Maatschappij

Grondrechten als bescherming tegen de overheid (2) – door André Rouvoet

Iedereen mag geloven wat hij of zij wil. Die vrijheid van godsdienst en levensovertuiging koesteren we in een open democratische samenleving. In zo’n samenleving mogen religie en levensovertuiging ook bekritiseerd worden. Maar je begeeft je op glad ijs als je vanuit kritiek op religie politiek gaat ingrijpen. Grondrechten zijn juist bedoeld om mensen tegen de overheid te beschermen.

Dit betoogt André Rouvoet in zijn bijdrage ‘Confronteren is iets anders dan verbieden’ in de bundel Breekpunt of bindmiddel. Religieus engagement in de civil society. Hier publiceren we met zijn toestemming het tweede deel van zijn artikel, gisteren – woensdag 21 december – plaatsten we deel 1.

 

Vrijheid en verantwoordelijkheid
Zijn er dan geen beperkingen te stellen aan de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Natuurlijk wel. Formeel valt daarover op te merken (zie artikel 6 Grondwet) dat dit mogelijk is, mits geregeld bij wet. Het is echter meer inzichtelijk om de vergelijkbare bepalingen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het VN-verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BuPo) er bij te nemen omdat deze zuiverder zijn geformuleerd en wel twee kanten op.

Aan de ene kant kadert artikel 9 EVRM de mogelijkheid om de vrijheid van godsdienst en overtuiging te beperken nadrukkelijk in. Dit mag alleen als die (wettelijke) beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Aan de andere kant is in de internationale mensenrechtenverdragen ook de notie verankerd dat mensenrechten niet gegeven zijn om naar willekeur te gebruiken. Mensenrechten (aldus bijvoorbeeld de preambule van het BuPo-verdrag) zijn gegeven vanuit de vaststelling dat een ieder plichten heeft jegens de gemeenschap ‘zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is’. Daarom stelt ditzelfde verdrag ook wat betreft de nakoming van de mensenrechten en burgerlijke vrijheden niet alleen landen en staten aan, maar ook de individuele mens, ‘uit hoofde van de plichten die hij heeft tegenover anderen en tegenover de gemeenschap waartoe hij behoort’. En daarom bepaalt artikel 17 EVRM dan ook: de rechten en vrijheden die mensen toekomen zijn niet bedoeld en mogen niet gebruikt worden om de vrijheden en rechten van anderen teniet te doen. Dat geldt dus ook als het gaat om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.

Kortom: aan de ene kant mogen de mensenrechten dus zeker niet lichtvaardig beperkt worden. Aan de andere kant veronderstellen de mensenrechtenverdragen een verantwoordelijk gebruik van rechten en vrijheden.

Vrijheid en tolerantie
Tegen deze achtergrond ben ik er een groot voorstander van om (ook) de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zo ruim mogelijk op te vatten. Er mag in een samenleving sprake zijn van afwijkende opvattingen, al dan niet religieus gemotiveerd en beargumenteerd.

Die afwijkende opvattingen en gedragingen kunnen botsen met andere opvattingen en gedragingen en kunnen en mogen tot op zekere hoogte ook pijn doen. Elkaar vrijheden gunnen vereist daarom tolerantie, ook als die tolerantie niet altijd even gemakkelijk valt op te brengen. Een tolerante samenleving bewijst zich immers juist dan, als je ondanks botsende meningen en gedragingen toch met elkaar een (vreedzame) samenleving vormt. Zeker van overheidswege behoort daartoe ruimte te worden gegeven. Goedbedoelde interventies om mensen tot andere opvattingen te brengen moeten daarom met het nodige wantrouwen worden bekeken.

Bijvoorbeeld: het is in beginsel geen taak van de overheid een opvatting te hebben over de wenselijkheid van het dragen van hoofddoekjes (buiten bepaalde publieke functies) of over de (on)mogelijkheid om vrouwen als kerkelijk ambtsdrager te verkiezen. Dat is slechts anders indien mensen er toe gedwongen zouden worden om hoofddoekjes te dragen, dan wel indien men vrouwen zou willen verhinderen kerkelijk ambtsdrager te worden in kerken die hiertoe gelegenheid bieden.

Zolang mensen hun vrijheden niet gebruiken om de strafwet te overtreden of om anderen klaarblijkelijk tegen hun zin in hun vrijheden te beperken, is er voor overheidsoptreden in principe geen grond. En ook als die omstandigheden zich wél voordoen, is het eerst en vooral aan de betrokkenen zelf om daar actie op te ondernemen en behoort de overheid nog altijd zeer terughoudend te zijn in het ongevraagd treden in de uitoefening van grondwettelijke vrijheden.

Die terughoudendheid geldt uiteraard ten aanzien van alle grondrechten, maar zeker voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, die immers in zekere zin als het meest fundamentele van alle grondrechten kan worden beschouwd.

Onverantwoordelijk gebruik van vrijheidsrechten
De eerlijkheid gebiedt te zeggen – en daar hebben religiecritici een punt – dat van een verantwoord gebruik van grondrechten en vrijheden niet altijd sprake is. Zoals overal, kan ook binnen religieuze gemeenschappen sprake zijn van de nodige ontsporingen. Daarbij hoeven we niet eens alleen te denken aan gedragingen of voorschriften die met de (straf)wet strijden, zoals eerwraak of vrouwenbesnijdenis. Het kan ook gaan om dwang of drang om te voorkomen dat men de islam verlaat of met een niet-moslim trouwt. Of om mensen af te houden om te gaan met mensen van andere geloofsgemeenschappen.

Het is op dit punt zaak scherp te onderscheiden. In de eerste plaats is het de zaak van een geloofsgemeenschap of een beweging met een gemeenschappelijke levensovertuiging zelf om binnen de eigen kring eigen regels vast te stellen. Alleen de rooms-katholieke kerk gaat over het vraagstuk van het celibaat; alleen de joodse geloofsgemeenschap zelf gaat over de viering van de sabbat; alleen binnen de moslimgemeenschap zelf kan men bepalen of een hoofddoekje een noodzakelijke uiting vormt van het geloof of niet. Juist om die reden is het ook geoorloofd om de handhaving van eigen regels en voorschriften enige kracht bij te zetten door interne bevoegdheden hiertoe te gebruiken. Een besluit om leden van een kerk de toegang tot het avondmaal te ontzeggen is aan de kerk. De plaats van vrouwen in een moskee is aan het moskeebestuur.

Cruciaal is echter wel dat ook een godsdienstig genootschap geen rechtens afdwingbare zeggenschap heeft over de naleving door zijn leden van de binnen die gemeenschap geldende normen en voorschriften. Een kerk kan ouders niet dwingen hun kinderen naar een christelijke school te sturen. Een moslim mag opvattingen hebben over de wens van zijn dochter om met een christen te trouwen, maar kan dit niet afdwingen.

Vrijwillige onderwerping aan de normen van een geloofsgemeenschap is natuurlijk wel mogelijk. De principieel vrije belijdenis van het individu maakt dat noch de geloofsgemeenschap noch medeburgers of enige andere maatschappelijke instelling vermogen hem in rechte te dwingen tot gedragingen of opvattingen die strijden met zijn individuele overtuiging.

Het mag duidelijk zijn dat handelen in strijd met de wet of dreigen met maatregelen die in strijd zijn met de wet natuurlijk helemaal niet aan de orde kan zijn. Mishandeling is strafbaar, maar het dreigen daarmee evenzeer. Kritiek op andere religies of opvattingen mag, maar antisemitische uitingen mogen niet.

Besluit
Grondrechten beperken de invloed van de staat en de politiek op het privédomein. Daarin ligt hun betekenis voor burgers, die in de grondrechten de benodigde bescherming vinden ten aanzien van de inrichting van hun eigen leven. Op deze wijze is gewaarborgd dat een ieder – binnen de grenzen van de wet – eigen keuzes kan maken. Dat kunnen in een plurale democratische samenleving ook keuzes zijn die door de meerderheid van de bevolking en door de staat en de politiek niet gewaardeerd worden. Dat ligt besloten in de aard van de grondwettelijk gewaarborgde grondrechten en vrijheden. Zolang geen sprake is van misbruik van grondrechten, is er geen titel voor de staat of de politiek om in de uitoefening van grondrechten te treden.

Een strategie van emancipatie en bevrijding, die als legitimatie wordt gehanteerd om zich vanuit het domein van politiek en overheid te mengen in de uitoefening van grondrechten en vrijheden, komt gemakkelijk op gespannen voet te staan met de terughoudendheid die juist ten aanzien van de klassieke grondrechten van politiek en overheid mag worden gevraagd. Wie een dergelijke strategie desondanks hanteert, geeft – ook als men daar de beste bedoelingen mee heeft – blijk van een instrumentele visie op grondrechten en maakt zich in wezen vatbaar voor dezelfde kritiek als de benadering van Geert Wilders en de PVV ten aanzien van de islam: gelovige moslims, christenen en SGP-vrouwen moeten bevrijd worden van onderdrukkende geloofsvoorschriften, leefregels en ideologieën.

Mijn boodschap aan beiden is dan ook: de scheiding van kerk en staat is geen eenrichtingsverkeer, maar werkt twee kanten op.

André Rouvoet

Voor meer informatie over het boek, klik hier.
Om het eerste deel te lezen, klik hier.