Geloof

Handreiking voor het groepsgesprek en voor zelfstudie: vragen bij Hoe worden de doden opgewekt? d- oor dr. Harmen U. de Vries

Op zoek naar de contouren van het opstandingsbestaanIn dit artikel treft u gespreksvragen aan bij mijn boek Hoe worden de doden opgewekt. Over de contouren van het opstandingsbestaan. Onderstaande vragen zijn zo opgesteld dat ze u bij de hand nemen om van elk hoofdstuk de essentiële thema’s (uitgezonderd enkele specifieke theologische punten) te doordenken.

De vragen volgen in grote lijnen de structuur van de hoofdstukken. Aangezien de hoofdstukken op elkaar voortbouwen, verdient het aanbeveling de vragen te beantwoorden in de hoofdstukvolgorde waarin ze worden aangeboden.

De bladzijdenummers die na elke vraag tussen haakjes zijn aangegeven verwijzen naar de pagina(’s) in het boek waar het betreffende antwoord te vinden is. Een enkele ‘v’ volgend op het paginanummer verwijst daarbij naar de op het aangegeven paginanummer volgende bladzijde, een dubbele ‘v’ naar de volgende bladzijden. Soms wordt bij de paginaverwijzingen ook verwezen naar een ander hoofdstuk waar dezelfde thematiek ter sprake komt.

Ik wens u een zinvolle zoektocht toe naar de contouren van het opstandingsbestaan.

Dr. Harmen U. de Vries

Hoofdstuk 1 – Oude Testament

1.   Wat verwachten de schrijvers van het Oude Testament in het algemeen van het leven na de dood? (p. 23, zie ook noot 1; p. 183 noot 138)

2.   Welke specifieke vorm van ‘redding uit de dood’ ontvangt nadruk in (met name de poëtische literatuur van) het Oude Testament? (p. 24; p. 25v)

3.         Van welke vorm van ‘opstanding’ is welbeschouwd sprake in Ezechiël 37? (p. 34v)

4.   Wat is kenmerkend voor het opstandingslichaam van de jongens die door toedoen van Elia en Elisa zijn opgewekt? (p. 42)

5a.       Welke oudtestamentische rechtvaardigen worden ten hemel opgenomen? (p. 43vv)

b. Wie wordt – anders dan vaak wordt gedacht – niet ten hemel opgenomen maar door God zelf begraven? (p. 45, zie ook noot 59)

6a. In welke psalmen is er – mogelijk of vrij zeker – sprake van de verwachting na het sterven bij God geborgen te zijn? (p. 45 t/m 56)

b. Wat valt er te zeggen over de aard van het bestaan ‘aan gene zijde van de dood’ in deze psalmen? (p. 56v)

7a. Welke schaarse oudtestamentische gedeeltes spreken of lijken te spreken over een toekomstige wederopstanding der doden? (p. 57 t/m 70)

b. In welk van deze gedeeltes wordt gesproken over een wederopstanding waarbij de rechtvaardigen als getransformeerde mensen zullen stralen? (p. 69v)

c. Waar in het Nieuwe Testament vinden we de sporen van een dergelijke voorstelling terug? (p. 70)

Hoofdstuk 2 – Intertestamentaire literatuur

1.   Hoe komt het dat het relatieve zwijgen van het Oude Testament over een te verwachten wederopstanding in de intertestamentaire literatuur doorbroken wordt? (p. 73v, zie ook noot 137; p. 102 boven; p. 123, zie ook noot 152)

2a. Welke vier toekomstverwachtingen komen we in de intertestamentaire literatuur tegen? (p. 75v)

b. Met welke van deze vier komt de nieuwtestamentische toekomstverwachting sterk overeen? (p. 124)

c. Waaruit bestaat de dubbele structuur van de betreffende toekomstverwachting? (p. 83; p. 124)

3a.       Wat is het verschil tussen ‘reanimatie’ en ‘transformatie’? (p. 125v)

b. Welke beelden worden in de in hoofdstuk 2 behandelde teksten gebruikt om aan te geven dat de getransformeerde verrezenen zijn overgegaan tot een andere bestaanswijze? (p. 126); wat zeggen deze beelden over de uiterlijke verschijningsvorm van degenen die getransformeerd zijn?

4a. Wat is de overeenkomst tussen de transformatie die de auteur van 2 Baruch beschrijft en de transformatie die de apostel Paulus verwacht? (p. 95 t/m 99; p. 175vv)

b.       En wat is het verschil? (p.  99; p. 175 noot 118)

Hoofdstuk 3 – Paulus

1.   Wat maakt het aanschouwen van de verrezen Jezus door Paulus anders dan het zien van de opgestane Jezus door de eerdere apostelen? (p. 139 noot 14; p. 257)

2a. Wat zijn de kwaliteiten die volgens Paulus het opstandingsbestaan en in het bijzonder het opstandingslichaam zullen kenmerken? (p. 155 t/m 168)

b. Aan welk gebeuren ontleent hij naar alle waarschijnlijkheid (een belangrijk deel van) deze kwaliteiten? (p. 148; p. 157v; p. 161v; p. 168, zie ook noot 97; p. 190)

c. Wat wil het zeggen dat hij het opstandingslichaam ‘geestelijk’ noemt? (p. 159; p. 161; p. 163; p 165, zie ook noot 88; p. 191)

3a. Wat heeft Paulus te zeggen over de transformatie die plaats zal vinden bij de wederopstanding? (p. 175vv)

b. Wat wil hij tot uitdrukking brengen als hij het ontvangen van het opstandingslichaam beschrijft als een ‘overkleed worden’? (p. 172 noot 109; p. 176, zie ook noot 121)

4.         Waarom zou, lettend op de functie die het lichaam in zijn denken heeft, voor Paulus de vernieuwing van het lichaam zo belangrijk zijn? (p. 149v; p. 179)

5a. Spreekt Paulus zich uit over de materiële substantie waaruit het opstandingslichaam zal bestaan? (p. 164v; p. 168; p. 179v; p. 191; p. 192)

b. Wat betekent het dat volgens hem ‘vlees en bloed’ het leven van de wederopstanding niet kunnen beërven? (p. 174, zie ook noot 117)

6a. In welk opzicht verwacht Paulus continuïteit tussen het huidige lichaam en het opstandingslichaam? (p. 153; p. 179; p. 190v; vgl. p. 274v)

b.       In welk opzicht discontinuïteit? (p. 153; p. 179; p. 190v; vgl. p. 274v)

7a. Wat is volgens Paulus de bredere context waarbinnen het opstandingsbestaan geleefd zal worden? (p. 177v; p. 192; p. 194)

b. Hoe verhoudt zijn hoop op een vernieuwde aardse toekomst zich tot zijn verwachting voor altijd met de Heer in de hemel te zijn? (p. 193vv)

8a. Welke transformatie in het hier en nu is in het denken van de apostel Paulus welbeschouwd het voorstadium van de lichamelijke transformatie bij de wederopstanding? (p. 180; p. 191v)

b. Welk beeld gebruikt de exegeet Harris om de relatie tussen beide transformaties inzichtelijk te maken? (p. 181; vgl. p. 322v)

c. Welke specifieke aanduidingen gebruikt Paulus voor de Geest om aan te geven dat diens werk in het hier en nu een vooruitgrijpen is op diens werk bij de wederopstanding? (p. 163; p. 282; vgl. p. 172)

d. Wat zou het gegeven dat de wederopstanding het slot is van een proces dat hier en nu al in de gelovige tot stand wordt gebracht, kunnen zeggen over de specifieke aard van het opstandingslichaam van de gelovige? (vgl. p. 180v)

9a.       Waar verwacht Paulus te zijn volgend op zijn sterven? (p. 181vv)

b. Hoe kan zijn dubbele toekomstverwachting worden aangeduid? (p. 181; p. 189); waar eerder kwamen we een vergelijkbare dubbele toekomstverwachting tegen? (p. 75v; p. 83 t/m 101)

c.       Verwacht Paulus na zijn sterven tijdelijk ‘ont-lichaamd’ voort te leven? (p. 183 t/m 188)

d. Indien Paulus reeds volgend op zijn sterven de ontvangst van het opstandingslichaam verwacht, is er dan welbeschouwd nog sprake van een ‘tweefasenstructuur’ in zijn toekomstverwachting? (p. 189v; p. 316vv)

Hoofdstuk 4 – Evangeliën en Handelingen

1a. Waarom voldoet de uiterlijke verschijningsvorm van de getransformeerde Jezus zoals geschetst door de evangelisten niet aan de geldende verwachting uit Jezus’ dagen? (p. 200; p. 214v)

b. Wat zou deze onverwachte tekening kunnen zeggen over de betrouwbaarheid van het door de evangelisten geschetste beeld? (p. 200)

c. Welke overige redenen zijn er om aan te nemen dat de verhalen van de verschijningen van de opgestane Jezus in de bijbelse evangeliën in essentie eerder oud en oorspronkelijk zijn dan het product van latere fantasie? (p. 200v)

2.         Op welke wijzen benadrukken de evangelisten de lichamelijkheid van Jezus’ opstanding? (p. 215v)

3a. In welk opzicht vertoont het door de evangelisten geschetste beeld van Jezus na diens opstanding continuïteit met het beeld voor diens opstanding? (p. 215 boven; p. 216v; p. 222vv; p. 247vv; p. 271v)

b. En in welk opzicht vertoont het discontinuïteit? (p. 203 t/m 206; p. 211 t/m 215; p. 247vv; p. 272)

c. In hoeverre kan de discontinue trek van Jezus’ verschijnen en verdwijnen beschouwd worden als een ‘slingerbeweging’ van de verrezen Jezus tussen hemel en aarde? (p. 207 t/m 210); welke (discontinue) verandering brengt de definitieve beweging van zijn hemelvaart teweeg? (p. 210; p. 260; p. 272)

d. Wat zou de continue trek van het (gezamenlijk) gebruiken van voedsel en drank kunnen inhouden voor het bestaan van degenen die in Jezus’ spoor zullen opstaan, wanneer hemel en aarde uiteindelijk zullen samenvallen? (p. 261 t/m 265)

4.         Wat is het verschil tussen de opwekking van Lazarus en de opwekking van Jezus (let ook op de plaats van de lijkwindsels na hun beider opstanding)? (p. 225v; p. 232, vgl. p. 205 noot 22)

5a. Wat wil het zeggen dat volgens een woord van Jezus degenen die zullen opstaan zullen zijn ‘als engelen’? (p. 234 t/m 237)

b. Moet het nieuwe sociale verband, dat in deze uitspraak besloten lijkt te liggen, worden beschouwd als kwalitatief minder dan een relatie waarin twee mensen elkaar exclusief toebehoren? (p. 273 boven, zie ook noot 13; p. 331v, zie ook noot 126)

6.         Op welke plaatsen komt in de evangeliën en Handelingen de verwachting voor dat degenen die in hun nood op God vertrouwen voorafgaande aan de wederopstanding der doden geborgen zullen zijn bij God of Christus? (p. 241 t/m 245)

Hoofdstuk 5 – Continuïteit en discontinuïteit – De contouren – Reflectie

1.        Wat is in de behandelde bijbelse en parabijbelse[1] bronnen het begrippenpaar bij uitstek gebleken dat kan helpen zich een voorstelling te vormen van het opstandingsbestaan? (p. 268v)

2a. Waarom kan het vergelijken van het werk van de Geest in het verleden en het heden als een bron van kennis omtrent het toekomstige opstandingsbestaan worden beschouwd? (p. 270; p. 275v)

b. Wat kan verwacht worden van het werk van de Geest in het opstandingsbestaan als het gaat om de gemeenschap met en gehoorzaamheid aan God (p. 278v), om de gemeenschap der gelovigen (p. 279vv), om het lichaam (p. 282vv), en om de schepping (p. 283v)?

3a.       Wat zijn, rekening houdend met een ontwikkeling van continuïteit én discontinuïteit bij de ontvouwing van Gods heil, de vier wezenlijke karakteristieken die gezamenlijk de contouren vormen van het opstandingsbestaan zoals dat op grond van de bijbelse kenbronnen (zie p. 269v) verwacht mag worden? (p. 290 t/m 296)

b. Wat valt van elk van deze karakteristieken te zeggen? (p. 290 t/m 296)

4a. Waarin ligt naar nieuwtestamentisch besef het voortbestaan van de identiteit van de overleden gelovige gewaarborgd tot aan zijn opstanding? (p. 297 t/m 300)

b.       En waarin na zijn opstanding? (p. 297 t/m 300)

5a. Zal er in het opstandingsbestaan in principe continuïteit zijn in verhouding tot het bestaan hier en nu als het gaat om de mogelijkheid tot zondigen? (p. 300v)

b. Welke discontinue factor moet garanderen dat de mens niet opnieuw in zonde zal vallen? (p. 301v)

6a. Waarom is het hogerdimensionaliteitsmodel geschikt om zowel de continuïteit als de discontinuïteit van het opstandingsbestaan inzichtelijk te maken? (p. 303; p. 307; p. 309)

b.       Hoe moet het model niet gebruikt worden? (p. 320v)

c. Welke verschillende bijbelse gegevens met betrekking tot het opstandingsbestaan kan het helpen verhelderen? (p. 318; vgl. p. 304v, p. 310v, p. 313vv, p. 316vv)

d. Wat is, wanneer het opstandingsbestaan wordt beschouwd als een hogerdimensionaal bestaan, het antwoord op de vraag of de aarde allen die bij de wederopstanding zullen worden opgewekt wel kan bevatten? (p. 306)

7.         Als het het huidige lichaam van de gelovige is dat onvergankelijk opgewekt zal worden en als het de huidige schepping is die onvergankelijk vernieuwd zal worden, wat is dan de waarde van ons handelen hier en nu in het lichaam en aan de schepping? (p. 321 t/m 328)

8a. Op grond van welke nieuwtestamentische gegevens mag in het opstandingsbestaan verwacht worden dat geliefden elkaar zullen herkennen? (p. 328 t/m 330; vgl. p. 280)

b. Wat is nodig om ervoor te zorgen dat herkenning dan niet langer pijnlijk zal zijn? (p. 330v; vgl. p. 281)


[1] Bedoeld wordt de bronnen van de intertestamentaire literatuur (zie hoofdstuk 2).