Een gesprek tussen Herman Noordegraaf en Jozef Wissink. Dr. Herman Noordegraaf is bijzonder hoogleraar voor diaconaat aan de Protestantse Theologische Universiteit. Dr. Jozef Wissink is emeritus hoogleraar Praktische Theologie aan de Universiteit van Tilburg. Dit gesprek vond plaats tijdens de presentatie van het handboek Diaconaal doen doordacht.

Herman: Ons is gevraagd om Diaconaal Doen Doordacht kort te introduceren. Dat zullen we in sneltreinvaart doen. Kan jij, Jozef, zeggen wat de redactie met dit boek wil?

Jozef: We gaan in het boek uit van de diaconale praktijk en willen daaruit via analyses komen tot methodologische inzichten. Dus is er een aantal praktijken, tien in totaal, beschreven.

Ik noem ze even:diaconaal doen doordacht

  • Schuldhulpmaatje;
  • Een voedselbank;
  • Wijkgericht kerk-zijn (zorg van de kerk voor de wijk);
  • Exodus-opvang van ex-gevangenen;
  • De oprichting van sociale coöperaties door Cordaid;
  • Pelgrimage langs diaconale plekken van vroeger en nu als diaconaal leerproces;
  • Apoyo a la Mujer vanuit een migrantenparochie;
  • Bevordering van duurzaamheid in kerk en wereld;
  • Materiële hulpverlening op plaatselijk vlak vanuit de gemeente (of parochie): diaconie en PCI-werk;
  • M25 als diaconaal leerproces.

De keuze van deze praktijken is zelf al van groot theoretisch en praktisch belang. De keuze is uiteraard niet willekeurig. Ze sluit aan bij hedendaagse sociale kwesties als armoede en sociale uitsluiting en ontwikkelingen als de transformatie van de verzorgingsstaat naar de zogeheten participatiemaatschappij. Waarbij we vooral denken aan de ontwikkelingen op het terrein van zorg en welzijn. We willen als auteurs daarbij de zaak van de diaconie breed trekken. Zodat de traditie niet overgeslagen wordt, maar tegelijk nieuwe vormen van hulp en bij de mensen in nood zijn ook aan bod kunnen komen. Ik wijs er apart op, dat er ook twee projecten aan de orde komen, die expliciet gericht zijn op leerprocessen in verband met diaconie: M25 en de pelgrimstocht langs diaconale plekken. In het eerste gaat het erom jongeren diaconaal actief te laten zijn en met hen te reflecteren op wat ze daarbij ervaren hebben: wat gebeurt er tussen mensen, wanneer je ze op deze wijze ontmoet? Wat doet dit met jou en met je geloven of niet-geloven? We trekken dit erbij, omdat de vraag naar de toekomst van de diaconie ons ook bezig houdt en diaconale praktijk, die geen leerprocessen opent, misschien minder toekomst heeft. Daar denken we zowel aan het contact met jongeren als aan de zaak van de spiritualiteit van de diaconie. Nadrukkelijk hebben we ook de kwestie van duurzaamheid in haar sociale en ecologische dimensies opgenomen.

Herman, kun jij nu zeggen hoe we vanuit casusbeschrijvingen tot methodische inzichten komen?

Herman: We komen vanuit beschrijvingen van praktijken tot methodische inzichten door over de beschrijvingen als het ware een raster te leggen met punten die van belang zijn voor het diaconale handelen. Voor dat handelen bestaat geen blauwdruk, maar er is aandacht nodig voor op zijn minst vier punten, die op hun beurt weer met elkaar in samenhang gebracht moeten worden. Zo komen we tot methodologische inzichten voor de diaconale praktijk.

  1. Bewustzijn en analyse van de context: sociaaleconomisch, maatschappelijk, politiek, cultureel. Bij het denken over de diaconale betrokkenheid bij de zorg is het bijvoorbeeld van belang om te onderkennen welke verschuivingen zich voordoen en wat deze betekenen voor mensen die zorg behoeven.
  2. Theologische gezichtpunten, zoals de waardigheid van de mens en de voorrang voor de armen.
  3. De organisatie: een diaconie of een parochie, een met de kerk verbonden werkgroep of een stichting, de vrijwilligers en eventuele beroepskrachten en hun onderlinge verhouding, de verhouding tot niet-kerk gebonden organisaties en de overheid en zo is er meer te noemen.
  4. Het diaconaal handelen: hoe is de relatie tussen de zogeheten hulpgevers en hulpontvangers en is er naast hulpverlening ook aandacht voor empowerment, pleitbezorging bij overheden en instanties, signalering en publiek debat.

Alle vier punten, zo is onze stelling, zijn van belang om tot een goede opzet van diaconaal handelen te komen: context, theologie, organisatie en handelen.

Die analyses leveren inzichten op, die samen een aanzet vormen voor een methodologie van het diaconaat. Het boek is geen werkboek met directe hints en trucs en praktische aanwijzingen, maar levert inzichten in wat goed diaconaal handelen, laten en zijn is; wat er in goed diaconaal handelen allemaal komt kijken; waar je op moet letten, wil je handelen kritisch aansluiten bij wat er in onze samenleving gaande is en wat er aan geloof gaat omstaan in het diaconale handelen. Methodologie dus. Dat wil niet zeggen dat iedereen die aan de desbetreffende activiteit deelneemt, dit allemaal moet doorgronden, maar idealiter is het in het geheel van de bij de activiteit betrokkenen aanwezig.

Dit allemaal gezegd hebbend, zou ik jou. Jozef, als vaktheoloog, iets willen vragen over een opvallend theologisch punt, namelijk het werken aan verzoening als onderdeel van het diaconaat. In ons eerste deel, Barmhartigheid en gerechtigheid, was onder invloed van de doperse traditie, het werken aan vrede opgenomen als achtste werk van barmhartigheid. In dit deel is die handschoen weer opgepakt. Kun je daar meer over zeggen?

Jozef: De verzoening heeft inderdaad nadrukkelijk aandacht gekregen in dit deel. Wat komt daar uit?

In het tweede deel, Diaconie in beweging, hebben we als redactie de auteurs gevraagd, om in hun reflecties op de thema’s aandacht te besteden aan de vraag of hun thema ook in verband gebracht kon worden met de verzoening die ons in Christus gegeven is. Het resultaat was nul-komma-nul. Dank zij de vasthoudendheid van Herman van Well is toen besloten, dat we als redactie nu zelf verantwoordelijkheid zouden nemen voor de check, of dit resultaat terecht was.

Het bleek ook een rijkelijk ingewikkelde exercitie te zijn: je moet de dialoog aangaan met de systematische theologie, de exegese, de godsdienstwetenschap om op het spoor te komen van wat er allemaal te pas komt rondom “verzoening”. We hebben dat in kaart gebracht en twee dieptepeilingen gedaan rondom het werk van de Franse theoloog en filosoof René Girard en de helaas vroeg overleden arbeidspastor Berthil Oosting, die allebei verrassende toegangen hebben gevonden tot waar het bij verzoening om gaat. Bij Girard gaat het om de ontmaskering van het gefoezel met het kwaad en het stoppen van het geweld. Om een diaconale verbindingslijn te noemen: wat de waarheidscommissie in Zuid-Afrika bedoelde en gedeeltelijk ook echt deed, ligt in de lijn van Girard. Berthil Oosting gaat in op de betekenis van Leviticus en het gebruik daarin van het Hebreeuwse woord kipper, dat ‘zoenoffer’ betekent. Het heeft te maken met de erfenis van Egypte, die Israël met zich meedraagt na de bevrijding ervan. In de woestijn vergelijkt Israël God met farao: in Egypte hadden we tenminste nog te eten. Dat betekent dat men God als het ware in het economisch model dringt. Kipper slaat erop, dat men aan deze systeemdwang ontsnapt, dat er een andere dimensie van de omgang met God geopend wordt en daarmee van het visioen van vrede e gerechtigheid.

Laat ik een voorbeeld geven, van hoe zo’n theologische benadering licht werpt op een groot diaconaal thema en andersom. Het diaconale thema is: ‘helpen onder protest’. Het komt aan de orde bij een aantal van onze praktijkbeschrijvingen, heel uitdrukkelijk bij de voedselbank. Je kunt als kritiek hebben, dat de voedselbank eraan meehelpt dat de afbraak van de sociale welzijnsstaat enigszins verzacht wordt en zo helpt; ook dat het aanvaarden van de overschotten van de supermarkten het systeem van de overproductie bevestigt. Dat klopt in zekere zin ook. Tegelijk moeten er mensen geholpen worden in hun directe nood. De notie ‘helpen onder protest’ gaat in op de directe nood, omdat het moet, maar houdt tegelijk de dimensie van het uitzien naar echte gerechtigheid en een sociale samenleving open. Er moet een andere manier zijn, om met het recht der armen om te gaan.

Herman: Onze tijd is al weer bijna om. De redactie heeft de lange en soms moeizame arbeid – we zijn in 2012 begonnen – kunnen volhouden door haar hartstocht voor het diaconaat. Zij heeft dienstbaar willen zijn aan de diaconale praktijk, in het hier en nu, maar ook naar de toekomst toe. Laten we er allebei iets over zeggen. Kort gezegd: hoe zie jij de toekomst van de diaconie/het diaconaat?

Jozef: De vraag wordt natuurlijk sterk gekleurd doordat we geconfronteerd worden met de enorme krimp van de mainstream-kerken, die momenteel een groot aandeel hebben in wat er op het diaconale veld gebeurt. Ik formuleer het zo, aan de ene kant om aan de kleinere geloofsgemeenschappen geen onrecht te doen en om anderzijds de ernst van het probleem te laten staan.

Stefan Paas heeft in zijn boek Vreemdelingen en priesters me ervan overtuigd, dat we niet meer moeten dromen van geweldige stromen van nieuwe toetredenden tot het priesterschap. Dan geloven we eerder in de macht van de getallen dan in God. Ik zet dus in op een vitale minderheidskerk, die aan de ene kant een sterke geloofsidentiteit heeft en aan de andere kant weigert om sektarisch te worden. Ik bedoel met dat laatste dat de kerk katholiek moet blijven: open naar elke cultuur, naar alle mensen, het gesprek zoekend met mensen en culturen van nu. Het goede bevestigend, het kwade aanklagend. Kritische participatie dus.

Als dat gebeurt, zal er diaconie blijven. Op kleinere schaal, maar toch: geloven en liefde zijn niet uit elkaar te halen. Misschien zal het werken aan de maatschappelijke nood vaker anoniemer gebeuren: onder allerlei organisaties, waarin christenen met anderen samenwerken. Maar het is dan wel zaak dat men in de eigen gemeenschappen ervan weet, waar ieder mee bezig is, om geloof en leven bij elkaar te houden. Daarvoor en ook voor onderlinge hulpverlening zal er altijd wel iets van organisatie blijven, al was het maar omdat mensen van binnen en van buiten toch moeten weten, waar ze terecht kunnen en omdat de geboden hulp ook trouw moet kunnen doorgaan. Het kan zijn, dat wij van de meer evangelicale christenen moeten leren, dat er ook hele lichte organisatievormen zijn, zoals zij nu soms bij de grotere kerken de voordelen van hechtere organisatievormen leren.

Herman: Ik kan mij goed vinden in wat je zegt, Jozef. Een punt zou ik eraan toe willen voegen: voor het in stand houden en ontwikkelen van een vitale diaconale infrastructuur is het van belang om een combinatie te hebben van de inzet van vrijwilligers en van beroepskrachten. We krijgen dan een kleine kern, onder wie een beroepskracht en beleidsmatig ingestelde vrijwilligers, die zorg draagt voor continuïteit, randvoorwaarden als financiering en organisatie, relaties met gemeentebestuur en andere organisaties. Met deze kern zijn concrete activiteiten verbonden waarvoor gericht vrijwilligers geworven worden. Als ik kijk naar de Protestantse Kerk dan moet het mogelijk zijn om bij samenwerking tussen meer diaconieën en in interkerkelijke samenwerking voldoende geld te verkrijgen voor diaconale beroepskrachten. Ook in een kleinere kerk is dat mogelijk. Dit is een reële droom!

N.a.v. Diaconaal doen doordacht / Hub Crijns (red.) / Uitgeverij Kok / als hardcover en e-book

 

 

Andere boeken voor het diaconaat:

[huge_it_portfolio id=”12″]