Geloof

Geloven tijdens het tandenpoetsen

In de zomer van 2012 maakte Nederland kennis met Churandy Martina. Deze Antilliaanse atleet vertegenwoordigde ons land bij de Olympische Spelen in de finales van de 100 meter, de 200 meter en de estafetteloop. Hoewel hij geen podiumplaats bereikte, verscheen hij na elke finale weer lachend voor de camera. Zijn blijdschap werkte aanstekelijk en Martina was een graag geziene gast in de diverse talkshows rondom de Olympische Spelen. Hij kreeg later nog een rolletje in een commercial. Wat naast zijn aanstekelijke plezier ook opviel, was dat Martina zijn geloof betrok bij het rennen. Op televisie was te zien dat hij voor elke sprint bad. Je zou misschien denken dat hij dan teleurgesteld in God zou zijn op het moment dat hij zo’n finale niet won, maar dat bleek niet het geval. Bij Martina overheerste de dankbaarheid. Op Twitter schreef hij: ‘First of thank you Lord for the blessing 3 Olympic games, 2 of them in the final of the 100m and 200m.’

Begin jaren zestig reed Anne van der Bijl met zijn Volkswagen naar voormalig Joegoslavië. Zijn Kever lag vol bijbels, smokkelwaar voor de christenen achter het IJzeren Gordijn. Na een rit van duizenden kilometers, vaak ook over onverharde wegen, kwam hij weer terug in Nederland en bracht hij zijn auto voor een onderhoudsbeurt bij de monteur. Die opende de motorkap, inspecteerde de motor en geloofde niet dat de auto nog steeds leefde. ‘Onmogelijk!’ De motor was helemaal versleten. Hoe kon het dat de auto nog steeds reed? Anne van der Bijl schreef dat toe aan het feit dat hij onderweg elke dag voor de auto had gebeden.

Bidden voor de finale? Bidden voor je auto? Het geeft mij een ongemakkelijk gevoel. Want mijn geloof is vaak zo geestelijk. De kerk, de bijbelkring, mijn stille tijd – dat zijn vaak de plekken en tijden waarop ik mijn geloof uitoefen. Eventueel nog tijdens het lezen van het kerkblad. Op die momenten heb ik contact met God. Niet als ik in de file sta of boodschappen doe of mijn inbox leegmaak. Dan leef ik gewoon, in deze wereld. En ergens weet ik wel: zo heeft God het niet bedoeld. God wil dat mijn hele leven in het licht van zijn Zoon staat. Want zelfs een geestelijk mens als Paulus, die zo’n groot inzicht heeft gekregen in het heilsplan van God, betrok het geloof heel dicht bij het gewone leven. Hij schreef dingen als: ‘Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door hem’ (Kol. 3:17) en ‘Dus of u nu eet of drinkt of iets anders doet, doe alles ter ere van God’ (1 Kor. 10:31). En in een uitspraak als ‘Of weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest?’ (1 Kor. 6:19) wordt ons geestelijke leven zelfs letterlijk met ons gewone leven, ons lichaam, verbonden.

Déjà vu
Maar hoe dan? Hoe kunnen we ons geloof bij het gewone leven betrekken? Hoe worden we ons meer bewust van de verbinding die God in Jezus Christus met ons wil aangaan? Hoe kan ons gewone leven echt ‘wandelen met God’ worden? Laatst kwam deze vraag aan bod op mijn bijbelkring. Onderweg had hij elke dag voor zijn auto gebeden. We waren eerlijk tegenover elkaar en het bleek dat we toch niet zo dicht bij God leefden als we graag zouden willen. Een bijbelkringlid concludeerde: ‘Ja, we moeten meer bidden en bijbellezen.’ Instemmend geknik was haar deel.

Op dat moment had ik een onaangenaam déjà vu. Ik herinnerde me ineens hoe ik als tiener op de jeugdclub mijn jeugdleider hoorde zeggen: ‘Jongens, echt: we moeten meer bidden en bijbellezen.’ Én ik herinnerde me hoe ik als twintiger op de bijbelkring met medestudenten onze conclusie verwoordde: ‘Eigenlijk zouden we gewoon meer moeten bidden en bijbellezen.’ En nu, als dertiger, was dit dus weer de oplossing voor het verhogen van ons middelmatige geestelijke peil?! Wat zou dan überhaupt nog kunnen verhinderen dat het devies ‘meer bidden, meer bijbellezen’ mij ook als veertiger en vijftiger nog verder zou achtervolgen?

Moedeloosheid bekroop me. Want ik wilde graag een hechtere band met God, ik wilde ook met hem wandelen in mijn dagelijks leven. Op mijn werk, in de auto en bij verjaardagsfeestjes. Tegelijkertijd dacht ik dat ik daarvoor meer tijd nodig had, en vooral meer stille tijd. En dat lukte me dus al jaren niet…

Op elke plek geloven
De blijdschap van Churandy Martina en het getuigenis van Anne van der Bijl laten mij gelukkig weten dat we niet alleen contact met God hebben op ‘geestelijke momenten’ tijdens stille tijd, op de bijbelkring of tijdens de kerkdienst. Ook tijdens Olympische finales en tijdens autoritten zijn Gods kracht en liefde beschikbaar. En, ik vul het maar even aan, ook op momenten dat je je tanden poetst, college volgt of de afwas doet. Broeder Laurentius – hij was kok in een klooster in de zeventiende eeuw – zei al: ‘De tijd waarin wij ons werk doen, verschilt niet van de tijd waarop wij in gebed zijn. Ik ga met God om, even rustig gedurende de drukte in de keuken – waar soms verschillende mensen mij tegelijkertijd allerlei dingen vragen – als was ik geknield voor het heilig Sacrament.’

Als ik daar even bij stilsta, dan gaat er een wereld voor me open. De rijkdom in Christus is er dus overal en altijd voor ons. Zijn gunst rust op mij, niet alleen als ik op mijn knieën voor mijn bed lig om te bidden, maar ook als ik op mijn knieën voor mijn bed lig om een sok op te rapen. Zijn liefde werkt door mij heen, niet alleen als ik in de kantine bid, maar ook als ik in de kantine lach om een goede grap. Zijn wijsheid is in mij, niet alleen als ik een kerkelijke clubavond voorbereid, maar ook als ik een teamoverleg van mijn werk voorbereid. God is mijn Redder en Hij verlost, niet alleen als ik praiseliederen zing op een conferentie, maar ook als het huilen mij nader dan het lachen staat vanwege een nare e-mail die ik heb ontvangen. Wat betekent dat voor het verlangen van mijn bijbelkring om meer met God verbonden te zijn, om tijdens het hele leven met hem te wandelen? Allereerst denk ik dat we ons minder hoeven vast te bijten op het verhogen van de frequentie van onze bekende christelijke activiteiten. We hoeven ons immers niet zelf omhoog te werken naar God.

We dienen toch een Heer die juist naar beneden is afgedaald om ons op te zoeken en bij ons te zijn? Vanuit die rust kunnen we zoeken naar een verbreding van onze omgang met God. Paulus zet me daarbij op het goede spoor: alles wat je doet, Gods gunst rust op mij als ik op mijn knieën lig om een sok op te rapen kun je doen tot eer van God. Met dat verlangen ben ik in de tweede brief van Paulus aan de gemeente van Korinte gaan lezen.

Daarin ben ik twaalf werkwoorden tegengekomen waarmee we ons geloof kunnen uitoefenen en inoefenen. Het heeft mij geholpen om mijn geloof minder geestelijk te laten zijn. Ik hoop dat het jou ook zal helpen en dat je gaat beseffen dat God ook in je verdriet, in je gedachten, in je ruzies en in je geluk aanwezig is.

Jan Willem van Dijk

Jan Willem van Dijk (1980) is theoloog en werkt bij de HGJB. Hij gaat regelmatig voor in kerkdiensten en spreekt voor grote groepen jongeren op evenementen als de HGJB-kerstconferentie. Volgende week verschijnt zijn boek Geloven tijdens het tandenpoetsen. Een sprankelend boek dat jongeren en jongvolwassenen helpt om het geloof te beleven in het leven van alle dag. Deze tekst is het voorwoord uit zijn boek.