Maatschappij

In de theologie is het begrip God één begrip te veel – door prof. dr. Patrick Chatelion Counet

prof. dr. Patrick Chatelion CounetTijdens de presentatie van De Bijbel theologisch, hoofdlijnen en thema’s, hield dr. Patrick Chatelion Counet onderstaande lezing. Wij zijn hem erkentelijk dat we de tekst mogen publiceren op Theoblogie.

In zijn essay Comment ne pas parler’  Hoe niet te spreken uit 1987 merkt de filosoof Jacques Derrida op dat God nog niet zo’n slecht begrip is om uit te drukken dat je spreekt over iets waarover je niet kunt spreken. Er valt niets te zeggen, maar men gebruikt niet het verkeerde begrip. Echter, om te voorkomen dat anderen mochten denken dat je weet waar je het over hebt, dient men, aldus Derrida, dit begrip sous rature te stellen. Je moet er een kruis doorhalen, GOD.

Dit idee vormde het uitgangspunt van mijn boek Over God zwijgen uit 1998, de negatieve theologie. De inspiratie daarvoor gaat nog verder terug naar mijn rechtenstudie toen we Die Metaphysik der Sitten lazen, waar Kant opmerkt dat de rechtsgeleerden nog steeds verlegen zijn met de vraag wat recht is. Juristen zijn niet in staat te definiëren wat rechtvaardigheid is. Dat geldt voor meerdere disciplines, realiseerde ik me later. Biologen weten nog steeds niet wat leven is. Antropologen kunnen de mens niet definiëren. Filosofen hebben geen idee
wat wijsheid is. En in de theologie is het begrip God één begrip te veel.

Ik was vijftien toen iemand mij voor het eerst over dit probleem deed nadenken. Simon Vinkenoog bezocht Geleen. Ik mocht er niet heen, want je moest zestien zijn om het café waar hij sprak binnen te komen. Met een clubje leerlingen vervalsten wij een legitimatiebewijs en zo zagen we de hippieheld en goeroe van de flowerpower, de schrijver Simon Vinkenoog, uitgestrekt op een bank liggen, onder een schemerlamp, met een enorme sigaret tussen de vingers. Hij oreerde met die onvergetelijk scherpsnerpende stem van hem over van alles en nog wat.
Het was duidelijk dat hij na de treinreis vanaf Amsterdam nog een andere trip maakte. Op een gegeven moment sprak hij ook over God. God was een afkorting, hield hij de jeugd van Geleen voor. G.O.D.

Geboorte. Orgasme. Dood.
Ik schrok van deze definitie. Ik vond hem kaal, naakt, doods en armzalig. Hij was ongetwijfeld realistisch bedoeld en zou zomaar als titel voor een hedendaags atheïstisch manifest kunnen doorgaan. Toen ik die avond thuiskwam sloeg ik mijn schoolbijbel open. Ik las de eerste bladzijde en de tweede bladzijde. Ik zocht een definitie van God. Ik las de derde bladzijde en de vierde. Op de
vijfde bladzijde wist ik dat ik geen definitie van God meer hoefde te verwachten, maar ik las verder. Gegrepen, zou je kunnen zeggen.

Toen ik, veel later pas, theologie ging studeren, leerde ik dat de Bijbel God nergens definieert. Althans het Oude Testament niet. De Bijbel, ik citeer nu uit een recent boek onder redactie van Klaas Spronk en Archibald van Wieringen, biedt geen systematisch uitgewerkte traktaatleer over God en over aan God gerelateerde zaken. Kijk, daar heb je wat aan. Tegelijk een definitie van theologie. Theologie is niet zo maar spreken over God, logos theou, maar het
systematisch spreken over God. En zelfs zodanig dat daaruit een leer, een traktaatleer, volgt. Zoiets vind je zelfs in het Nieuwe Testament niet, al wordt daar meer met de rede, dat wil zeggen rationeler en formeler, over God gesproken dan in het Oude Testament. In den beginne was de Logos. De Logos was bij God en God was de Logos. Johannes, de theoloog, brengt God in verband met de Taal, de Rede, het Woord. Of zoals de filosoof John Lennon vertaalt: God is a Concept. Aan deze conceptueel scheppende God
schrijft men toe wat men ook aan de conceptuele theoloog kan toeschrijven: Alles is erdoor ontstaan, en daarbuiten is er niets ontstaan van wat ontstaan is. Il n’y a pas de hors-texte, zegt Derrida in kritiek op het logocentrisme, er is geen buitentekst. Voor alles in het leven bestaat er wel tekst, citeer ik Eep Talstra’s duiding van het boek Deuteronomium. Dat wil niet zeggen dat alles taal is, maar buiten de taal, buiten het semiotische verband, is niets bereikbaar. Zonder zoeklichttheorieën, dat woord lenen we weer van Karl Popper, kunnen we
van de werkelijkheid niets waarnemen. Dat is een revolutionair inzicht. De theorie gaat vooraf aan het waarnemen. Sterker nog, zonder theorie is er geen waarneming.

Wat wil hiermee gezegd zijn? Dat theologie vooraf gaat aan Bijbelstudie? Ja, onder andere. Mijn zoeklichttheorie, toen ik voor het eerst de Bijbel begon te lezen, was de Geboorte, het Orgasme en de Dood. Voor vandaag is mij gevraagd over seksualiteit te spreken, de O van Orgasme. Geboorte en Dood doen we een andere keer.

In mijn werk voor de Konferentie van de Nederlandse Religieuzen, de KNR, ben ik voor meer dan de helft van mijn tijd bezig met het seksueel misbruik van minderjarigen in de Roomskatholieke Kerk. Dus ik wist niet of ik wel zo blij moest zijn met de uitnodiging van Archibald van Wieringen om mij nu ook in mijn hoedanigheid als exegeet, theoloog alweer met seksualiteit bezig te houden. Nog wel vanuit mijn geliefde discipline. Welnu voor seksualiteit geldt hetzelfde als voor theologie. Het komt in de Bijbel niet voor. Althans niet op het gesystematiseerde, abstracte vlak. Zo is er geen notie van homoseksualiteit,
geen notie van bestialiteit, zelfs geen notie van heteroseksualiteit. Seksualiteit is geen item. Er zijn seksuele daden, maar de seksualiteit van de mens is niet geobjectiveerd, niet apart gethematiseerd. Enkele voorbeelden.
De Heiligheidswet in het boek Leviticus ordent de seksualiteit zonder seksualiteit als zodanig te benoemen. Er worden geen vormen van seksualiteit veroordeelt, maar seksuele daden.

Leviticus 20,8 en 11-17:
Onderhoud mijn wetten. Ik ben de Heer, degene die u heiligt… Als een man gemeenschap heeft met een vrouw van zijn vader, ontbloot hij de schaamte van zijn vader. Beiden moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. (…) Als een man met een andere man omgang heeft zoals met een vrouw, begaan beiden een afschuwelijke daad. Zij moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. (..) Een man die geslachtsgemeenschap heeft met een dier, moet gedood worden; het dier moet afgemaakt worden. Als een vrouw zich inlaat met een dier, moet men zowel de vrouw als het dier doden.
(…) Als een man trouwt met zijn zuster, een dochter van zijn vader of zijn moeder, en zij zien elkaars schaamte, dan is dit een schande. Voor de ogen van hun volksgenoten moeten zij verwijderd worden.

Het gaat hier weliswaar over taboes, maar op een concreet, niet-abstract niveau. De wetgever houdt niet van getheoretiseer. Het gaat hem om de praktijk, om seksuele daden. Verafschuwde praktijken, waarin niet de aard van de man of de vrouw die ze verricht veroordeeld wordt, maar de daad. Hier wordt niet de homoseksuele mens veroordeeld, niet de homoseksualiteit als geaardheid of levenshouding, maar een seksuele handeling tussen twee mannen. Niet de al
dan niet ziekelijke begeerte tot seks met dieren, niet de bestialiteit wordt veroordeeld, maar de concrete daad. Ook het dier moet worden gedood. Met andere woorden, de daad wordt uitgewist, als was zij niet begaan. De heilige orde wordt hersteld. Door de strafbaarstelling aan de daad op te hangen en niet aan de mens, krijgt de seksuele handeling niet de kans tot een systeem uit te groeien (Seksualiteit). Zoals we in het boek Leviticus geen systematische theologie
aantreffen, zo ook geen systeemdenken over seksualiteit. In de overtreding tegen de religieuze orde, de heiligheid van God, speelt niet het homoseksuele
of overspelige subject maar de fysieke daad de hoofdrol. De verafschuwde geslachtsdaad (met een dochter van zijn vader, van man met man, of mens met dier) krijgt geen kans naar een systeem te verwijzen (niet naar incest,niet naar paiderastia of bestialiteit) zelfs niet naar een seksuele geaardheid (homoseksualiteit). Abjecte daden worden in de kiem gesmoord als een op zichzelf staand fenomeen, een exclusieve gebeurtenis of eenmalig incident.
Dit is het patroon van alle Levitische wetten: niet de mens, niet de sociologische of biologische orde staan in de Heiligheidswet centraal, maar God zelf. Wat mensen doen of laten heeft niet in de eerste plaats met henzelf, hun maatschappelijke of zedelijke orde van doen, maar met hun relatie tot God. In het oude Israël is alles maatschappij, moraal, huwelijk, gezin, seks een kwestie van religie. Elke handeling dient ervan te getuigen dat men een schepsel
Gods is. Elke handeling dient heiligheid uit te drukken. Ook de geslachtsdaad.
In mijn onderzoek naar de sacramentaliteit van het huwelijk voor de faculteit van Canoniek Recht in Leuven zocht ik naar het bepalende moment van een huwelijkssluiting. Welk moment bepaalt het sacrament? Sedert de dertiende eeuw zijn er twee opvattingen. De canonisten van de universiteit van Parijs leerden dat het huwelijk gesloten wordt door het geldige jawoord van de huwenden, het contract dat zij sluiten. De canonisten van de universiteit van
Bologna leerden dat het huwelijk gesloten wordt niet door het contract, maar door de daaropvolgende consummatio, de geslachtsdaad.

In het huidige Wetboek van de R.-K. Kerk, de Codex Iuris Canonici van 1983, vinden we de beide opvattingen verenigd in het principe dat een huwelijk dat geldig gesloten is door de paus ontbonden kan worden, d.w.z. door niemand anders dan de paus, wanneer het huwelijk niet geconsumeerd is, matrimonium ratum sed non consummatum. Daar zit evenwel één voorwaarde aan. Die ontbinding moet door een van de partijen gevorderd worden. Vinden de
partijen het geen bezwaar dat het huwelijk niet geconsumeerd wordt, dan is het een geldig huwelijk. Ratum en consummatum, contract en geslachtsdaad, zijn hier dus in evenwicht.

Wat zegt de Bijbel hierover? Tot mijn verbazing niets. In veel culturen is het huwelijk het instrument bij uitstek om de seksualiteit te ordenen, zo ook in de Bijbel, maar desondanks vinden we geen overwegingen over het moment van huwelijkssluiting. Zo veronderstelt het boek Leviticus huwelijkse relaties dat hij die overspel pleegt met de vrouw van een ander (20,10)  maar nergens wordt aangegeven waardoor die relaties gelegitimeerd zijn. Mijn veronderstelling luidt dat de geslachtsdaad tussen man en vrouw het huwelijk bezegelt.

In het oude Israël werden huwelijken gevierd zonder dat het moment supreme  het exacte moment van huwelijkssluiting precies is vast te stellen. Het is niet zeker of er een priester aan te pas kwam, we weten niet of de bruid en bruidegom een formulier ondertekenden (pas later, vanaf de hellenistische tijd worden eenzijdig door de man getekende contracten opgesteld) of dat zij elkaar een jawoord gaven. Toch lijkt er één definitief moment te zijn, een moment van no return, namelijk de huwelijksnacht. Wellicht een aanwijzing dat de geslachtsdaad het eigenlijke moment van sluiting is. Deuteronomium 22,13-21 schrijft voor dat het met bloed bevlekte laken uit de huwelijksnacht als teken van het gesloten huwelijk moet worden beschouwd:

Wanneer een man een vrouw huwt en, nadat hij omgang met haar heeft gehad, niet meer op haar gesteld is, en wanneer hij haar beschuldigt en in opspraak brengt door te zeggen: ‘Ik heb deze vrouw gehuwd, maar toen ik haar naderde, ontdekte ik dat zij geen maagd meer was, dan moeten de ouders van het meisje het bewijs van haar maagdelijkheid bij de oudsten van de stad bij de poort brengen. (…) Daarbij spreiden zij het kleed voor de oudsten van de stad uit. Dan moeten de oudsten van die stad de man straffen. (…) Blijkt de beschuldiging waar te zijn en stelt men vast dat het meisje inderdaad geen maagd was, dan moet men haar naar de deur van haar ouderlijk huis brengen. En de burgers van de stad moeten haar doodstenigen; want zij heeft een schanddaad in Israël begaan door ontucht te plegen terwijl ze nog in haar ouderlijk huis woonde.

Als het meisje eerder geslachtsgemeenschap heeft gehad, is dat een ongeldigheidgrond voor het huwelijk. Door de eerdere geslachtsdaad, zo luidt de redenering, is reeds een huwelijk voltrokken. Een nieuw huwelijk is niet meer mogelijk, althans ongeldig. In deze zelfde zin geslachtsgemeenschap creëert een huwelijk spreekt Deuteronomium 22,28-29:

Wanneer een man een maagdelijk meisje ontmoet dat nog niet verloofd is, haar vastgrijpt en gemeenschap met haar heeft, en wanneer zij op heterdaad betrapt worden, moet de man die gemeenschap met dat meisje heeft gehad aan haar vader vijftig zilverstukken betalen. Hij moet haar huwen omdat hij haar verkracht heeft; zijn leven lang heeft hij niet meer het recht haar te
verstoten.

Verkrachting leidt tot een huwelijk en een verbod om de verkrachte vrouw te verstoten. In plaats van de verkrachter uit de gemeenschap te verbannen of te doden, verplicht men hem te huwen, omdat hij haar in feite al gehuwd heeft. Door de geslachtsdaad. Let wel. Omdat de bijbel geen huwelijkswetgeving geeft, creëren de theologen deze. Zo spreekt de Bijbel ook niet expliciet over seks met kinderen, zelfs Leviticus niet. Is dit zo vanzelfsprekend dat het geen aandacht behoeft? Misschien wel, je zou hopen van wel. Seks met dieren komt voor. Seks met kinderen is ondenkbaar. Het is natuurlijk naïef om dit te veronderstellen. Zoals het naïef is om te veronderstellen dat de gelofte van celibaat seksuele gevoelens dooft. Eind februari 2010 werd Nederland opgeschrikt door de vele meldingen van seksueel misbruik van minderjarigen door priesters, broeders, paters, soms ook zusters in de R.-K. Kerk Nederland. Van enkele tientallen gevallen liep de teller al gauw op naar honderden en thans zijn bij de commissie Deetman meer dan 2.000 gevallen gemeld en horen we van hem, zeer binnenkort, een beredeneerde schatting om hoeveel duizenden gevallen het gaat na de Tweede Wereldoorlog. Seksueel misbruik van kinderen is van alle tijden, ook Bijbelse. De Romeinse geschiedschrijver Suetonius beschrijft de uitspattingen en misdaden van keizer Tiberius waarvan de roep ook Palestina en de joodse tijdgenoten van Jezus van Nazareth bereikt, zo rond 30 na Christus. Consuls, keizers, leiders van het volk kregen kinderen aangeboden bij wijze van cadeau ter seksueel vermaak. Het volk eerde hun leiders daarmee. Het ging daarbij niet om kinderen van vrije Romeinse burgers, maar die van slaven en slavinnen, uiteraard. Suetonius beschrijft wat Tiberius met deze willoze geschenken uitspookt:

Suetonius, Keizers van Rome, Tiberius 43-44:
Op Capri liet hij plekjes voor zinnelijk genot inrichten waar jongens en meisjes verkleed als faunen en nimfen seksuele diensten aanboden: het volk noemde deze plaats openlijk de tuin van de oude bok [Tiberius] verwierf een reputatie in nog grovere schanddaden die men nauwelijks durft te vertellen, laat staan te geloven. Zo zou hij kleine jongens (die hij visjes noemde) geleerd hebben om tussen zijn dijen te kruipen als hij ging baden om hem te prikkelen
met hun likjes en beetjes, en ongespeende baby’s hield hij aan zijn geslachtsdeel als was het de borst, verkikkerd als hij door zijn aard en leeftijd was op deze vorm van bevrediging. Het aanbieden van kinderen ter seksueel vermaak van mannen van aanzien is een praktijk die zo veronderstel ik meespeelt op de achtergrond van het verhaal over de kinderen die men bij Jezus brengt. Een praktijk die impliciet maar streng veroordeeld wordt. Marcus vertelt het
als volgt:

Marcus 10,13-16:
De mensen probeerden kinderen (paid­a) bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken, maar de leerlingen berispten hen. Toen Jezus dat zag, wond hij zich erover op en zei tegen hen; Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan. Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende
hen door hun de handen op te leggen.

Niet onmiddellijk duidelijk in dit verhaal is de houding van de leerlingen die willen verhinderen dat mensen kinderen (niet: hun kinderen) bij hem brengen. Het woord paid­a kan kinderen betekenen, maar ook slaafjes. Het Griekse woord voor aanraken (hapstai), zeggen sommige exegeten, heeft seksuele connotaties. Denken de leerlingen wellicht aan de Romeinse lusthofverhalen en grijpen ze daarom in? Verdenken ze deze paid­a ervan dat het hoertjes
en schandknapen zijn? Het verhaal kan een kritiek zijn op de Grieks-Romeinse praktijk van dit schandelijke eerbetoon. Sommige exegeten volgen deze weg. In elk geval wordt de situatie door Jezus op zijn kop gezet. Hij ziet in het kind het kind. Volledig onbevangen neemt hij hen in zijn armen en zegent hen. Zijn uitspraak: Het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij, benadrukt hun onschuld. Mochten de leerlingen de kinderen bij Jezus weghouden omdat zij hen van bijbedoelingen verdenken, Jezus keert dit vermoeden van schuld om in onschuld.

Er is nog een tweede passage die door exegeten met pedofilie in verband wordt gebracht. Verdedigt de eerste tekst de onschuld van de kinderen, de tweede veroordeelt de schuld van de volwassenen. In het evangelie van Mattheus veroordeelt Jezus het gedrag van mensen die kinderen van hun eer beroven en verachten (Mattheus 18,1-6 en 10):

Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemelen?’ Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer en zei: Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemelen zeker niet binnengaan. Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemelen. En wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt
mij op. Wie een van deze kleintjes (mikroon) die in mij geloven van de goede weg afbrengt (skandali), die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken Waak ervoor om ook maar een van deze kleintjes te verachten.

Het woord skandali doet vermoeden dat het hier over misbruik gaat, over pedofilie. Schandaliseren betekent dat men een kind van zijn eer berooft. De straf is van de zwaarste soort. Dood door verdrinking. Niet helemaal overigens, want dat zou op zijn beurt weer onchristelijk zijn Jezus maakt hier eerder een soort vergelijking: door een kind te misbruiken verklaart de dader zichzelf dood. Dezelfde redenering als in de Heiligheidswet van Leviticus. Niet de mens staat centraal. Maar zijn relatie tot God. Wie kinderen misbruikt, doodt zichzelf door zich buiten de heilige orde te stellen.

Onze cultuur was tot voor kort een christelijke cultuur waarin seksueel misbruik van minderjarigen voor alles als zonde gekwalificeerd werd. Een doodzonde, als we het evangelie dus goed lezen. Thans is misbruik vooral een misdaad die geregeld wordt in het Wetboek van Strafrecht. Daders van seksueel misbruik lever je over aan het Openbaar Ministerie. Dat is oceaan genoeg om in te verdrinken. Echter, hun daden mogen niet worden verzwegen. De daders mogen niet worden geabsolveerd of stilletjes naar een andere plek in de kerk overgebracht. Want dan leg je die molensteen anderen om de hals. Hoe vergevingsgezind we ook willen zijn, hoe postmodern of negatief theologisch we ook lezen, het evangelie biedt hier geen ruimte.

Tot slot. Ik zou het binnen de triniteit Geboorte, Orgasme, Dood alleen over Orgasme hebben. De dood is op het laatst toch mee binnengeslopen. En dan niet via le petit mort, zoals de Fransen het orgasme noemen, maar natuurlijk omdat God alles in allen is.


Prof. dr. Patrick Chatelion Counet is bijzonder hoogleraar De Bijbel in de Nederlandse cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkte als auteur meer aan De Bijbel theologisch.