Dogmatiek

God als werkwoord

Interpretatie-Logo180

 

In deze derde aflevering van Dubbelfocus staat een tekst uit het begin van het boek Exodus centraal, Exodus 3:1-8. Het is het verhaal van de ontmoeting van Mozes met de ‘godheid’.

Verschenen in Interpretatie 21-4, juli 2013  

Exodus 3:1-8

Uit het artikel ‘Onverwachte overwinning’ in het meinummer wordt de leesmethode van de redactiekritiek overgenomen, en daarnaast zal een methode in lijn met de Amsterdamse school worden toegepast.

Redactiekritiek

Deze methode heeft als doel een tekst zoals die in de uiteindelijke versie voor ons ligt te verklaren vanuit tradities die daaropin gewerkt hebben. Een redacteur of een groep redacteuren draagt zorg voor een nieuwe presentatie van uiteenlopende overleveringen. Door middel van selectie, stilistische verbeteringen of het toevoegen of weglaten van woorden wordt de uiteindelijke tekst samengesteld.

Wij kennen verschillende tradities die stof hebben aangereikt voor Exodus 3:1-8. Een overlevering waarin Jetro of Reüel, een priester van Midjan, een rol speelt. Een overlevering waarin de berg Horeb een rol speelt, wellicht in samenhang met de godsnaam Elohiem (E). Een traditie waarin de godsnaam jhwh (J) een rol speelt en een overlevering die wel de Priestercodex (PC) wordt genoemd. Wat zie je nu als je met een redactiekritische bril naar onze tekst Exodus 3:1-8 kijkt?

–     In vers 1 wordt de traditie van de priester Jetro verbonden met de hoofdfiguur Mozes. De Midjanieten stonden in de tijd van Mozes op goede voet met de Israëlieten (Gen. 25:2 en Ex. 18). Blijkbaar werd ook de godheid van Midjan getoleerd naast de El van de Israëlieten.

–     In vers 1 komt ook de Horeb-traditie ter sprake. De Horeb wordt de berg van de godheid (ha-elohiem) genoemd door de redacteur en daarmee wordt door hem wellicht een verbinding gelegd met de E-bron. Het woord ‘Horeb’ betekent ‘woest land’.

–     In de verzen 2-6 komen beide godsnamen, Elohiem en jhwh, voor, en volgens de gangbare theorie in de bijbelwetenschappen is het waarschijnlijk de hand van de priester-redacteuren die de oude J-traditie met de E-traditie heeft gecombineerd. De PC-redacteuren bewerkten de overleveringen vanaf de tijd van de ballingschap (587-537 v.C.) en daarna. Met de priestercodex wordt een soort basistekst bedoeld waar teksten van J en E in geweven zijn. Deze basistekst wordt gekenmerkt door schematisering en liefde voor getallen, zoals zichtbaar in het eerste scheppingsverhaal (Gen. 1:1-2:4a).

–     De tekst wordt afgesloten met een tekst uit de J-overlevering binnen het schema van PC. De bijzondere eigennaam jhwh krijgt betekenis door zeven werkwoorden die diens presentie verbinden met het lot van het slavenvolk Israël. Vooral de werkwoorden ‘zien’ en ‘redden’ vallen op in relatie tot deze godsnaam.

–     In een iets ruimer verband is de hand van PC ook te herkennen. In de drie verzen die voorafgaan aan Exodus 3:1-8, 2:23, 24 en 25, wordt de ‘God’ van Israël ook al verbonden met werkwoorden, maar dan met de aanduiding Elohiem. Dezelfde betrokkenheid op het lot van de kinderen van Israël blijkt uit de werkwoorden: horen, gedenken, zien en kennen. Het vers dat volgt op onze tekst, 3:9, pakt het schreeuwen van de kinderen van Israël uit Exodus 2:23 weer op, maar nu is het jhwh die de pijn van de kinderen van Israël ziet.

Het is de vraag of we met de bril van de redactiekritiek echt recht doen aan de betekenissamenhang in de tekst zoals die voor ons ligt. Deze bril helpt ons te verbazen over het feit dat de religie van de Midjanieten naast die van de Israëlieten voorkomt en naast die van de andere zes volkeren die in Exodus 3:8 worden genoemd. Maar oog voor overleveringen die van invloed zijn geweest op de eindredactie van een tekst is onvoldoende om scherp verbanden en verbindingen tussen woorden, zinnen en motieven in een eindtekst te zien. Vandaar dat we dezelfde tekst ook lezen vanuit de literaire methode die in lijn is met de Amsterdamse school.

Amsterdamse methode

Exodus 3:1-6 is het begin van het roepingsverhaal van Mozes als herder van het slavenvolk (Ex. 3:1-4:17). De ontmoeting met Elohiem/jhwh is het begin van de zending van Mozes naar de farao door Elohiem/jhwh in drie fasen. Ieder van die drie fasen wordt ingeleid met het woordje ‘ga’ (Ex. 3:10,16; 4:12).

De Amsterdamse school, geïnspireerd door vertalers als Buber en Rosenzweig, gaat uit van de aanname dat een bijbeltekst een unieke literaire schepping is. In deze benadering wordt/worden de redacteur(en)(R) beschouwd als iemand/een groep die, gebruikmakend van overleveringen, een tekst componeert/componeren tot een betekenisvol geheel. Dat componeren komt voort uit spirituele verbeeldingskracht, die uit beeldtaal nieuwe creaties laat ontstaan. Vorm en inhoud bepalen elkaar daarbij wederzijds. De bijbelgeleerden/-vertalers Martin Buber en Franz Rosenzweig hebben de Hebreeuwse Bijbel gezien en gelezen als een spirituele schepping die hoorders in nieuwe generaties steeds opnieuw wil aanspreken in de eenheid van vorm en inhoud. Om die reden wordt de betekenis van een tekst niet achter of onder de teksten gezocht, maar in het kunstig gevormde geheel zelf. Een van de literaire technieken die Buber en Rosenzweig hanteren is de techniek van de colometrie. In hun vertaling zetten zij op een regel wat in een adem uitgesproken wil worden.

Een tweede literaire techniek die Buber en Rosenzweig benadrukken is de zogenaamde Leitwortstil. In een tekst als literaire creatie spelen sleutelwoorden een belangrijke rol. Die willen de hoorder leiden naar betekenis en zin. Een sleutelwoord in Exodus 3:1-8 is het werkwoord ‘zien’.

–     In het brede raamwerk tussen Exodus 2:2 en 3:9 is door de redacteur ruimte gemaakt voor tien vormen van het werkwoord ‘zien’. Zes van die vormen zijn verbonden met de godsnamen Elohiem (= ‘God’, een soortnaam) of jhwh (‘Adonai’/de Ene, een eigennaam) en vier keer in relatie tot Mozes.

–     Een ander sleutelwoord in deze episode is het woord voor doornstruik, sene, dat direct verwijst naar Sinai. En met de term ‘Sinai’ verwijst de bijbelse beeldtaal naar de plaats waar jhwh Mozes de opdracht geeft om zijn volk te gaan hoeden als herder.

Denk mee

De methode van de Amsterdamse school kan ons de ogen openen voor de betekenis door te letten op de vormgeving van de tekst. Ik zou de lezer willen uitdagen om met de twee genoemde brillen naar de tekst van Exodus 3:1-8 te kijken en mij te vertellen wat je via ieder van de twee brillen gaat zien?

Geef hieronder uw reactie.

Drs. B. van den Berg is narratief theoloog, lector Dynamische Identiteitsontwikkeling aan de Marnix Academie in Utrecht en lid van de redactieraad van Interpretatie. Hij bereidt een dissertatie voor over leerlingen van de basisschool die op een dialogische en creatieve wijze kennismaken met bijbelverhalen, getiteld: Speelruimte voor dialoog en verbeelding.