Geen categorieOverige

Een fundamentalist is altijd de ander – door Pauline Weseman

Pauline WesemanHet is deze maand precies tien jaar geleden dat twee vliegtuigen zich in de Twin Towers van het World Trade Centre boorden, onder verantwoordelijkheid van de islamitische terreurorganisatie Al Qaida. Sindsdien heeft het islamdebat een enorme zwengel gekregen en lijkt iedereen een mening te hebben over fundamentalisme. Het begrip boezemt ons angst in. We plaatsen fundamentalisten het liefst zo ver mogelijk weg, in Pakistan bijvoorbeeld.

Tegelijk is fundamentalisme woest aantrekkelijk, vooral als het doorslaat naar terrorisme en extremisme. Nieuwsberichten met daarin de trefwoorden religie, macht en geweld  bij voorkeur in die combinatie zijn een garantie voor hoge verkoop- en kijkcijfers. Fundamentalisten zijn een attractie die ons doen huiveren. Het zijn wel de kinderen. Wij zullen het nooit (meer) worden.

Funditest

Dat fundamentalisme leeft, bleek onder meer uit de Funditest van dagblad Trouw en de Vrije Universiteit en de serie artikelen die daaromheen verschenen. De test werd door bijna 18.000 mensen ingevuld en in de media barstten discussies los, over de ware en zuivere definitie en de invloed en waarde van fundamentalisme. De uitslag van de test en de artikelen zijn nu
gebundeld in mijn boek De fundi-factor van Nederland, op zoek naar hedendaags fundamentalisme.

Het was opvallend om de schrikreacties te horen en lezen van
mensen met een hoge score in de Funditest. Fundamentalist? Ik? Mijn indruk is dat de ingevulde antwoorden in de funditest soms meer lijken te zeggen over wie we willen zijn dan wie we werkelijk zijn. Neem bijvoorbeeld de vraag of je jouw levensovertuiging te prefereren vindt boven die van anderen. Een meerderheid van de mensen 61% – vulde daar oneens in.

Maar klopt dit wel? In hoeverre is dit geen sociaal gewenst antwoord? Ik onderschrijf het antwoord dat filosoof Herman Philipse gaf op deze vraag, ook opgenomen in dit boek. Hij zei met grote vanzelfsprekendheid: ‘Uiteraard vind ik mijn levensovertuiging te prefereren boven die van anderen. Ik zou mijn overtuiging natuurlijk veranderen als ik een betere ontdekte.’

Logisch, inderdaad. Is zijn mening ook fundamentalistisch?
Dat hoeft niet. Het verschil met een echte fundamentalist zit hem volgens mij
in het vervolg van het antwoord van Philipse: Ik vind tegelijk dat anderen het
recht hebben om volgens hun eigen overtuiging te leven. Vrijheid van levensovertuiging vind ik een van de grondwaarden in onze samenleving.’

Terwijl het dus logisch is om je eigen overtuiging beter te vinden anders zou je een andere hebben – is het in onze maatschappij blijkbaar niet geaccepteerd om dat hardop te zeggen. We vinden onszelf immers nog steeds tolerant. Is de praktijk echter niet dat mensen met geen, een genuanceerdere of een bescheidener mening het meestal afleggen tegen mensen met een sterke, snel en scherp geformuleerde mening? Het eerste type mens vinden we toch al snel een slappeling, niet interessant? Kijk maar naar de vele tv-programma’s waarin iedereen zo nodig zijn mening moet verkondigen.

Zeggen de uitslagen uit de Funditest ons misschien niet meer over wie we willen zijn dan wie we werkelijk zijn? En zou onze werkelijke nationale fundifactor dan niet veel hoger kunnen liggen dan nu?

Pauline Weseman (1972) is journalist, docent en religiewetenschapper. Zij schrijft onder meer voor Trouw en doceert levensbeschouwing in het hoger en voortgezet onderwijs. Haar boek over fundamentalisme verscheen onlangs bij Uitgeverij Meinema.

1 reactie

  1. 26 september 2011 om 17:54