid van de Heer wordt ingeroepen, afgesmeekt, en in geloof ontvangen. En die krijgt gestalte in de unio mystica cum christo, de gemeenschap met Christus, omdat en wanneer de Geest met onze geest samen-spreekt dat wij kinderen van God zijn, en zo delen in zijn heil. Voor het horen van de preek betekent dit dat wij de uitleg van de Schriften, toegepast op het geestelijk leven van de hoorders, in de woorden uit de mond van de prediker, Gods eigen Woord mogen horen. Wat zij ook werkelijk zijn! zegt een bekend epicletisch gebed uit de Reformatie. Voor het vieren van het Heilig Avondmaal betekent dit dat wij Christus niet ontvangen in de uiterlijke tekenen van het brood en de wijn, maar dat wij, terwijl wij onze harten in de hemel verheffen waar Christus is (sursum corde en unio mystica), als gemeenschap (als Lichaam van Christus) elkaar brood en wijn doorgeven en samen op geestelijke wijze (in het geloof dat Zo zeker als wij deze spijze en drank met de mond eten en drinken, wij zo zeker  eten en drinken. Samengevat  op de plaats van de consecratie staat de epiclese, op de plaats van bedienaar staat de communio centraal. In het eten en drinken oefenen wij de gemeenschap met Christus.

Dat het zo werkt, dat het heilige gebeurt, is dus door de Geest.

Kerygma en didache, sursum corde en anamnese

En tot slot  hoe het werkt? Daar gaat Immink in twee rondes op in. In hoofdstuk I tot IV behandelt hij een viertal principiële thema’s de kerkdienst als religieuze praktijk (I) het delen in het heil (II), het Christusgeheim (III) en het eigen karakter van de protestantse kerkdienst in het bredere kader van de oecumene en de traditie (IV). We zien de praktisch theoloog aan het werk in dat samen-op-gaan van fenomenologie en theologie, op zoek naar hoe het heilige gebeurt, met het doel recht te kunnen gaan doen aan die onlosmakelijke verbinding van theo-logie en antropo-logie. Het is het boeiendst om Immink vanuit die focus te volgen. Hoe legt hij in hoofdstuk I tot III de bodem? Hoe herleest hij vanuit deze focus, het heilige gebeurt, de stappen die de Reformatie zette op het punt van Avondmaal, Woord Gods (Schrift en preek), en Doop (hoofdstuk IV)

The proof is in the eating. In zijn tweede ronde, hoofdstuk V tot VII, beschrijft Immink hoe het werkt, hoe het heilige gebeurt, bij de vier hoofdmomenten uit de kerkdienst: bidden en zingen (V), de preek (VI) en de viering van het heilig avondmaal (VII). Weer is het boeiend om te zien hoe Immink hier vruchtbaar maakt dat het in de acte van bidden en zingen, in de acte van preken en het horen naar de preek, en in het vieren van het avondmaal, gaat om een gemeenschappelijke handeling (van God, mens en medemens in de geloofsgemeenschap) waarbij God altijd bemiddeld handelt, dat wil zeggen door middel van geleidende handelingen: taal en betekenisvol teken (symbool), woord en antwoord, Woord en Sacrament. Immink laat zien dat en hoe het heilige gebeurt wanneer wij in het bidden meebidden, in de voorbeden betrokken worden op God en op levensvragen van mensen. Hoe in het zingen ons gemoed resoneert, onze dankzegging zich verdiept of geblokkeerd wordt, etc. Hoe onder preek het heilige gebeurt, en wat daarvoor nodig is in de voorbereiding en in de acte van de prediking (de performance). In dit hoofdstuk VI, waar het hart van de homileet Immink merkbaar klopt, maakt hij duidelijk dat vaak gehanteerde tegenstellingen tussen kerugmatische en narratieve prediking, of deductieve en inductieve prediking, waarbij de eerstgenoemde niet echt recht zouden (kunnen) doen aan het leven, aan de existentiële en pastorale vragen, oneigenlijk zijn. Het zijn valse dilemma’s. Een paar prachtige fragmenten uit twee preken van Karl Barth laten zien hoe een kerugmatische prediking bewogen kan zijn over de levenswerkelijkheid van dat moment, en die in beweging kan zetten, in de oproep tot omkeer, of in de troost van de verzoening.

Immink laat zien dat de grote vooronderstelling van de hele onderneming kerkdienst de werkelijkheid van de opstanding en de beloofde presentie van de Opgestane  juist vraagt om kerymatische prediking. Die is primair. En vervolgens, tegen die achtergrond is de preek bemoediging, onderwijzing, vertroosting.

Immers  de Heer stelt zich present één gaat met ons op weg, door Geest en kracht.

Kortom en-en. Keryma en didach en paraklesis; epiclese en anamnese; sursum corde en communio.

Zes kanttekeningen

Ik eindig met zes kanttekeningen, c.q. vragen met het oog op voortgaand gesprek. Ik hecht ze aan thema’s

1. Het heilige. Ik vind het grondthema van het boek, in de titel vervat, vruchtbaar en theologisch relevant. Ook zeer actueel. Echter, juist vanwege die actualiteit had ik graag meer willen horen van Immink, hoe hij het fenomenologische aspect van het heilige theologisch duidt. Om concreet te worden: Immink verwijst in positieve zin naar Manfred Jossutis en diens mooie boek Einführung in das Leben over mystagogie en de predikant als mystagoog. De mystagoog begeleidt mensen op hun levensweg, en leidt hen daarbij binnen in het gebied van het heilige. Het vreemde en ook beangstigende gebied, zo zegt Jossutis, en sluit daarbij ook aan bij Rudolf Otto, Das Heilige. Theologisch sluit Jossutis aan bij een belangrijke notie uit de oosterse orthodoxie om de sfeer van het heilige te verankeren, namelijk in de scheppingsleer. De Schepper is op een bepaalde wijze aanwezig in zijn schepping door middel (bemiddeling) van ongeschapen energieën. In de triniteitsleer onderscheidt de oosterse orthodoxie tussen het verborgen wezen van God en de energieën van de Godheid, die de hele creatuur doortrekken. Wezen en energieën verhouden zich als bron en stroom. In de energieën treedt God naar buiten. Daarom kunnen schepselmatige dingen bemiddelen. Dat gebeurt in de religieuze handelingen. Bij de lezing van Jossutis voel je soms het holistische, esoterische vlak om de hoek liggen.

Ongetwijfeld zal Immink deze kant niet op willen. Integendeel. Ik vermoed dat hij hiervan gruwt. Maar juist daarom is hier verheldering verder nodig, ook met het oog op de actualiteit in onze kerkelijke praktijk. Concrete vraag:

– Immink gebruikt geregeld ook het begrip geleider. Bij H. Berkhof een belangrijk begrip om het verkeer van God en mens te benoemen, met behoud van Gods transcendentie en het onderscheid van Schepper en schepsel. Vraag is nu wat bij Immink geleider kan zijn? Wat maakt iets tot geleider met het oog op het heilige? Bij Jossutis in principe alles, mits binnen de context van Christus. Maar dan ook dingen  een kaars wordt tot symbool, of een mens heilige, ambten of een gebouw. Bij Immink?

2. Protestantse vrees voor het heilige? De Reformatie is een reactie op allerlei vormen van amaterialisering en zelfs vercommercialisering van het heilige: heilige dingen, heilige ruimten, relikwieën, et cetera. Er is zelfs een protestantse vrees voor het heilige, zo kopte het dagblad Trouw naar aanleiding van het boek van Immink. Deze refereert daar zelf ook aan in zijn boek. Toch gebeurt het heilige. Ja, door Woord en Geest. Daarin sluit Immink zich nadrukkelijk aan bij de inzet van de Reformatie. Daar kan de lezer niet overheen lezen. Het protestantse geloof is een W/woord-geloof. Ook de godsdienstige handelingen, de rituelen, zijn wat ze zijn door de W/woorden die hen duiden, begeleiden, etc. Toch lijkt mij een goede vraag om na (her-)lezing van het boek daar over door te spreken:

– Heeft het protestantisme hier toch niet een probleem en een tekort? Beide!

Het tekort. Moeten we toch niet constateren dat de protestant grosso modo een weinig ontwikkeld gevoel heeft voor de eigen waarde en werking van het symbool, en de symboliek. En dat hij, wanneer hij dat wil leren/ontwikkelen in de spiritualiteit, elders moet gaan halen (Rome, Anglicaanse kerk). Dat Brood en Wijn, Licht (kaars) en Ruimte (Kruis, lichtinval, Stilte-ruimte), liturgische kleden en symbolen, gedragen door vaste liturgische formuleringen (de herhaling), werkzaam zijn, zonder telkens opnieuw te hoeven uitleggen (woorden), is iets dat de protestant moeilijk kan verstaan. Is dat een signaal van protestantse armoede? Of heeft het protestantisme het zicht op zijn eigen kracht verloren?

Het probleem. De huidige gelovige en zoekende zijn veel minder primair gericht op informatie (woorden), maar veel meer op ervaring van aanwezigheid, en van daaruit, secundair, duiding en inwijding. Hier blijven vragen liggen die besproken moeten worden.

3. De uitdaging van het evangelische. Immink erkent in zijn boek de evangelische stroming als een belangrijke beweging en een niet te negeren vraag voor beide andere hoofdstromen in de protestantse praktijk van kerkdienst en liturgie, de gereformeerde, calvijnse lijn en de liturgisch-oecumenische traditie. Maar zijn hart ligt er niet. Dat merkt de lezer ook in het taalveld wanneer Immink expliciet ingaat op de evangelische invulling van de kerkdienst. Immink richt zich tegen het gemis bij veel evangelische vieringen aan vaste liturgische formuleringen die er toe doen, en die vaak veel meer de noties verwoorden en bemiddelen die er toe doen. Immink stoort zich aan de voorganger die geen liturg is, maar iemand die de elementen van de dienst aan elkaar praat. Immink stoort zich aan gebruik van eigen formuleringen of verduidelijkingen door de voorganger bij een viering. Ik deel zijn zorg. Maar er valt meer over te praten:

– Waar ziet Immink ook een positieve uitdaging tot vernieuwing van de traditionele kerkdienst en de visie daarachter, vanuit het evangelische?

– Concreet toegespitst op de eigen betekenis van de muziek voor de spiritualiteit en de overgave in evangelische vroomheid: Vraagt onze tijd een verwerking van deze zo andere semiotiek. Ik denk, op weg naar het Liedboek 2012 aan het lied, en de geleidende betekenis van Praise and Worship voor het heilige als gebeuren. Ik denk aan de plaats van getuigenis, en vooral ook theologisch en liturgisch doordachte vormen van ritualiteit.

4. Heilig Avondmaal en opstandingswerkelijkheid. De theologische bodem onder heel het boek verwoordt Immink in hoofdstuk III, de werkelijkheid van de opstanding en de beloofde aanwezigheid van de Levende Heer door de Geest. In zijn hoofdstukken over het Heilig Avondmaal in het protestantisme in vergelijking tot Rome (hoofdstuk IV) en in een mooie analyse van de liturgische opvatting ervan in het gereformeerd protestantisme (hoofdstuk VII), verwoordt Immink hoe de laatstgenoemde sterk leunt op het gedenken van en de gemeenschap met de Gekruisigde Christus. Mijn vraag is:

– Vraagt Imminks eigen theologische inzet bij de opstandingswerkelijkheid, door de Geest, niet om een sterkere inzet bij de Viering van de opstanding, en de gemeenschap met de Opgestane Heer, in de nieuwe werkelijkheid van het Koninkrijk dat aangebroken is? Hebben wij daar het Nieuwe Testament niet mee? Kort gezegd  het blijft wringen om het getuigenis betreffende de Maaltijd van de Heer, de ontmoeting van de Opgestande met de Emmausgangers in Lucas 24, organisch te verbinden met de vertolking van het avondmaal in de klassieke liturgie.

5. De Doop. In sterkere mate komt die vraag bij mij op wanneer de Doop bij Immink ter sprake komt. Opvallend  de doop komt niet expliciet aan de orde in de uitwerking van de elementen van de eredienst in hoofdstuk V tot VII. En waar de doop wel ter sprake komt  in hoofdsuk IV doop en belijdenis vooral beschrijvend, vanuit de optiek van de dilemma’s van de Reformatie. Kortom  de doop komt wat bleek aan de orde. Ik voelde mij bij die passages weinig uitgedaagd. Terwijl ook hier telkens veel aan de orde is, theologische en kerkelijk. Vraag is hoe dat komt? Vragenderwijze:

– Is er vanuit de opstandingswerkelijkheid, waarin de dopeling wordt ingedoopt in Christus niet meer te zeggen met het oog op de vernieuwing en vooral verdieping van de dooppraktijk? Ik stel mij voor dat bij de Nieuwtestamentische gemeente het heilige bij uitstek bij hun doop-in-Christus gebeurde. Dat was het moment van oud-naar-nieuw. Het is Bram van de Beek die deze vragen  ook die rond het Heilig Avondmaal  recentelijk op zijn eigen, radicale wijze aan de orde heeft gesteld.

6. Eenheid van Woord en Sacrament. Het boek van Immink komt op een goed moment, als bijdrage in het gesprek binnen de Protestantse Kerk en ook in de zusterkerken van orthodox-gereformeerde signatuur  over de verhouding van Woord en Sacrament en de plaats van de Viering van het Heilig Avondmaal in het geloofsleven van de gemeente. Is de vaker gehoorde oproep om vaker Avondmaal te vieren, met uiteraard consequenties voor de liturgie, de catechese, etc. een hype, een bewijs van armoede (innerlijke secularisatie) of een eis des tijds?

Daar moet over gesproken worden. De grote belangstelling voor Imminks boek laat zien hoe een en ander leeft. Een positief teken.

Bert de Leede.

Bert de LeedeDr. Bert de Leede is hoofd van het seminarium van de Protestantse Theologische Universiteit (PThU). Van zijn hand verschenen bij Uitgeverij Boekencentrum verschillende uitgaven. Hij werkte onder meer mee aan het boek Mijn psalm. Beluister het gesprek dat Bert de Leede had met Andries Knevel in het programma Andries Radio, klik hier.