Maatschappij

Grondrechten als bescherming tegen de overheid (1) – door André Rouvoet

Iedereen mag geloven wat hij of zij wil. Die vrijheid van godsdienst en levensovertuiging koesteren we in een open democratische samenleving. In zo’n samenleving mogen religie en levensovertuiging ook bekritiseerd worden. Maar je begeeft je op glad ijs als je vanuit kritiek op religie politiek gaat ingrijpen. Grondrechten zijn juist bedoeld om mensen tegen de overheid te beschermen.

Dit betoogt André Rouvoet in zijn bijdrage ‘Confronteren is iets anders dan verbieden’ in de bundel Breekpunt of bindmiddel. Religieus engagement in de civil society. Hier publiceren we met zijn toestemming het eerste deel van zijn artikel, morgen – donderdag 22 december – volgt deel 2.

Religiekritiek en godsdienstvrijheid
‘Spreken over godsdienstvrijheid is als het betreden van een smal, met prikkeldraad omzoomd pad. De gevoeligheden zijn groot. Je spreekt over andermans diepste overtuiging: boosheid ligt op de  loer en ergernissen hopen zich snel op.’ Zo begon de inmiddels ex-fractievoorzitter van GroenLinks, Femke Halsema, haar in deze bundel opgenomen toespraak. Geheel met mijn instemming zette zij in met de opmerking dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging een individueel recht is dat bescherming verdient. Iedereen mag geloven wat hij of zij wil. Woorden die mij uit het hart gegrepen zijn. Het verdient waardering dat een politica van een zich bewust als seculier presenterende politieke partij dit recht op deze wijze markeert.
In het vervolg van haar betoog uitte Halsema de nodige kritiek op hoe binnen sommige religies – in het bijzonder de islam – met die godsdienstvrijheid wordt omgegaan. Zo sprak zij met compassie over moslimvrouwen die in de huiselijke kring vernederingen ondergaan en bijvoorbeeld over een 13-jarig moslimmeisje dat onder dwang bepaalde keuzes maakt. Deze gedrevenheid om dwang en vernedering tegen te gaan doet sympathiek aan. We moeten niet willen zwijgen over de zwarte kant van de islam. Grote delen van de islam hebben nog altijd onoverkomelijke bezwaren tegen de meest fundamentele politieke en religieuze vrijheden. Het islamitische verbod op geloofsafval is daar een voorbeeld van. En dat is geen constatering waar we ons bij neer mogen leggen; het vraagt om dialoog, debat en soms zelfs confrontatie.
Het past in een open en plurale democratische samenleving dat religies en levensovertuigingen bekritiseerd mogen worden: opvattingen en overtuigingen zijn niet boven kritiek verheven, ook niet als hun oorsprong religieus is. Religiekritiek is dus mogelijk. Discussie en kritiek komen overigens niet alleen ‘van buiten’, maar vinden – gelukkig – ook volop plaats binnen de verschillende geloofsgemeenschappen.

Religiekritiek ontspoort als zij de inspiratie vormt voor overheidshandelen
Hiermee is niet alles gezegd. Religiekritiek houdt niet altijd op bij kritiek op de religie zelf. Mijn moeite met wat zich onder de noemer van religiekritiek presenteert, is dat deze dikwijls in feite neerkomt op of in elk geval gepaard gaat met een ijveren voor bepaalde doelstellingen. Ook Halsema kwam daar niet los van: in haar toespraak werd duidelijk dat haar visie op de grondrechten is ingebed in haar strijd tegen wat in haar ogen moet worden beschouwd als ‘dwang en vernedering’. Die kanteling werd scherp gemarkeerd waar zij aangaf dat zij respecteert ‘dat mensen samen, in de uitleg van hun geloof, tot gedragsvoorschriften en leefregels komen, waaraan zij zich – in vrijheid, zeg ik met nadruk – willen houden’. Zij vindt het zelfs haar plicht deze fundamentele vrijheid van mensen te verdedigen. Maar dat betekent niet dat zij zich neerlegt bij die keuze. In de woorden van Halsema: vanuit de gedachte dat godsdienstvrijheid een individueel recht is, mag zij ‘er niet toe leiden dat gelovigen worden bekneld in hun levensstijl of in hun hoogstpersoonlijke wijze van geloven’.
Tal van gedragingen kunnen op die manier onder kritiek komen. De bekende hoofddoekjes natuurlijk. Maar wat dan te denken van het levensbeschouwelijk onderwijs? Of bijvoorbeeld het gegeven dat ouders hun kinderen meenemen naar de kerk? Worden zij zo niet al op jonge leeftijd geïndoctrineerd? En is dat niet in strijd met het recht om in vrijheid de keuze te maken voor of tegen een bepaalde religie of levensbeschouwing? Moeten kinderen daartegen niet worden beschermd? Er zouden meer voorbeelden te geven zijn.
De vraag moet gesteld worden of deze benadering zich wel verdraagt met het karakter van de in de Grondwet verankerde vrijheden. In elk geval liggen hier enkele zeer wezenlijke en principiële vragen. Die vragen hebben er in de kern allemaal mee te maken dat religiekritiek, of kritiek op andere levensbeschouwingen, vanzelfsprekend geoorloofd is en misschien vaak ook wel zeer nuttig, maar dat je je zacht gezegd op glad ijs begeeft wanneer je religiekritiek en overheidshandelen met elkaar verbindt.

Grondrechten als bescherming tegen overheidsoptreden
Grondrechten hebben eerst en vooral als functie om het privédomein van de burger ten opzichte van de overheid of de Staat af te bakenen. Zij zijn in onze Grondwet ook geformuleerd als individuele rechten (‘Een ieder heeft het recht…’). Tegelijkertijd is er bij de invulling van de grondwettelijke vrijheden wel degelijk ruimte voor een collectieve beleving. Heel duidelijk komt dat natuurlijk tot uitdrukking in het recht van vereniging en vergadering: dat komt aan ‘een ieder’ individueel toe, maar het heeft ons wel politieke partijen gebracht, waarin vervolgens vanuit het collectief uitgangspunten en politieke doelstellingen worden geformuleerd, die tot op zekere hoogte maatgevend (dwingend?) zijn voor de leden, althans de vertegenwoordigers van de partijen. Zij zijn intussen volledig vrij om zich daar wel of niet aan te willen binden, maar als zij dat eenmaal gedaan hebben, ligt het niet voor de hand dat de overheid zich daar om wat voor reden ook mee inlaat.
Dat ligt voor de godsdienstvrijheid niet anders. Artikel 6 van de Grondwet zegt: ‘Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.’ En ook bijvoorbeeld artikel 18 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens is daarover heel helder: ‘Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.’

Het is dus op zijn minst problematisch om – zoals dus veelvuldig gebeurt – er een probleem van te maken dat binnen geloofsgemeenschappen (of het nu om het christendom gaat of om de islam) voorschriften en leefregels aan mensen worden opgelegd. Het is immers eerst en vooral aan de leden van de betreffende gemeenschappen om te bepalen of zij zich aan een geloofsleer of aan bepaalde vormen van geestelijk gezag willen onderwerpen. Dat is niet, of in elk geval niet in eerste instantie, aan politici of politieke partijen.
Grondrechten zijn immers juist bedoeld om het domein van politiek en overheid ‘buiten de deur te houden’. Het is dus wat al te gemakkelijk om te beweren dat godsdienst niet vrij is als deze gepaard gaat met een groot aantal leefregels en voorschriften die moeten worden nageleefd. Als een hoofddoek voor een meisje van dertien jaar problematisch is, is een keppeltje of een besnijdenis dat dan ook voor een joods jongetje? Of een kind van christelijke ouders dat wordt gevraagd iedere zondag mee te gaan naar de kerk? Of de norm dat binnen de moslimgemeenschap geen varkensvlees wordt gegeten?
Wie zou moeten bepalen wanneer er sprake is van vernedering, dwang of beperking van de vrijheid van hen die tot een bepaalde geloofsgemeenschap behoren? Hier kun je als direct betrokkene, als buurvrouw of als familielid iets van vinden. Je mag het belachelijk vinden dat mensen om geloofsredenen geen varkensvlees eten. Je mag er zo je vraagtekens bij zetten als je ziet dat kinderen al dan niet tegenstribbelend naar de kerk gaan. Je mag vinden dat het hoofddoekje vrouwen in hun vrijheid belemmert. Maar vanuit de overheid en dus als politicus past hierbij terughoudendheid.

Goede bedoelingen legitimeren geen schending van grondrechten
Het argument van emancipatie, hoe legitiem ook als doelstelling van politieke partijen of van overheidsbeleid, is onvoldoende legitimatie om vanuit het politieke domein te interveniëren in het door de grondrechten afgebakende privédomein. Zie – bijvoorbeeld – de casus van de SGP. Het zit nogal wat progressieve organisaties en politici dwars dat er kennelijk vrouwen zijn die zich een verbod op actieve politieke participatie laten welgevallen. Om die reden verzetten zij zich ertegen, want dat is in hun ogen in strijd met een ander grondrecht, te weten het recht op gelijke behandeling. Dat de betreffende vrouwen daar zelf helemaal niet mee zitten in hun gebruikmaking van hun individuele grondrecht van vereniging en vergadering, lijkt daarbij niet relevant.
Wat gaat hier mis? In feite dit: dat men grondrechten niet alleen ziet als bescherming van de burger tegen overheidsingrepen, maar tegelijkertijd als sta-in-de-weg bij het bereiken van bepaalde – legitieme – politieke of maatschappelijke doelen. Wie zo tegen grondrechten aankijkt geeft blijk van een ‘instrumentele visie’: inbreuken op juridische vrijheden kunnen deel uitmaken van een strategie gericht op andere doelen, zoals emancipatie.

Ik stel daar een constitutionele visie op grondrechten tegenover: grondrechten zijn bedoeld om de politiek en de overheid op afstand van het privé-domein te houden; de uitoefening en invulling ervan is aan de mensen zelf, uiteraard ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet’.

Breekpunt

Voor meer informatie over het boek, klik hier.
Om deel 2 te lezen, klik hier.

2 reacties

  1. […] Grondrechten als bescherming tegen de overheid – door André Rouvoet (Theoblogie) Share this:TwitterFacebookPrintE-mailMeerDiggLinkedInStumbleUponRedditVind ik […]

  2. 22 december 2011 om 09:50

    Grondrechten òòk bedoeld als bescherming tegen religie

    Het is wrang om in deze tijd van grote aantallen slachtoffers van misbruik door de katholieke kerk André Rouvoet (ChristenUnie) te horen pleiten voor artikel 6 van de Grondwet, waarin staat dat ieder het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

    Grondrechten zijn ook bedoeld om mensen (kinderen) tegen religie te beschermen! André Rouvoet noemt misbruik niet in zijn bijdrage ‘Confronteren is iets anders dan verbieden’, in de bundel ‘Breekpunt of bindmiddel – Religieus engagement in de civil society’. Dan gaat het slechts over hoofddoekjes, besnijdenis en het SGP-verbod voor vrouwen op actieve politieke participatie. Geen woord over dat enorme misbruik in de kerk. ‘Maar je begeeft je op glad ijs als je vanuit kritiek op religie politiek gaat ingrijpen,’ zegt Rouvoet. – Het is mijns inziens meer zo dat de politiek zich op glad ijs begeeft als zij niet ingrijpt.

    Grondrechten zijn niet bedoeld om politiek en overheid op afstand van het privé-domein te houden. Anders kunnen genoemde mensonterende excessen zoals misbruik een kans krijgen. Dan heb ik toch liever te maken met mensen als Femke Halsema die de nodige kritiek uitte op hoe binnen sommige religies met die godsdienstvrijheid wordt omgegaan.