MaatschappijPastoraat

Gun mij het sterven

“Gun mij het sterven,” verzuchtte de oude baas. Oud was hij inderdaad, en der dagen zat. Hij wist zeker dat hij geen toeters en bellen wilde als hem iets zou overkomen. Zijn leven beschouwde hij als voltooid. Geen reanimatie dus, geen beademing, geen bloedtransfusie. En dat is zijn goed recht. Ieder mens mag een behandeling weigeren. Dat is vastgelegd in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Wat je medisch gezien niet wilt, kun je op schrift stellen. De niet-reanimerenverklaring is een voorbeeld van een dergelijke, negatieve, verklaring.

Dat is iets anders dan een positieve verklaring, zoals bijvoorbeeld de wens tot euthanasie. Dat je die twee verschillende documenten, de negatieve en de positieve wilsverklaring, kunt verkrijgen bij hetzelfde loket – dat van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) – is verwarrend. Alsof je voor het boeken van je wandelvakantie moet inloggen op de site van goedkope vliegtickets.

De onhelderheid die dat veroorzaakt, werd me duidelijk door een van de argumenten die een woordvoerder van de NVVE noemde om de groeiende vraag naar de niet-reanimerenpenning te verklaren (Trouw, 12 augustus). Zij voerde de afnemende invloed van de kerk aan. Mogelijk gaat dat wel op voor het grote aantal euthanasieverklaringen, maar voor de niet-reanimerenverklaringen vind ik dat niet logisch. Ik draai de redenering om. Voor mensen met een religieuze overtuiging is leven en sterven niet iets waarover je zelf beschikt, maar wat je ontvangt. Het afzien van een behandeling past in deze visie. “Ik leg mijn bestaan in handen van de Schepper”: het zijn woorden die passen bij een dergelijke levensbeschouwing.

Een andere onduidelijkheid is dat iemand, net als bij niet-reanimatie, recht zou hebben op euthanasie. Dat is een wijdverbreid misverstand. Maar de euthanasiewet is een artsenwet en geen patiëntenwet. Het geeft de kaders aan waarbinnen een dokter na opzettelijke levensbeëindiging niet strafrechtelijk zal worden vervolgd. In gesprekken met mensen merk ik dat het uit de weg ruimen van dit misverstand tot verontwaardiging leidt. De gedachte dat een dokter ‘nee’ kan zeggen tegen jouw euthanasieverzoek en zijn stem dus zwaarder weegt dan de jouwe als het gaat over je levenseinde, maakt mensen boos. Je lot ligt dan wel niet langer in handen van God, maar nu ben je overgeleverd aan de opvattingen van de medicus.

De groei in het aantal niet-reanimerenpenningen dat wordt gedragen, verklaar ik niet uit de marginale rol die het geloof nog speelt in onze samenleving, maar uit het hoge niveau van de Nederlandse gezondheidszorg. Geavanceerde medische apparatuur en hoogwaardige geneesmiddelen helpen artsen om hun patiënten effectiever te behandelen. Maar voor steeds meer mannen en vrouwen is er een grens aan de ingrepen die zij willen ondergaan. Zeker, zij willen leven, maar niet tegen elke prijs. Het dragen van de niet-reanimerenpenning is hun manier om uit te drukken: “Gun mij het sterven.” Zoals ook de hoogbejaarde man verzuchtte.

Het komt de zorgvuldigheid in de besluitvorming ten goede wanneer het onderscheid tussen de negatieve en de positieve wilsverklaring wordt benadrukt. De winst die daarmee te behalen valt, is dat mensen beter in staat zijn een reële inschatting te maken van wat zij wel en niet te zeggen hebben over hun levenseinde. Een eerste stap is dat de uitgifte van de niet-reanimerenverklaring niet langer gedaan wordt door een vereniging die een pleidooi voert voor volledige zelfbeschikking over het levenseinde, zoals de NVVE, maar door een onafhankelijk instituut.

Annemarieke van der Woude
Geestelijk verzorger in een verpleeghuis en onderzoeker aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en auteur van het boek Het doodshemd heeft geen zakken.