Kerkgeschiedenis

Een vergeten wereld

‘Zwijgend, roerloos, met pijl en boog in de hand, keken ze ons aan. Zou het een vriendelijke of vijandelijke begroeting zijn? Wij liepen op de mannen toe, strekten onze handen uit en riepen: “Nori, nori! (mijn broeders)”.‘

Een Duitse zendeling zoekt samen met een Nederlandse zendingsarts contact met een tot dan volledig onbekende stam in het bergland van Papua (vroeger Nieuw-Guinea), de Yali’s. De vreemde wereld waarin hij terechtkomt, beschrijft hij met liefde en respect. Het ergste dat hij meemaakt is het onderlinge geweld: oorlogen, veten, kannibalisme. Maar langzamerhand komen er veranderingen. Dorpen sluiten vrede. Er ontstaat een christelijke gemeente. Intussen maakt hij mee hoe het gebied wordt overgedragen aan Indonesië. Voor de Papua’s begint een periode van lijden onder militair geweld. Ook nu nog is Papua een vergeten wereld.

Siegfried Zöllner (1933), woonde van 1960-1973 met zijn gezin bij de Yali’s in Angguruk. Na zijn terugkeer promoveerde hij op een proefschrift over de godsdienst van de Yali’s. Vrijwel jaarlijks reist hij naar Papua en bericht over mensenrechtenschendingen. Van zijn hand verscheen bij Uitgeverij Boekencentrum het boek Vergeten wereld, Eerste ontmoetingen met de Yali’s in het bergland van Papua waarvan u hieronder de epiloog kunt lezen.

Epiloog: Na 50 jaar

Pijlen suizen door de lucht, boogpezen snorren. Een man in de traditionele kleding van een bergland Papua – peniskoker en Rotanringen gordel – trekt een vrouw over het veld, vrouwen roof. – Een man ligt doodgeschoten op de grond. Sommige pijlen zitten vast in zijn lichaam. Men sleept het lijk naar het dorp, snijd hem in stukken, braadt het vlees tussen hete stenen.

Scènes uit het leven van de Yalies 50 jaar geleden, voordat zendelingen bij hen kwamen. Die werden vertoond tijdens de eredienst voor de 50ste verjaardag van Angguruk op 19 Mei 2011. Enkele duizenden toeschouwers keken aandachtig naar de vertoning. De ouderen herinnerden zich dat en knikten toestemmend met hun hoofd. De jongeren hadden waarschijnlijk zeer gemengde gevoelens: “Het is goed dat die dagen voorbij zijn”, of  “Die Ouden hadden hun problemen – wij hebben nu heel andere problemen!”

De eredienst op het vliegveld van het kleine dorp Angguruk was het hoogtepunt van het jubileum. In mijn preek over Jezus woorden: “Ik ben het licht van de wereld” was ik me bewust van de problematiek van de jongere generatie: “Duisternis was er niet alleen vroeger, toen jullie vaderen oorlogen voerden en mensen doden. Duisternis bestaat er ook ​​vandaag aan de dag: werkloosheid van jongeren met een schoolopleiding en academische studie, prostitutie in de steden en de verspreiding van AIDS. Ook hier geeft Jezus ons, als het licht van de wereld, oriëntatie en wijst ons de weg.” Ik stak symbolische een fakkel aan – het licht van de wereld – en gaf die aan Ananias, een van de eerste evangelisten. Daarna riep ik een jonge man en een kind naar voren en zei: “Jij, Ananias, jij hebt het evangelie aanvaard, jij moet het licht aan deze jongeman doorgeven, die geeft het dan weer verder aan dat kind. Pas als dat gebeurt, kunnen we er zeker van zijn dat in Yalimo het licht van het evangelie niet zal uitgaan.”

Precies vijftig jaar geleden waren de Nederlandse zendingsarts Dr. Willem Vriend en ik zelf met twee evangelisten van de Evangelische Kerk van Papoea en een aantal inheemse dragers in de dorpgroep Angguruk aangekomen. We waren in Wamena begonnen, waren een 3.500 m hoge bergketen overgestoken en waren allereerst in het dorp Pileyam aangekomen. Daar was dan nu het jubileum al een paar weken eerder gevierd. “Waarom zijn jullie niet toen niet in Pileam gebleven, waarom zijn jullie naar Angguruk gegaan? Vertel ons, wat jullie toen geleid heeft tot dit besluit.” Deze vraag bracht de Yalies in beweging. Mij werd gevraagd om in een speciale festiviteit op de dag voor het jubileum daarover verslag uit te brengen. Ik vertelde hen over het moeilijke gezoek naar een vlak stuk grond waarop een vliegveld voor een Cessna kon worden gebouwd; de zoektocht begon met verkenningsvluchten vanuit de lucht: “Indertijd heb ik jullie en jullie dorpen en tuinen al vanuit het vliegtuig gezien.” Ik vertelde ook over de vroegere vijandigheid tussen de Pileam en Angguruk regionen. “De Pileam mensen wilden niet dat we naar hun vijanden, die ‘slechte en gevaarlijke’ Angguruk mensen, zouden vertrekken. Maar uiteindelijk kwamen wij toch hierheen. Angguruk was de enige plek die volgens de piloten van de zendingsluchtvaartmaatschappij geschikt leek voor de bouw van een vliegveld.” De menigte luisterde aandachtig en applaudisseerden steeds weer met applaus. Bij deze  episode, kwamen ook twee oude Yalies aan het woord. Ze hadden het begin nog meebeleefd en verklaarden: “God heeft ons achter de bergen gezocht en gevonden, en hij heeft jullie naar ons gestuurd.”

Onze eerste ontmoeting met de Yalies en de eerste doop werden vertoond op een reliëf. Het werd op de verjaardag ceremonie onthuld. Een artistiek begaafde leraar had het op verzoek van de Yalies als een soort monument opgesteld, waar wij 50 jaar geleden onze tent opgezet hadden.

Bij een feest hoort bij de Papoea’s onvermijdelijk een grote varkensvlees maaltijd. Vroeg in de morgen werden ongeveer 80 varkens met pijl en boog doodgeschoten, in stukken gesneden en in veel kookkuilen tussen hete stenen – tezamen met zoete aardappelen en groenten – gekookt. Groepen van mannen, vrouwen en zelfs kinderen droegen stenen en brandhout bij elkaar en plukten gras en bananenbladeren om vlees en groenten goed te verpakken. De voorbereiding was een zweetverwekkende, zware werk. De verdeling van de lekkere hapjes onder ongeveer 2000 gasten was een logistiek meesterwerk.

Het Voorbereidend Comité had met grote zorg veel gasten uitgenodigd. De meest prominente gast was de Gouverneur Barnabas Suebu. De kerkenraad van de GKI werd vertegenwoordigd door zijn plaatsvervangend secretaris-generaal, Ds Albert Yoku, de VEM was vertegenwoordigd door de vicemoderator Dr. Tuhonie Telaumbanua. Naast de ‘Officiëlen’ waren er de vroegere medewerkers, die vele jaren werkzaam waren geweest bij de Yalies, belangrijk was bijvoorbeeld de onderwijzer Onesimus Usior, die 15 jaar lang met zijn vrouw de lagere school in Angguruk had geleid. Vertegenwoordigers van de jongere generatie waren ook uitgenodigd, scholieren en studenten evenals jonge Yalie ambtenaren van de steden in het district en de provinciale hoofdstad.

Ook aan veel organisatorische details was gedacht: gasflessen voor de kachels waarop voor de gasten moest worden gekookt, gestoffeerde klapstoelen, een generator voor de huisverlichting in de avonduren, rijst, koffie, thee en suiker – niets daarvan kan men ter plaatse kopen, alles werd ingevlogen. Natuurlijk, moesten daarvoor ook vliegtuigen worden besteld. De dag voor de jubileum waren 13 kleine vliegtuigen in Angguruk geland. De gemeentes hadden veel geld voor het jubileum bij elkaar gebracht, voor de dorpgroep Waniok met vijf kerken was dat het equivalent van zeker 10.000 euro. De dure vluchten konden niet worden betaald, als het bestuurshoofd van het district – ook Yalie en Christen – niet een royale financiële bijdrage had geschonken.

Als het thema van het jubileum, had het Comité Romeinen 1, vers 16b gekozen: “Het Evangelie is een kracht Gods tot zaligheid van iedereen, die gelooft.” Het subthema luidde: “Het jubileum is voor ons een impuls tot vernieuwing van ons leven en onze bijstand.” Als het Jubileum dat kan doen, wordt het gemeenteleven verrijkt.