Geen categorie

Effata!

Het uitbrengen van het boek Verlangen. Een theologische peiling is in meer dan één opzicht een waagstuk. De auteur is een bekend en begaafd theoloog, uit Duitsland afkomstig en jarenlang in Engeland werkzaam geweest. Is er ‘markt’ voor een boek van hem in ons land? Daar komt nog bij dat het niet in strikte zin een boek is, maar een bundeling van een vijftal tussen 2007 en 2013 gepubliceerde artikelen.

Een waagstuk is het nog meer, omdat dr. Wannenwetsch bijna twee jaar geleden in opspraak geraakt is. In het inleidend artikel van Herman Paul wordt er kort iets over opgemerkt. Hoe verstandig is het dan om als redactie en uitgever toch door te gaan met de plannen tot vertaling en publicatie?

Nu, men heeft het aangedurfd en ik wil graag kwijt dat ik heel blij ben dat dit boek vandaag verschijnt. Ik complimenteer dus ook graag de uitgever voor de moed, de vertalers die voortreffelijk werk gedaan hebben en de redactie die deze vijf bijdragen heeft uitgezocht en bij elkaar gezet. Het zijn niet maar vijf interessante artikelen, het is werkelijk een boek geworden! Een boek ook dat ons iets te zeggen heeft en dat ik van harte ter lezing aanbeveel. Ter gelegenheid van deze aanbieding wil ik aan de hand van een paar trefwoorden proberen duidelijk te maken waarom ik het zo de moeite waard vind.

Tegengeluid
Om te beginnen: Wannenwetsch verbindt theologie en leven nauw met elkaar, maar haspelt ze niet door elkaar. Dat laatste gebeurt als theologie niet meer is dan duiding van wat er gebeurt. Geen vraag, dat kan heel boeiende inzichten en doorkijkjes opleveren, maar je kunt er geen zaken mee doen. En dat is bij Wannenwetsch wél het geval.

Op twee plekken in zijn boek komt Jezus’ genezing van een dove man in Marcus 7 aan de orde. ‘Effata’, word geopend, zegt Jezus tot die man. Het is illustratief voor wat het Woord van God in mensenlevens doet. We hebben het niet al, het is niet een religieus besef dat in ons sluimert en er alleen op wacht gewekt en aangevuurd te worden. Als het dat zou zijn, zijn we weerloos ten opzichte van alle vormen van eindeloos verlangen die onze cultuur aanjagen.

Wannenwetsch laat een tegengeluid horen, dat ons overigens als muziek in de oren mag klinken! We zijn er niet toe veroordeeld mee te deinen op de golven van de tijd, er is een heilzaam en reddend tegengeluid, het evangelie van Jezus Christus. Even lijfelijk als de eindeloze jacht naar meer, het onstilbare verlangen dat in het grondwater van onze kapitalistische samenleving zit. Lang geleden was ik legerpredikant en circuleerde in het vormingswerk een korte film met de titel ‘Het genieten’. De dienstplichtige soldaten vlogen meteen op de titel af. Maar na twee minuten ontstond er gemor, dat luider werd en even later uitmondde in een kleine opstand. ‘Kan dat ding uit?’. Vervolgens werd dan de vraag gesteld, wat ze zojuist bekeken hadden. Geen idee. Toch hadden ze de film al vaak gezien, in fragmenten. Het was namelijk een compilatie van reclamespotjes, gespeeld door dezelfde acteurs en vanuit net even een andere invalshoek. Een verstikkend vervelende wereld was het, waarin mensen het overdreven en onwaarschijnlijk leuk en gezellig hadden met elkaar, de zon altijd scheen, afwassen ‘fun’ was, kinderen en ouderen gezond waren enz. Het is onthullend om te lezen hoe Wannenwetsch de ontwikkelingen in de reclame schetst. De fase waarin we ons bevinden wordt niet meer bepaald door het product, dat begerenswaardig zou zijn. Nee, we ‘funshoppen’ om verlangen op te wekken. Verlangen is het bewijs dat wij leven. ‘Ik verlang, dus ik ben.’ ‘Een moment van vervulling kan niet meer zijn dan een bijkomstigheid in de eeuwige stroom van verlangen.’ Augustinus heeft ‘het verlangen naar het verlangen’ al doorzien als een dekmantel, waaronder we de richtingloosheid, leegheid en chaos van ons innerlijk voor onszelf en anderen pogen te verbergen.

Het is goed dat Wannenwetsch deze wereld van verlangen op de snijtafel legt en ons een anatomische les geeft. Dat kan hij, omdat hij geloof en leven wel als geheel verweven ziet, maar ook van het verschil weet. Geloof en kerkzijn is geen gesloten circuit, dat zichzelf aan de praat moet houden en ook van zichzelf leeft. ‘Effata’, is het woord dat geklonken heeft en klinkt en ons uit de macht van de afgoderij als zonde weghaalt, om met en voor God te leven.

Religie in de samenleving
Wannenwetsch voert op enkele plaatsen in zijn boek Walter Benjamins kritiek van het kapitalisme op, dat – zoals in de afgelopen decennia wel een slogan was van politieke partijen en omroepen, u mag raden welke– niet gehinderd wordt door een expliciete doctrine, die mensen zich eigen moeten maken. Nee, het is als de spreekwoordelijke hondenkar, waarop een worst voorgehouden wordt die de hond aan het lopen moet krijgen en houden, tot hij erbij neervalt. De aanhangers ervan – en wie ontkomt eraan?! – worden gekenmerkt door toewijding, door uitwissen van het onderscheid tussen werkdag en rustdag, door ambitie in plaats van dienst en door een eindeloos gevoel van tekortschieten en het niet halen, in plaats van vreugde over vergeving en een nieuw bestaan.

In de vroege Engelse Verlichting ziet Wannenwetsch de wortels van ons gevangen zijn in het verlangen. Zo’n vier eeuwen geleden kenmerkte Thomas Hobbes – we kennen het ten onzent uit de publicaties van Hans Achterhuis – de mens als onverzadigbaar gericht op macht, en tegelijk angstig voor wat de ander hem kan aandoen. Een halve eeuw later schudde John Locke de angst van zich af en poneert het menselijk zelfbezit, dat privé-bezit rechtvaardigt. Hier ligt, aldus Wannenwetsch, de moderne rechtvaardiging van staatsmacht. Wij geven onze wereld vorm en structuur om onze verlangens optimaal te kunnen realiseren en tegelijk ons te beschermen tegen hoe anderen in hun verlangen ons zouden kunnen bedreigen en schaden.

De kerk en McKinsey
En de kerk? In de tijd dat hij nog in Duitsland woonde en werkte heeft Wannenwetsch zich duchtig geroerd in de discussie over de koers van de kerk. In allerlei beleidsstukken over de toekomst was de denkstijl van de moderne manager te herkennen. Men pleit voor ‘noodzakelijke veranderingsprocessen’, die doorgevoerd moeten worden om de ‘kansen en uitdagingen’ te benutten. Door op een McKinsey-achtige manier te denken en een ‘moderne leiderschapscultuur’ in te voeren zou de kerk het tij van de ontkerkelijking kunnen keren. Het evangelie wordt in deze denkwijze een ‘kerncompetentie’ van de kerk, die dit evangelie dan ook uit voorraad kan leveren.  Het tegemoetkomen aan de ‘religieuze behoeften’ van de mens wordt dan de belangrijkste taak van de kerk.

Wannenwetsch noemt dit de commercialisering van de kerk. Hoe kon dit gebeuren en waarom kijkt men je verbaasd aan, als je vraagt of dit wel zo’n goed idee is. Het antwoord is volgens Wannenwetsch heel eenvoudig: de kerk heeft vergeten dat we het heil niet al in ons hebben en daaruit dan dus moeten opdiepen, maar van buiten af tot ons komt. ‘In haar schaamteloze omarming van de geest van het management vervangt ze [de kerk] haar theologie van het Woord door een theologie van het geloof (of religie).’

Wat zou mijn hart nog liever wensen?
De laatste tekst in de bundel is een lezing die Wannenwetsch tien jaar geleden in Kampen heeft gehouden ter gelegenheid van het honderdvijftig jarig bestaan van de theologische opleidingen in die stad. Ook in dit hoofdstuk staan het nodige behartigenswaardigs. Hij laat zien hoe de academische theologie is weggegroeid van de lofprijzing en de ethische inbedding heeft vergeten. Theologie verbrokkelt en wordt een veld voor privé ideeën en ambities. Er is moed nodig om de ‘veilige’ ruimte van het vakspecialisme te durven overstijgen en theologie weer te laten zijn wat ze in christelijke zin is, een gemeenschappelijke oriëntatie op de beloften van het evangelie.

Herman Paul begint zijn inleiding op dit boek met de Haarlemmerstraat op zondagavond in Leiden. Ik heb iets meer ervaring met de Breestraat op zondagmiddag. Als het de maandelijkse koopzondag was kwamen ons de ‘funshoppers’ tegemoet als we naar de kerk gingen. Ik heb vaak heel bewust gespeurd naar eventuele ‘fun’ op hun gezichten, maar die eigenlijk nooit waargenomen. Ik heb er vaak aan gedacht, als we even later in de kerk zongen: ‘Wat zou mijn hart nog liever wensen, dan dat het juichend U ontmoet, die leven zijt en leven doet?!’  Wannenwetsch laat zien hoe het zich laten aanspreken door de Psalmtekst, die van ‘buiten’ komt om het hart dat de woorden zingt voor zich in te winnen. Ons lichaam gaat mee resoneren en zo wordt ons afgodisch verlangen tot rust gebracht in het proeven en smaken dat de Here goed is. Wannenwetsch heeft ook deze inzichten bij Luther vandaan, en het zijn voor mijn gevoel de mooiste en ontroerendste passages in dit boek.

Gerard den Hertog


Prof. dr. G.C. den Hertog is hoogleraar systematische theologie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.