Theologie

Emanuel Rutten: Alles wijst naar God

Als eerste beginsel is God in alles aanwezig. Maar als oorsprong van alles is hij tegelijk ook meer dan al het binnenwereldlijke. Er zijn veel redelijke argumenten om in God te geloven, stelt filosoof en wiskundige Emanuel Rutten. En al het lijden dan? “Ik stel mij God voor als verkerend in een existentiële crisis op het moment van schepping. Huilde God misschien?”

Door Theo van de Kerkhof

We treffen elkaar op een vrijdagochtend in een Amsterdams café in Oud-West. Het gesprek zal gaan over God. Het is een prachtige novemberdag. We kijken uit over het water. Het zonlicht kleurt de herfstbladeren goudgeel. “De zaak van het theïsme is sterker dan ooit”, zegt filosoof en wiskundige Emanuel Rutten. “Sinds de jaren zestig en zeker de laatste decennia zijn de rationele argumenten vóór het bestaan van God enorm verbeterd. Daarnaast zijn er veel nieuwe argumenten bijgekomen én zijn de bekende kritieken van Hume, Kant en Russell allemaal weerlegd. Het is tragisch, maar heel weinig mensen weten dat: het atheïsme ligt op de grond. Als je als godsdienstfilosoof nu een uitdaging zoekt, zou je eigenlijk het atheïsme moeten gaan helpen. Wie nu nog aankomt met Russell’s Why I Am Not a Christian loopt bijna een eeuw achter.”

Met onstuitbaar enthousiasme praat Rutten over zijn vakgebied en passie. Toch heeft hij pas laat het christelijk geloof ontdekt, vertelt hij. Hij leefde in een soort dogmatische sluimer dat geloven irrationeel zou zijn. Als jong wiskundige was hij ervan overtuigd dat de wiskunde de diepere aard van de werkelijkheid kon ontsluiten. “Daar was ik vrij radicaal in. Wiskunde was voor mij het absolute, de waarheid, het antwoord op de wezensvraag: ‘Wat is het zijn?’ En ik ben daar in aanraking gekomen met prachtige dingen: de Galoistheorie, dat is kunst. Daar kun je stil van worden.

Voorbij de vorm
Maar op een gegeven moment ging hij de beperkingen inzien. “De wiskunde blijft hangen in structuren. Ze zegt wel degelijk iets over hoe de werkelijkheid is. Maar zij onthult slechts de vorm van het zijn. Wat de wereld ís, haar herkomst en inhoud voorbij die vorm, daarover zwijgt de wiskunde. Ik zocht naar meer inhoudelijke antwoorden. Waar komen wij vandaan? Wat is de zin van het leven? Wat is waarachtigheid, wat is het om mens te zijn, wat brengt ons hier, waartoe word ik geroepen?”

Min of meer toevallig liep Rutten tegen de wijsbegeerte aan en ontdekte daar een hele nieuwe manier van rationaliteit. “We lazen Heidegger, voor mij een openbaring. Dat je ook zó, op die manier, rationeel kon zijn.”

Via de wijsbegeerte kwam hij in aanraking met christelijke denkers en zo met het Nieuwe Testament. Dat was voor hem in gelovig opzicht dé eyeopener. Sindsdien beweegt zijn gelovige bestaan zich langs twee lijnen: een filosofische doordenking en een meer existentiële beleving. In zijn filosofie bespeelt hij voluit het register van de logica en de analyse. “Maar dat wil niet zeggen dat ik het gevoel, de intuïtie of de ervaring uitsluit. Het geloof omvat alle vermogens van de mens: gevoel, intuïtie, rede, wil, verbeeldingskracht. In het geloof resoneren die allemaal mee.” Je moet in het geloof het redelijke (logisch argumentatieve) én bovenredelijke (intuïtieve, mystieke) bij elkaar houden, vindt hij. “De filosoof meandert daar tussenin. Zo voorkom je dat geloof in rationele schraalheid verzandt of in zweverige wolligheid vervluchtigt.”

Een daarmee samenhangend onderscheid dat Rutten maakt, is het verschil tussen het ‘dat’ en het ‘wat’ van het geloof. “De analytische filosofie is heel geschikt om te laten zien dat er goede argumenten zijn om aan te nemen dat God bestaat. Maar wat God is, wat hij voor ons bestaan betekent in de meer existentiële zin, komt daarmee nog niet onmiddellijk in beeld.”

Absoluut begin
Hoe verloopt die weg naar God? Een elegante en eenvoudige argumentatie – een van de vele – vindt hij de volgende: “De wereld (de natuur, de kosmos) heeft een begin. Dat inzicht sluit aan bij de meest actuele stand van zaken in de natuurwetenschap. There is no escape. We have to face a cosmic beginning, zegt de bekende kosmoloog Alexander Vilenkin. Hoe je de ontwikkeling van de kosmos ook wil denken van big-bang tot snaartheorie; alle courante natuurkundige modellen impliceren dat het universum een eindige tijd geleden ontstaan is. Overigens zijn er ook los van de fysica a priori argumenten die aantonen dat het tijd-ruimtelijke universum een absoluut begin kent. Vervolgens: alles wat begint te bestaan moet een ontstaansoorzaak hebben. Iets komt niet uit niets voort. Conclusie: de kosmos heeft een oorzaak die zelf buitenruimtelijk, buitentijdelijk en immaterieel is, want de kosmos is immers al het tijd-ruimtelijke materiële. Nu zijn er redelijkerwijs twee kandidaten voor een immateriële, boventijdelijke en bovenruimtelijke oorsprong, namelijk een abstracte entiteit (zoals wiskundige objecten) of een immaterieel bewustzijn. Een abstracte entiteit kan echter niets veroorzaken. Het getal ‘2’ bijvoorbeeld, veroorzaakt niets. Maar dan volgt dat de oorzaak van de wereld redelijkerwijs een immaterieel bewustzijn is. De oorsprong van de kosmos is een iemand en geen iets, een persoon in plaats van een ding.”

Raken aan de wereld
Maar hoe kom je nou van de meer afstandelijke redeneringen, het schaakbord van het ‘dat’, bij de mysterievolle ruimte van het ‘wat’, de levendige, beeldende invullingen van het goddelijke zoals die in de religies fungeren?

Het geloof krijgt inhoud in de volheid van het leven zelf, meent Rutten. “Je moet raken aan het leven, dan is de ervaring van het goddelijke overvloedig, als je er voor openstaat. Mijn leven is meer dan een louter wijsgerig leven. Voor mij is bijvoorbeeld het lichamelijke, het affectieve, het sensibele van het leven essentieel. Ik heb altijd een zekere affiniteit gevoeld met de sferen van het nachtleven, het uitgaan, de sferen van feesten, dansen, plezier, de roes. Noem het voor mijn part het Dionysische. Ook daar verhoud ik mij toe. In mijn voor-filosofische periode had ik al het gevoel dat in die sferen iets speelde dat meer is dan louter het plezier van het moment. Het gaat om contact maken met de werkelijkheid, om raken aan de wereld. Wie alleen maar leeft in de denkwereld van de filosofie mist het leven zelf en daarmee het zijn, en daarmee de grond van het zijn.”

Als er iets is dat Rutten fascineert dan is het wel de vraag naar de grond van zijn. “Wat is de arche, de grond van alles, de oorsprong, het eerste beginsel? Dat is toch het meest verheven thema, het meest fascinerende mysterie. Die vraag begeestert mij als filosoof meer dan wat ook. Al het andere is ook interessant, maar in het licht van die vraag ….”

“Mijn filosofie loopt uit op een esthetica. Daarin onderzoek ik de betekenis van het sublieme. Mijn stelling is dat de ervaring van het sublieme de ervaring is van de zijnsgrond, de arche, het goddelijke. Het sublieme is dat waardoor we overrompeld worden, wat ons treft van verbazing of ontzetting, dat wat ons aantrekt en afstoot in een orkaan of een sterrenhemel.”

God is overal
Waar je ook begint, alles wijst naar God, zo is zijn overtuiging. “Denk aan Levinas, in de ethische sfeer. Als je het lijden van de ander ziet. Ook daar komt God in het vizier. En uiteraard in de religieuze context, maar ook in de wereld van de wetenschap en de logica zijn in mijn ogen veel tekenen van God te ontdekken. Het alledaagse leven: Jezus wijst op Martha die druk bezig is met zorgen, maar dat kom je ook al bij de Griekse filosoof Herakleitos tegen. Als zijn vrienden hem erop aankijken dat hij aan het kokkerellen is in de keuken, is zijn antwoord: ‘Ook hier zijn de Goden’. God is overal. It’s all scattered over the place. Je moet er natuurlijk wel ontvankelijk voor zijn. Wie zich afsluit, ziet het niet. Maar wie zich openstelt, zal zien dat heel de wereld begrijpelijker wordt, betekenisvoller. Alles valt op zijn plaats.”

Imperfect
Meer dan door de wijsbegeerte werden Rutten de ogen geopend toen hij in contact kwam met de evangeliën. “Op afstand het mooiste verhaal ooit. Het verhaal der verhalen”, schrijft hij in één van zijn geschriften niet lang na zijn ontdekking van het christelijk geloof.

“Doorslaggevend in die ontdekking was uiteindelijk een groot gevoel van vreugde en dankbaarheid. Ik besef maar al te goed dat ik imperfect ben. Toen ik in contact kwam met de Bijbel en voor het eerst las over de beperktheid van de mens, de eindigheid, de gemankeerdheid, dacht ik: dit gaat over mij. Bij de Grieken las ik over perfectie, over jezelf vervolmaken, je deugden maximaal verwerkelijken. Dat ging niet over mij, want ik wéét dat ik imperfect ben. In het verhaal van Christus werd ik persoonlijk aangesproken. Mijn eigen zondigheid kon ik een plek geven. Dat gaf een bepaalde rust. Niet als excuus, maar het kreeg een plaats. “

Ook is sindsdien zijn morele gevoeligheid wel wat toegenomen, zegt hij. “Niet dat ik niet meer tekortschiet, maar het is alsof je beschikt over een moreel kompas. Al was het alleen maar dat ik me soms afvraag: ‘Wat zou Jezus doen in deze situatie?’”

Een ander aspect is dat geloof je helpt om beter met het lijden om te gaan. “Wie zijn leven in een oneindigheidsperspectief kan zien, wordt rustiger. Je relativeert de dingen makkelijker. Want je weet, in the end of the day,… Het gaat om God; het gaat om Christus. In het licht van de kruisiging en de opstanding, in het licht van dat enorme geschenk, wordt heel veel dragelijk. Kun je rustiger in het leven staan. Voor wie dat niet heeft, is steeds alles een top-issue. Als je alleen maar immanent denkt, alleen maar gelooft in genieten in het hier en nu, dan heb je gelijk een existentieel probleem als het even wat minder gaat. Begrijp me goed, ik bagatelliseer het lijden niet. Er is lijden dat eerder met stomheid slaat. Daar zwijg ik. Maar vanuit een gelovig perspectief kun je dingen makkelijker dragen. ”

Evangelicaal?
Hebben we nu niet geleidelijk de overstap gemaakt naar een andere manier van spreken? En doemt hier niet voorzichtig, achter de logisch argumenterende filosoof, de gestalte van Andries Knevel op? Er is wel een sprong, erkent Rutten, van het wijsgerige naar het gelovige verhaal: “De wijsbegeerte vermag veel, maar niet alles. En evangelicaal? Als je wilt, mag je me zo noemen als je het maar kwalificeert. Waar doel je op? Wat betreft de geloofsclaims ben ik behoorlijk traditioneel, maar in mijn dagelijkse leven ben ik dat allerminst. Ik ben een vrij mens en niet bang om echt te leven. Ik heb weinig met regeltjes, hoe alles hoort of niet hoort. Wat dat betreft ben ik heel liberaal.

En voor alle duidelijkheid: ik ben geen young earth creationist (die geloven dat de aarde en het universum van vrij recente datum zijn – ThvdK). Ik ben een evolutionair theïst; ik geloof in een ‘geleide evolutie’. De wetenschap is geen vijand, maar een vriend van het geloof. Het gaat mij om de constitutionele claims van het christendom: schepping, zondeval, verlossing. De uittocht en de gebeurtenissen met het volk Israël, dat Mozes geleefd heeft, Jezus, de opstanding. Dat zijn historische feiten; ja dat geloof ik. Maar of een mythisch verhaal als dat van Jonas en de vis ook waar gebeurd is, of de vraag of Maria altijd maagd is gebleven, I couldn’t care less. Daar gaat het natuurlijk niet om. Ja, ik geloof dat God kan ingrijpen in de geschiedenis. En nee, de opstanding is alles behalve een bizar leerstuk. De natuurwetten gelden conditioneel. De kosmos aan zichzelf overgelaten volgt die wetten onverkort, maar dat sluit niet uit dat God als instantie die niet met de kosmos samenvalt, kan ingrijpen als hij dat wil.”

Probleem van het lijden
Maar loop je zo niet keihard tegen het probleem van het lijden aan? Als God incidenteel kan ingrijpen in de geschiedenis, waarom doet hij dat dan niet constant in het licht van al het leed in de wereld, van menselijke of fysische oorsprong? Rutten kent de traditionele antwoorden: God wilde vrije mensen scheppen. En het fysische kwaad? “Misschien is het wel metafysisch onmogelijk een wereld te maken waarin geen ongelukken gebeuren. Had God dan niet moeten scheppen; de duisternis en leegte moeten laten overwinnen?”

“Ik stel mij God voor op het moment van de schepping als verkerend in een existentiële crisis. God huilt op het moment van de schepping. Wat moet hij doen? De duisternis en leegte laten overwinnen of, ondanks alles, de wereld tot aanzijn te laten komen? In die crisis besluit hij: ik zal scheppen, licht in de duisternis laten schijnen, het niets, de leegte, niet laten overwinnen. Maar dan zal ik ook mee de verantwoordelijkheid dragen. Ik zal incarneren en meelijden met de wereld. Het kruis is het antwoord op het lijden. Kruis en lijden zijn beide raadsels, maar als je ze samen brengt, los je beide raadsels op.”

“In de film The Tree of Life verbeeldt Terence Malick het ontstaan van de kosmos. Terwijl je die prachtige beelden ziet, hoor je het Lacrimosa van Preisner uit Requiem for a friend. Waarom hoor je daar, bij de geboorte van de wereld, een requiem? Huilde God misschien? Wist hij dat een groot lijden de wereld zou doorkruisen toen hij op het punt van scheppen stond? The Tree of Life is een filmisch theodicee, die mij diep heeft geraakt. God is noodzakelijk goed en wij kunnen in vrijheid het goede kiezen, wat ook een groot goed is. Uiteindelijk, al is het aan het einde der tijden, zal er verlossing zijn. Het licht zal overwinnen, al is het pas aan het einde der tijden. Wat anders kon God nog geven? Hij hééft alles gegeven, het ultieme.”

Vrijzinnige stromingen
Een louter symbolische duiding van het geloof zoals binnen de meer vrijzinnige stromingen van het christendom gebruikelijk is, vindt Rutten te mager: “Dan raak je veel kwijt. Ik ben bereid met alle mystici mee te gaan, die pendelbeweging te maken tussen bevestiging en ontkenning, tussen een positieve en een negatieve theologie. Maar alle verbeelding, alle mystieke inkleding, moet uiteindelijk verankerd zijn in een aantal ‘dat’-claims. Anders mis je een referent en blijft je betoog geheel immanent.”

Klik hier om het volledige artikel te lezen.