Filosofie

God

April is de Maand van de Filosofie. Daarom vandaag een lemma uit het Klein filosofisch lexicon van Henri Oosthout, dat deze week verschijnt bij Uitgeverij Klement.

God — Wezen of principe, buiten of in de wereld, waaraan het bestaan van alle dingen of de orde van alle dingen of, meer in het bijzonder, de morele orde wordt toegeschreven.

Een kwestie van geloof en ongeloof

Hoewel de antieke Griekse filosofie en literatuur nog spreken van to theion ‘het goddelijke’ naast ho theos ‘(de) god’, is het westerse godsbegrip na de oudheid veelal verbonden met een ↗antropomorfe voorstelling. God is een wezen dat op de een of andere wijze zich iets kan voorstellen, iets kan willen, kan zorgdragen voor zijn ↗schepping of voor de mens.

Het is onaantrekkelijk om een theologie te bouwen rond een God die niets menselijks heeft. Als God zou worden geïdentificeerd met de zwaartekracht, zou hij inderdaad de schepper van sterren en planeten en van al het leven kunnen zijn. De zwaartekracht beantwoordt echter niet aan het verlangen naar een machtig wezen dat op ons lijkt en ons belang dient.

Men heeft het bestaan van God willen rechtvaardigen, zelfs willen bewijzen (↗godsbewijs), maar God heet ook onkenbaar en onbenoembaar (↗absolute, het). God is namelijk volmaakt en oneindig, ↗almachtig en ↗alwetend, maar al wat wij kennen is beperkt, onvolmaakt, eindig.

God is een kwestie van geloof en evenzeer een kwestie van ongeloof, namelijk de onwil om te geloven dat de wereld is zoals zij is: zowel iets als ↗niets, zowel schoonheid als verval, zowel ordening als raadsel. De God van de filosofen is ofwel behept met zekere eigenschappen die men kan betwisten, ofwel zo hoog en algemeen, dat niemand aanstoot aan hem kan nemen. De God van de ↗religie en de theologie is een creatie van de mens, of, naar Feuerbach, de ‘spiegel van de mens’. Of de mens een creatie van God is, kunnen wij niet weten.

De oneindigheid van God

De metafysici en theologen die God ↗oneindig noemen, bedoelen daarmee niet alleen in negatieve zin dat God onkenbaar is, maar ook, in positieve zin, dat hij volmaakt, almachtig, allesomvattend, eeuwig is. Is God echter potentieel oneindig, dan is hij op geen moment volledig gerealiseerd en is hij dus altijd onaf. Is hij actueel oneindig, dan is hij niet slechts praktisch onkenbaar (omdat ons verstand eindig is en zo’n oneindigheid niet kan bevatten), maar principieel onbepaald, zonder vorm, zonder structuur. Is God oneindig in de meetkundige zin, dan heeft hij weliswaar geen grens, maar is hij toch in omvang of macht beperkt, in zichzelf besloten, niet in staat om buiten de dimensie te treden waarbinnen hij onbegrensd is.

Anderen zeggen: God is niet alomvattend, niet eeuwigdurend, maar juist zonder tijd, zonder ruimte. God en de wereld zijn beide oneindig, meende Nicolaus van Kues, maar zij zijn het beide op een andere manier. In de wereld is alles onmetelijk uitgevouwen; in God alles tot een punt zonder afmetingen samengevouwen (ditzelfde beeld van God als punt ook bij Dante aan het slot van de Komedie). Het goddelijke is niet veel maar juist één, ongedifferentieerd, zonder uitbreiding, zonder duur, zeiden de neoplatonisten. Het meetkundige punt is echter een niets en wanneer de neoplatonisten het woord ↗een gebruiken, doen zij dit bij gebrek aan beter. De antieke denkers waren namelijk nog onbekend met het begrip ↗nul. Is God het oneindig kleine, het absoluut ene, dan verdwijnt hij in het niets.

De godvruchtige kan hier opwerpen dat zijn opperwezen zich aan de menselijke of aardse logica onttrekt. In dat geval bedrijven wij geen ↗filosofie maar ↗mystiek.

 

Henri Oosthout (1954) is classicus, wiskundige en klassiek pianist en organist. Hij heeft verscheidene wetenschappelijke en filosofische publicaties op zijn naam staan en werkt met professionele musici samen als uitvoerend kunstenaar.