Geen categorieOverige

Een spijtig en inspirerend verhaal: Gen. 6-9 en het Gilgamesh epos – door dr. Klaas Spronk

InterpretatieDeze blog van dr. Klaas Spronk werd eerder gepubliceerd in Interpretatie, tijdschrift voor bijbelse theologie (19e jaargang nr. 5 / juli 2011).

Wat bezielde God om zijn schepping van aarde en mens weer ongedaan te maken en om dat uiteindelijk toch weer niet helemaal te doen? Had God echt spijt en dat misschien zelfs twee keer? Wat zegt het verhaal in Genesis 6-9 ons over God, over Noach en over de mens als nazaat van Noach in relatie met die God?

In het zoeken naar antwoorden hebben we baat bij een vergelijking met de Mesopotamische pendant van het bijbelse verhaal. Het is wel zeker dat die bekend moet zijn geweest in Israël en dan met name in de versie van het veel oudere Gilgamesh epos dat op vele plaatsen in het oude Nabije Oosten sporen heeft achter gelaten.(1) Het heeft er alle schijn van dat het verhaal in Genesis 6-9 daarop is gebaseerd en er ook in bepaalde opzichten op reageert. Dat is niet alleen af te leiden uit de duidelijke overeenkomsten in de grote lijn van het verhaal, maar juist ook uit een aantal opmerkelijke parallelle details. Zo wordt in Genesis 6:14 het pek, waarmee het hout van de ark wordt bestreken, aangeduid met een woord dat in de Bijbel alleen hier voorkomt en dat lijkt te zijn afgeleid van het Assyrische woord in dezelfde passage in het Gilgamesh epos (tablet 11, regel 65). In beide versies worden vogels losgelaten om de opdrogende aarde te verkennen. In het Gilgamesh epos gaat het om een duif, een zwaluw en een raaf, terwijl volgens Genesis 8 Noach een raaf en daarna drie maal een duif laat gaan. Intrigerend is de manier waarop in beide versies de goddelijke reactie wordt beschreven op de naar de hemel opstijgende geur van het offer dat de overlevenden na de vloed brengen. In het Gilgamesh epos gebeurt dat niet bepaald eerbiedig:

De Goden snoven die geuren op;
De Goden snoven die zoete geuren op
En zwermden als vliegen rond de offeraar! (11, 160-162)

In Genesis 8:21 lezen we: JHWH rook de liefelijke reuk en Hij neemt zich voor om de aarde niet weer te vernietigen. Dat is vergelijkbaar met de reactie van de goden in het Gilgamesh epos. Enkele van hen uiten heftige kritiek tegen deze al te draconische maatregel. Het valt op dat in Genesis 8 niet zo denigrerend over God wordt gesproken als over de goden in het Gilgamesh epos. Overigens kwam dat daar niet als een verrassing, als je bedenkt hoe eerder hun reactie op de vloed werd beschreven:

Zelfs de Goden werden bang voor de Vloed;
Zij vluchtten en stegen op naar de hemel van Anum;
Ineengekrompen als honden lagen zij tegen de buitenmuur.

De Anunaki-Goden weenden met haar (de moedergodin);
Alle Goden gingen gebukt, en zaten wenend neer. (11, 113-125)

In vergelijking hiermee wordt het beeld dat in Genesis van JHWH/Elohim gegeven wordt vaak positief geduid. De verschillen zijn echter minder groot dan veel bijbellezers waarschijnlijk lief is. Om te beginnen worden niet alle goden in het Gilgamesh epos over één kam geschoren. De god Ea, god van de wijsheid, trekt vanaf het begin partij voor de mensen en wijst de goden op hun kortzichtigheid. Op basis van het bijbelverhaal kan men vraagtekens zetten bij de wijsheid van Gods besluit tot de vernietiging van de aarde en de mensheid. Hij lijkt dat achteraf ook zelf te doen. Had men van God niet beter mogen verwachten? Dat brengt ons nu eerst bij de vraag naar de motieven. Wat bewoog God/de goden tot deze achteraf gezien zo bedenkelijke actie?

Het motief voor de vloed
In het Gilgamesh epos wordt aanvankelijk geen reden genoemd waarom de goden besloten de vloed te sturen (11, 14). In het kader waarin het verhaal verteld wordt is dat ook niet zo belangrijk. Het gaat er in de eerste plaats om duidelijk te maken hoe het komt dat Utnapishtim, de overlevende van de vloed, datgene heeft verkregen waar Gilgamesh zo hartstochtelijk naar op zoek is: onsterfelijkheid. Pas wanneer de goden na afloop van de vloed met elkaar in discussie gaan, komt de reden voor het besluit tot de vloed ter sprake.

Ea opende de mond, nam het woord, en sprak tot Ellil:
“Jij, o wijste onder de Goden, o held,
Hoe kon jij toch onbezonnen de Vloed zenden?
Straf slechts de misdadiger voor zijn misdaad!
Straf slechts de boosdoener voor zijn zonde! (11, 180-185)

Hij suggereert dat er ook nog andere mogelijkheden waren geweest. Hij had een leeuw, een wolf, een hongersnood of de pest kunnen zenden. Dit herinnert aan een ander vloedverhaal uit Mesopotamië«, namelijk de mythe van Atrachasis. (2) In deze tekst uit de achttiende eeuw voor onze jaartelling wordt verteld hoe de goden proberen de mensheid te decimeren middels een besmettelijke ziekte en later door hongersnoden. Pas als dat mislukt kiezen ze voor een vloed. De reden waarom ze zich tegen de mensen keren, is opmerkelijk: de talrijke mensen zijn zo lawaaiig dat de goden er last van hebben; ze kunnen er niet meer van slapen. Dat lijkt wel een erg triviale reden voor zo’n ernstig besluit. We moeten het echter in het bredere verband zien van de relatie tussen de goden en de mensen. In de mythe van Atrachasis is eerst verteld waarom de goden de mensen hadden laten voortbrengen door de moedergodin. De mensen waren bedoeld als oplossing voor het probleem dat de lagere goden klaagden dat ze te hard moest werken voor de hogere goden. Hun taak zou worden overgenomen door de mensen. De goden hadden echter blijkbaar niet voorzien dat de mensen zich zouden vermenigvuldigen. Ze hadden er niet aan gedacht om grenzen te stellen aan de leeftijd van de mensen. Zo ontstond het probleem van de overbevolking met alle gevolgen van dien. Net als in het Gilgamesh epos wordt in de mythe van Atrachasis verteld dat de goden achteraf schrokken van de impact van de vloed. Ze mogen blij zijn dat dankzij Ea er nog mensen overgebleven waren die hen van offergaven kunnen voorzien. Ze luisteren dan ook naar zijn advies om voortaan de mensen wat meer gericht te straffen. Er wordt besloten om via andere maatregelen het getal der mensen binnen de perken te houden, met name door de dood een structurele plaats in het mensenleven te geven.
Hoewel Ea zowel in de mythe van Atrachasis als in het Gilgamesh epos spreekt van een straf, wordt er geen concrete overtreding genoemd. Sommige geleerden willen in het lawaai van de mensen een aanduiding van opstand tegen de goden zien. Het is echter aannemelijker dat het gaat om het verstoorde evenwicht tussen goden en mensen. Als de sterkeren kunnen de goden de zwakkere mensen daarvan de schuld geven.

JHWH’s motief
Het motief van JHWH voor de vloed volgens Genesis 6:5 is op het eerste gezicht passender dan wat we lezen in de Mesopotamische teksten. JHWH moet constateren dat de mensheid zich slecht gedraagt en dat er geen kans is op beterschap, want ‘de overleggingen van zijn hart zijn al de dag slecht’. De gebeurtenissen sinds het begin van de schepping illustreren dat. Vanaf de eerste zonde in de hof van Eden gaat het van kwaad tot erger. Eerst houden de mensen zich niet aan de door God gestelde grens en keren de mensen zich tegen elkaar. Kaïn slaat Abel dood en zijn afstammeling Lamech gaat vol overtuiging in zijn voetspoor (Gen. 4:23-24). Het leidt uiteindelijk tot een grensoverschrijding die nog veel verder gaat dan die van Adam en Eva. Volgens Genesis 6:1-4 valt elk onderscheid tussen hemel en aarde weg als de godenzonen zich vermengen met de mensendochters. Men zou de opmerking in Genesis 6:5 dus kunnen zien als een samenvatting van al het eerder beschreven kwaad. Er was genoeg reden voor de beëindiging van het experiment aarde, zo zou men God kunnen nageven.
Wanneer men echter de Mesopotamische teksten vergelijkt, komt de vraag op waarom God die vloed eigenlijk nog nodig had. Er waren immers al steeds passende maatregelen genomen? Na de eerste zonde had God de weg naar de hof van Eden en naar de onsterfelijkheid al afgesneden. Na de moord op Abel had God al paal en perk gesteld aan de geweldenarij. Na het huwelijk van de godenzonen met de mensendochters had hij de leeftijdsgrenzen nog eens aangescherpt. Dat zijn allemaal maatregelen waar de Mesopotamische goden pas na de vloed mee kwamen. De God van Genesis had die wijsheid al eerder. Waarom dan toch nog die vreselijke vloed met al die slachtoffers onder mensen en dieren?
Er dringt zich nog de vergelijking met een ander verhaal in Genesis op. In de aanloop naar de verwoesting van Sodom en Gomorra gaat Abraham in discussie met God (Gen. 18). Hij stelt dat het God onwaardig is om de rechtvaardigen te laten lijden onder de straf voor de zondaars in hun stad. Dat doet sterk denken aan wat Ea in het Gilgamesh epos voor houdt aan Ellil, de oppergod. JHWH gaat mee in de redenering van Abraham. Is hier sprake van voortschrijdend inzicht? Reageert hij zo op zaken die hij niet voorzien had, net zoals hij spijt kan hebben van wat hij eerder zelf gedaan had?

Kan God spijt hebben?
De vraag wordt enkele keren gesteld in de Bijbel. Het antwoord is: nee. Dat zou immers duiden op een zwakheid in God. Hij is toch geen mens die vaak achteraf moet constateren dat hij het niet goed had gezien.

God is geen mens, dat hij zou liegen,
Een mensenkind, dat hij spijt zou hebben. (Num. 23:19)

In 1 Samuël 15:29 wordt dat woordelijk herhaald. Maar daar lijkt het een soort bezwering als een reactie op het vreemde feit dat Saul, die eerst op gezag van God tot koning was gezalfd, nu weer door God werd verworpen. Het spijt mij dat ik Saul als koning heb aangesteld, zei God kort daarvoor nog tegen Samuël (1 Sam. 25:11). Het kan dus niet, maar toch gebeurt het.
In het verhaal van de vloed gaat het net zo. God laat zich verrassen door de zonde. Blijkbaar had Hij er niet op gerekend. De verteller wil dit niet duiden als een zwakte van God. Er is niet een andere instantie, zoals Ea in het Gilgamesh epos, die hem wijst op een gebrek aan inzicht. De nadruk valt op de misstappen van de mensen. Kenmerkend voor God is het vertrouwen dat hij schenkt. Leerzaam is te zien hoe hij reageert als dat vertrouwen wordt beschaamd. Hij straft en hij doet dat streng. Maar daar blijft het niet bij. Saul krijgt in David een opvolger die in veel opzichten zijn tegenhanger is. Het verhaal van de vloed eindigt met de vernieuwing van de relatie tussen God en mensen. De mensen mogen erop vertrouwen dat God volhoudt met zijn schepping en schepsels. God geeft aan de mensen regels waarmee hun wispelturigheid ingetoomd wordt.
God kan dus wel degelijk spijt hebben, maar dat is niet een gemoedstoestand waarin hij blijft steken. Hij is niet hardnekkig zoals Ellil die zich door zijn slapeloosheid laat leiden tot onverantwoord harde straffen. God heeft zelf de wijsheid om te leren van de teleurstellende ervaring dat de mens nu eenmaal slecht (Gen. 8:21) blijkt te zijn. In zekere zin zou je dit het lot van God kunnen noemen. Hij zit opgescheept met deze onvolmaakte, zondige mens. Hij kiest ervoor om dat niet krachtdadig via vernietiging op te lossen. Hij laat het echter evenmin op zijn beloop. De gelovige wordt opgeroepen hem daarin na te volgen. Daarbij zal hij in de eerste plaats naar zichzelf moeten kijken. Als er sprake van is dat God ergens spijt van heeft, zegt dat doorgaans meer over de tekortkomingen van de mens dan over een mogelijk gebrek aan goddelijk inzicht.

Een rode draad
De naam van Noach loopt via een woordspel (met de Hebreeuwse letters nun, chet, en mem) als een rode draad door het verhaal. Volgens Genesis 5:29 had zijn vader hem die naam gegeven, omdat hij verwachtte dat zijn zoon de mensen zou troosten (in het Hebreeuws: nicham) nu zij vanwege Gods vloek over de aarde zo hard moesten werken voor de kost. Die troost is ver te zoeken op het moment dat God spijt krijgt (in het Hebreeuws: nacham) over zijn schepping. Na de vloek dreigt de vernietiging. God zelf ziet echter in dat er ook nog iets/iemand goeds over is. Direct na de herhaalde vermelding dat God spijt had dat hij dit alles had geschapen staat er dat Noach genade (Hebreeuws chen) vond in Gods ogen (Gen. 6:8). In Genesis 8:4 lezen we dat de ark bleef rusten (Hebreeuws watanach van het werkwoord nuch) op het Araratgebergte. De vloed was voorbij. Noach kan weer aan land en brengt een liefelijk (Hebreews nichoach) ruikend dankoffer, dat het herstel van de goede relatie met God symboliseert.
Er zit iets ambivalents in dit woordspel. Het lijkt aan te geven dat genade en spijt niet ver uit elkaar liggen. Diezelfde ambivalentie komen we tegen, wanneer Noach uiteindelijk waar maakt wat zijn vader aankondigde toen hij hem zijn naam gaf. Na de vloed wordt Noach landman en plant hij een wijngaard (Gen. 9:20). Dat is nog eens mooi resultaat voor het gezwoeg op de akker. Wijn verheugt het hart (Ps. 104:15) en kan een mens troosten (zie bijvoorbeeld Spr. 31:6-7). Noach ondervindt echter dat er ook een kwalijke kant zit aan het drinken van wijn: hij wordt dronken. Zijn zoon Cham weet daar niet goed mee om te gaan en alweer klinkt er een vervloeking. Het kwaad is duidelijk de wereld niet uit. Net als God moet een mens leren ermee om te gaan.

1 Zie nu de inleiding en de (in deze bijdrage gebruikte) vertaling van een aantal versies door Herman Vanstiphout, Het epos van Gilgameš, Nijmegen: Sun 2002/2e.
2 Zie hierover de K.R. Veenhof, De interpretatie van de Atrachasis-mythe, een Babylonische oergeschiedenis, Nederlands Theologisch Tijdschrift 44 (1990), 177-197, en K. van der Toorn, De zondvloed in de Babylonische mythologie, Schrift 153 (1994), 79-83.


Klaas SpronkDr. Klaas Spronk is hoogleraar Oude Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit. Hij werkte eerder mee aan De Bijbel literair, De Bijbel spiritueel en De Bijbel vertaald. Vorige week verscheen een nieuw deel in deze reeks De Bijbel theologisch waar Klaas Spronk ook aan meewerkte als (eind)redacteur.