GeloofKerkMaatschappij

Een nieuwe missionaire visie van Stefan Paas voor kleine gemeenten in een seculiere omgeving

Vorige week verscheen het spraakmakende boek Vreemdelingen en priesters. Christelijke missie in een postchristelijke omgeving van Stefan Paas.
Trouw schreef erover: ‘Wat een heerlijk boek om te lezen!’ ‘Dit boek van Paas steekt met kop en schouders boven de rest uit.’ Hieronder kunt u de inleiding op het boek grotendeels lezen.

 
Missionaire idealen in een postchristelijke cultuur

 

Mijn leven lang ben ik actief in ‘missionair werk’, zoals dat heet. Dat begon al heel vroeg. Ik herinner me dat mijn vader me meenam toen ik nog maar net op de lagere school zat, om evangelisatiefolders te verspreiden in een dorp in de buurt. In de zomer, als we op een camping stonden, had ik na het voetballen soms lange  gesprekken over het geloof met andere kinderen. Dat ging vanzelf; ik vond dat leuk om te doen. Als student deed ik kinderwerk, ik zong op straat, en ging langs de deuren met medestudenten om anderen over Jezus te vertellen. Later organiseerde ik evangelisatiecursussen, was missionair consulent, werkte mee aan nieuwe  evangelisatiemethoden zoals de Emmaüscursus, leidde laagdrempelige samenkomsten, verhuisde met m’n gezin naar Amsterdam om daar mee te helpen met het stichten van een nieuwe kerk. Ik schreef verschillende boeken over missionair kerkzijn en over evangelisatie. En nu doceer ik missiologie (zendingswetenschap) aan twee universiteiten. Het zit blijkbaar diep.
(…)
Veel mensen kregen het geloof met de paplepel en op familiefeestjes ingegoten. Op straat kwam je talloze stille bevestigingen tegen van kerkelijk geloof: grote posters van confessionele partijen rondom de verkiezingen, bekenden uit de kerk die je tegen het lijf liep bij het boodschappen doen, kinderen die langs de deur collecteerden voor Tearfund, de vakantiebijbelclub, bijna alle winkels dicht op zondag.

Daarin kwam verandering toen we in 2005 naar Amsterdam verhuisden. In Amsterdam gaat misschien drie procent van de bevolking geregeld naar een kerk, van wie de helft bestaat uit importchristenen uit Afrika en een groot deel van de andere helft uit importchristenen uit de Bijbelgordel. In Amsterdam is het niet ‘normaal’ om christen te zijn. Integendeel, Amsterdam is een seculier Staphorst. De buren met wie wij kennis maakten na onze verhuizing, waren verrast: ‘Zijn jullie religieus? Je bedoelt echt van dat strenge en zo? Gut, wat interessant!’ Alsof je een oud ambacht beoefende: hoefsmid, mandenmaker, letterzetter.

 

‘Zijn jullie religieus? Je bedoelt echt van dat strenge en zo? Gut, wat interessant!’

(…)
Voor het eerst woonden wij in een omgeving waarin onze diepste overtuigingen totaal niet herkend of zelfs maar gerespecteerd werden. Ongewild kom je ervan onder de indruk dat het geheel vanzelfsprekend is voor de overgrote meerderheid in Amsterdam om zonder God of kerk te leven. In een diep geseculariseerde omgeving nemen veel mensen zelfs niet meer de moeite om atheïst te zijn. God is niet interessant genoeg om een standpunt over hem in te nemen. Religieonderzoekers noemen zo’n houding ‘apatheïsme’. Juist bij iemand met een missionair hart knaagt dit. Het ondergraaft heel diepe aannames waar je voorheen nauwelijks over nadacht. Missionair bevlogen mensen, althans in mijn ervaring, denken vaak als ondernemers. Zij geloven dat er wel degelijk behoefte is aan God en Jezus, maar dat de kerk door haar geslotenheid niet kan voldoen aan die behoefte. De kerk zou het beter kunnen doen, en meer mensen zouden geloven, als de kerk maar durfde vernieuwen. Te vaak leunt de kerk angstig of arrogant achterover: laat de mensen maar naar ons komen, als ze zich maar aanpassen.

Nu geloof ik ook dat veel kerken het inderdaad beter zouden kunnen doen, maar tegelijk is dit niet het hele probleem. Diepgaande secularisatie betekent dat missionair werk niet alleen een kwestie is van een nieuwer en frisser aanbod; je wordt ook geconfronteerd met een verminderde vraag. Hoe inventief en origineel je het ook verpakt, er zijn veel mensen die het product gewoon niet aantrekkelijk vinden. Dat laatste is iets waar missionair bevlogen mensen niet vaak bij stilstaan, naar mijn indruk. Maar in Amsterdam kom je daar onvermijdelijk achter.

 

Religieonderzoekers noemen zo’n houding ‘apatheïsme’.

 

Wij waren naar Amsterdam getrokken om bij te dragen aan zending in die stad, om te komen tot het stichten van nieuwe kerken. Dat lukte op zich wel, maar al snel merkte ik ook dat alle dromen over massale bekeringen op lucht gebaseerd waren. In plaats van een stroom zagen we hier en daar een druppel (heel mooie druppels, dat wel!).
Ik kwam terecht in die typische geloofscrisis die je vaak ziet bij christelijke studenten die voor het eerst op kamers gaan, of bij predikanten die een beroep aannemen naar de grote stad. Pas wanneer je echt een minderheid wordt, ga je merken hoezeer je geloof verweven is met je context, hoezeer het afhankelijk is van een omgeving die dit geloof bevestigt. Je komt voor de vraag te staan wat het eigenlijk betekent om te vertrouwen op God, om te geloven in Jezus en zijn rijk, wanneer vrijwel niemand dit geloof deelt of er zelfs maar belangstelling voor heeft.

Die vraag komt dubbel zo hard binnen als je merkt dat mensen best gelukkig kunnen zijn zonder geloof en dat ze God ook niet nodig hebben om te zorgen voor hun medemens of te geven aan goede doelen. Bij de  meesten van hen merk je niet veel van een gevoel van gemis, of van het vage schuldgevoel dat niet-gelovigen of ex-kerkmensen in de Bijbelgordel nog wel eens hebben. Geloven heeft hier niets te maken met ‘doen wat hoort’ of ‘de traditie volgen’. Als je het wilt doen, is het puur een kwestie van persoonlijk aangesproken zijn. En dit blijkt maar weinigen te overkomen.
(…)
Het is, kortom, allemaal heel basic in zo’n geseculariseerde cultuur: het is vrijwel onmogelijk om maar zo’n beetje ‘mee te hobbelen’ op basis van gewoonte of fatsoen. Bij wie het geloof niet van binnen landt, zal het uiteindelijk afslijten. De druk van de sociale omgeving is eenvoudig te groot voor hen die niet werkelijk gegrepen zijn door het goede nieuws. En dat werpt christenen terug op de kernen van hun geloof, op de bronnen van de traditie. Ik zeg niet dat die situatie ideaal is of superieur aan andere contexten, maar het is wel de situatie waarin steeds meer Nederlandse christenen zich bevinden. Steeds meer zullen zij moeten leren van God te  zingen in een vreemd land (Psalm 137).

Deze ervaringen roepen ook vragen op die mij elke dag bezighouden in mijn leeropdracht als missioloog met speciale aandacht voor seculier Europa. Bij zending gaat het, hoe je het ook wendt of keert, om beïnvloeding. Zending wordt geboren in het verlangen dat het evangelie impact heeft op mensenlevens en op samenlevingen.
Maar wat gebeurt er met missionaire idealen wanneer de wereld om ons heen zo snel verandert? Welke modellen hebben we meegekregen uit het verleden en hoe behulpzaam zijn die nog? Zijn er bijbelse bronnen die iets te zeggen hebben in een postchristelijke cultuur?
Kunnen we iets leren van niet-Westerse christenen die momenteel Europa als zendingsterrein hebben ontdekt? En vooral: hoe kun je een positieve christelijke identiteit bewaren terwijl je tegelijk weet dat de meerderheid van de mensen om je heen die identiteit niet deelt of ooit zal delen?
(…)
Dit boek is voor een belangrijk deel de vrucht van de ervaringen die ik in de afgelopen jaren heb opgedaan. Zodoende spitst het zich toe op het ontwikkelen van een missionaire visie voor kleine gemeenten in een overwegend seculiere omgeving. Ik veronderstel dus een omgeving die niet- of postchristelijk is en een kerk die niet bij machte is om daarin veel te veranderen. De relatie tussen die onmacht en een positieve missionaire visie heb ik in de titel van dit boek aangegeven met de woorden ‘vreemdelingen’ en ‘priesters’. Die woorden, afkomstig uit de eerste brief van Petrus, geven wat mij betreft een hoopvol perspectief: ook als je vreemdeling bent geworden, kun je bemiddelen tussen het verhaal van God en dat van de mensen. Nadat ik in de eerste hoofdstukken vooral de marginalisering van het vreemdelingschap uitwerk, zal ik in de tweede helft van het boek het priester-zijn meer benadrukken.
(…)
In het eerste hoofdstuk geef ik een overzicht van de stand van zaken in de missiologie, ofwel de wetenschap die (christelijke) zending bestudeert. Dit boek gaat namelijk over een missiologische vraag: wat betekent het om als kerk en als christenen gezonden te zijn in deze wereld?
Hoofdstuk 2 is gewijd aan een historische blik op zending in Europa. Hier laat ik zien dat de Europese geschiedenis weliswaar is gekenmerkt door voortdurende pogingen om de meerderheid van de Europeanen te overtuigen van het christelijk geloof, maar dat deze pogingen in feite nooit echt zijn geslaagd.
In het hoofdstuk dat daarop volgt, zet ik deze discussie voort met een bespreking van zes missionaire modellen die van invloed zijn op zending in het westen. Al deze modellen veronderstellen min of meer de achtergrond van een gechristianiseerde cultuur en daarmee zijn ze stuk voor stuk twijfelachtig geworden als inspiratiebron voor kleine christelijke gemeenschappen in een seculiere omgeving. Hoofdstuk 4 is gewijd aan een bespreking van bijbelse ballingschapstradities. Welke bronnen worden hier geopend waaruit we kunnen putten bij de zoektocht naar een nieuw model?
In hoofdstuk 5 spits ik deze zoektocht toe op de eerste brief van Petrus. Hier licht ik de metaforen van ‘vreemdeling’ en ‘priester’ eruit en gebruik deze als aanzet voor de beschrijving van een nieuwe missionaire verhouding tussen kerk en wereld.
In hoofdstuk 6 vervolg ik mijn bespreking van vooral de uitdrukking ‘koninkrijk van priesters’ en ik kijk wat daaruit voortvloeit voor de verhouding tussen individu en gemeenschap.
Ik besluit het boek in hoofdstuk 7 met een overzicht van conclusies, waarin ik op een rij zet wat naar mijn idee de missionaire winst is van deze benadering.

Paas Vreemdelingen 72dpi

 

Klik hier voor andere uitgaven die Stefan Paas schreef of waaraan hij heeft meegewerkt.