Geloof

Engelen als gasten? – door dr. D.J. Steensma

Dr. D.J. Steensma, als predikant verbonden aan de Christelijke Gereformeerde Kerk in Feanwëlden, schreef een recensie over het boek Engelen als gasten? van dr. Robert Vosloo dat eerder dit jaar verscheen bij Uitgeverij Boekencentrum. Deze recensie is met toestemming overgenomen uit het Kerkblad voor het Noorden. Wij zijn de redactie daarvoor zeer erkentelijk.

christelijke gastvrijheidGastvrijheid staat onder druk. Velen keren zich ongenuanceerd tegen vreemdelingen. Maar Abraham ontving de drie mannen die bij hem in Mamre kwamen, bijzonder gastvrij. Later bleek dat hij gastvrijheid had verleend aan engelen. Ook de mannen uit Emma’s hadden zonder dat zij dat wisten een goddelijke gast in hun midden. Over christelijke gastvrijheid is een inspirerend boek verschenen van de hand van Robert Vosloo: Engelen als gasten?

Gastvrijheid jegens de naaste is een opdracht van het evangelie. Die opdracht vraagt gehoorzaamheid. Maar ze biedt ook kans op zegen. Sommigen hebben vanuit hun aandacht voor de herbergzaamheid engelen onderdak verleend (Heb. 13, 2). Bovendien heeft gastvrijheid een positieve uitstraling naar de samenleving toe. Ze vormt een tegenwicht tegen een cultuur van angst voor vreemdelingen en wie anders zijn. Een herontdekking van gastvrijheid in onze tijd is geen luxe maar noodzaak. Het was juist de openheid voor vreemdelingen in de eerste christelijke kerk die een grote indruk maakte op haar heidense omgeving. Die openheid betoonden de christenen tegenover huisgenoten van het geloof maar ook jegens hen die geen huisgenoten waren.

Verwelkoming
Volgens Vosloo, hoogleraar systematische theologie en kerkgeschiedenis aan de Universiteit van Stellenbosch te Zuid-Afrika, bestaat gastvrijheid in het verwelkomen van mensen in hun anders-zijn. Het nieuwtestamentische woord voor gastvrijheid is philoxenia, liefde voor de vreemdeling.
Verwelkoming van vreemdelingen is vaak moeilijk en kan ook pijnlijk zijn. Doorgaans willen we wel openstaan voor hen die anders zijn. Hun anders-zijn trekt ons aan. Ze spreken een andere taal, hebben een andere manier van kleden en kennen andere gebruiken en gewoonten. We worden erdoor gefascineerd. Maar tegelijk roept dat anders-zijn gevoelens van angst op. We weten niet precies wat de ander meebrengt. Die onzekerheid speelt vooral mee wanneer de ander langdurig bij ons blijft. Gemakkelijk ontstaat ergernis en afkeer. Zelfs kan de bittere wortel van de haat voedsel vinden. Haat jegens vreemdelingen en wie anders zijn groeit mede onder invloed van een gevoel van machteloosheid.
De afwending van wie anders is, uit zich op verschillende manieren. Dat kan bijvoorbeeld doordat we voorwenden dat we geen tijd hebben. We hebben doorgaans wel tijd voor wie bij ons horen, maar niet altijd of vaak niet voor hen die verder bij ons vandaan staan. We vinden dat we onze tijd ‘goed’ moeten gebruiken. We hebben geen tijd voor zaken die ons niets ‘opleveren’. Tijd is geld.
Bovendien menen wij dat we geen plaats hebben voor de ander die anders is dan wijzelf. We kunnen moeilijk een en dezelfde ruimte met hem delen. Gemakkelijk ontstaat ergernis. Sartre schreef dat de ander de hel is. Dat is wel heel sterk uitgedrukt. Maar toch is het een feit dat we ons gauw aan een ander ergeren. Bovendien zijn we bang dat we het overzicht kwijtraken. Dat overzicht wordt bedreigd wanneer iemand ons bestaan binnenkomt die zich anders gedraagt. Dat geeft onzekerheid. Zijn aanwezigheid maakt dat wij minder controle hebben over onze leefsituatie. Dat ervaren we als een bedreiging. We willen daarentegen onze leefsituatie beheersbaar houden. Dan voelen we ons veilig.

Openheid
De algemene trend is dat mensen in een dergelijke situatie willen terugkeren naar een bekend en vertrouwd patroon. Daarvoor zijn twee strategieën. De eerste strategie maakt gebruik van de eis van aanpassing. Dan moet de ander zijn anders-zijn inperken zodat hij meer op ons lijkt. Zijn cultuur en alles wat eigen aan hem is en ons ergernis geeft, moet hij wegdrukken. We gaan er dan van uit dat de ander daartoe de mogelijkheid heeft en zich daadwerkelijk kan aanpassen. De tweede strategie maakt gebruik van uitsluiting: de vreemdeling wordt verbannen en wie anders is verstoten. Daarvan zijn voorbeelden bekend, in het groot en in het klein. Bij deze beide strategieën van ongastvrijheid brengen mensen de ander terug tot een ‘probleem’. Deze is dan iemand die de orde verstoort. Hij maakt dat onze leefsituatie niet beheersbaar is. Dat ‘probleem’ vraagt een oplossing. Die oplossing moet door de ander worden aangedragen: hij moet zich aanpassen of weggaan. Wanneer dat gebeurt, is het probleem ‘opgelost’.

Vosloo houdt daarentegen een pleidooi voor gastvrijheid. Openheid voor de ander betekent echter niet dat wij onze eigen identiteit zouden moeten opgeven. Het houdt juist in dat we daarmee pas echt recht doen aan onze identiteit als mens. Gastvrijheid is niet alleen een bijbelse opdracht maar ook een deugd die hoort bij ons mens-zijn. In de gastvrijheid doen wij dan wat onmiskenbaar bij ons mens-zijn hoort: ruimte geven aan de ander. Gastvrijheid bewerkt dan ook dat wij daardoor zelf tot ontplooiing komen. Wat eigen is aan ons leven, komt daardoor tot ontwikkeling. We worden mede door de ontmoeting met de ander wie we zijn. Gebeurt dat niet, dan lijdt ons mens-zijn schade.
Een voorbeeld van iemand die deze bestemming misliep, is Kaïn. Kaïn gaf geen ruimte aan Abel die de zwakkere en geringere was. Maar doordat hij dat niet deed, kon hij zijn bestemming niet verwerkelijken. Hij bleef opgesloten in zichzelf. Zijn identiteit ontleende hij aan een negatieve gedachte. Abel was voor hem geen verrijking, maar een bedreiging. Het gevolg daarvan was dat hij Abel niet in zijn omgeving wilde hebben, een houding die op moord uitliep. Ook wij voelen ons soms in onze eigenheid bedreigd door iemand die anders is. Daarop willen we onze identiteit beschermen. Dat kan doordat we een vijandbeeld schetsten of doordat we de ander tot een zondebok maken. Vaak gaat de zorg om bescherming van de eigen identiteit gepaard met demonisering van de ander. Uiteindelijk zou dat kunnen leiden tot de vernietiging van mensen die niet passen in ons patroon.

Uitdaging
Volgens Vosloo moeten we een alternatieve koers inslaan die een grotere kwaliteit van leven geeft en uitzicht op een rechtvaardiger samenleving. De uitdaging is dat we zoeken naar een menselijke en rechtvaardige stijl van samenleven. Maar daarvoor is een beweging nodig van angst naar gastvrijheid. Daarvoor is ook nodig dat tijd en ruimte worden vrijgemaakt. Deze koers sluit niet uit dat we tegelijk voorzichtig moeten zijn. We zullen gehecht moeten zijn aan een goede orde in de samenleving. Maar die gehechtheid aan veiligheid en orde mogen we niet losmaken van het doen van gerechtigheid.
Vosloo schrijft over de wijze waarop gastvrijheid in verschillende culturen en tradities gestalte heeft gekregen, maar vooral over gastvrijheid in de christelijke traditie. Hij noemt vele waardevolle elementen uit het bijbelse spreken daaromtrent en het denken over dit thema in de geschiedenis. Het laatste deel van zijn boek gaat onder meer in op gastvrijheid in de samenleving als geheel en gastvrijheid in de christelijke gemeente.

Margriet van der Kooi heeft dit bijzonder lezenswaardige boek uit Zuid-Afrika gehaald en vertaald. Terecht merkt zij in haar verantwoording op dat rechts noch links in onze ‘verwilderste’ samenleving een begaanbare weg bieden. De kerk daarentegen kan in het debat over gastvrijheid putten uit rijke bronnen. Het boek geeft nieuwe inspiratie voor dat gesprek. James Kennedy heeft een aanbeveling bij het boek geschreven. Met die aanbeveling kan ik van harte instemmen.

Feanwëlden
Dr. D. J. Steensma