KerkMaatschappij

Dominee gevangen in verenigingsstructuur

In het nieuwste nummer van Woord & Dienst. Opiniërend magazine voor protestants Nederland verscheen onderstaand artikel van Harm Dane.

 

Dominee gevangen in verenigingsstructuur

De toekomst van de predikant in de Protestantse Kerk staat en valt met de verouderde verenigingsstructuur van de kerk. De inzet van alle betrokkenen is vereist voor een geleidelijk proces om dominee en gemeente onafhankelijker te maken van elkaar.

De Protestantse Kerk in Nederland – en niet alleen die kerk – wordt gekenmerkt door een verenigingsstructuur. De kerk bestaat uit lokale afdelingen, met leden en een afdelingsbestuur (de kerkenraad) en een eigen begroting. En dat verenigingskarakter is de afgelopen decennia alleen maar sterker geworden.
Was het vroeger de gewoonte dat men min of meer automatisch lid was van een afdeling op grond van je postcode, tegenwoordig kiezen heel veel leden bewust voor deze of gene afdeling op grond van persoonlijke voorkeur. Van leden wordt inzet in de vorm van tijd en geld gevraagd voor het draaiende houden van de plaatselijke vereniging. Deze vereniging stelt beleid en jaarplannen op. En als de middelen het toelaten, wordt een beroepskracht ingeschakeld, bij voorkeur een academisch geschoolde theoloog, om de vereniging voor te gaan in het realiseren van de plannen. Ieder die even de moeite neemt om personeelsadvertenties voor nieuwe predikanten te lezen in het blad Kerkinformatie, wordt direct duidelijk dat gemeenten een dominee zoeken voor zichzelf, voor het doen groeien en bloeien van de plaatselijke vereniging, op welke wijze dan ook.

Logisch wel, want de dominee krijgt met de bestaande rechtspositieregeling een aanstelling voor onbepaalde tijd en dus gaat de gemeente voor onbekende duur de verplichting aan om de aan te stellen predikant te betalen. Gezien een teruglopend ledental in de kerk en daarmee teruglopende inkomsten is het dus een riskante beslissing om een dominee te benoemen. Geen wonder dat van hem of haar wordt verwacht er alles aan te doen dat de gemeente ook op termijn aan haar verplichtingen kan voldoen.

Afgedaan
Ooit was de vereniging de organisatievorm voor het participeren in de samenleving. Door verenigingslidmaatschappen waren mensen betrokken op zaken als onderwijs, huisvesting, publieke omroep. Maar de verenigingsstructuur heeft afgedaan. Daarvoor zijn diverse oorzaken aan te wijzen, ik noem er twee.
In de eerste plaats voelen mensen er niet meer voor om zich langlopend als lid aan een organisatie te binden. De betrokkenheid van mensen bij hun sociale omgeving verloopt via de giro en via projecten en activiteiten, waar ze zich aan verbinden zolang het duurt. In de tweede plaats zijn mensen vaak niet geïnteresseerd in bestuurlijke processen. Ze willen iets concreets doen, met een minimum aan vergaderingen en overleg. Dus de verenigingen werden omgebouwd tot stichtingen, gerund door professionals, met bestuur op afstand en de mensen zetten zich in voor kortlopende concrete klussen. In vakjargon heet het, dat de verenigingsstructuur heeft plaatsgemaakt voor de netwerkstructuur.

Kerkelijke knoop
De kerk zit dus met een probleem. Aan de ene kant is de verenigingsstructuur voor veel mensen niet meer aantrekkelijk, aan de andere kant bestaat de kerk uit plaatselijke verenigingen die er alles aan moeten doen om te overleven en om voldoende contributie te innen bij de verenigingsleden om de eigen dominee te kunnen betalen. Deze spagaat zet de toekomst van het beroep van dominee onder druk en ondermijnt tegelijk de aantrekkelijkheid van de kerk. Ik licht dat toe.

Zoals gezegd, moeten veel gemeenten alles op alles zetten om de eindjes aan elkaar te knopen en is er steeds meer druk op minder leden om zich in te zetten. De plaatselijke gemeenten vormen de kurk waarop de kerk organisatorisch drijft. Zonder de inzet en vrijgevigheid op plaatselijk vlak zou het snel gedaan zijn. En het ledental van de landelijke kerk blijft maar dalen. Steeds meer noodzaak dus om te vergaderen om oplossingen te vinden, bijvoorbeeld door het samenvoegen van (wijk-)gemeenten en de verkoop van kerkgebouwen. Gemeenten zijn dus steeds meer tijd kwijt aan de zorg voor hun eigen (voort-)bestaan, en logisch dat de dominee daarin meegezogen wordt. Maar dat verandert niets aan het feit dat het lid zijn van een vereniging heeft afgedaan.
Het is daarom dringend gewenst dat de predikant de aandacht richt op de mensen die geen lid zijn van de vereniging, de passanten en zinzoekers, levensbeschouwers, stilte- en cultuurminnaars, die op heel andere plaatsen en momenten te vinden zijn dan de reguliere verenigingsleden.

De predikant moet aanwezig zijn in stad of dorp, contact leggen met andere organisaties, zich verdiepen in veranderende zorgstructuren en de daarmee veranderende pastorale en diaconale problemen in de omgeving van de gemeente. De predikant moet de gemeente voorgaan in het (doen) organiseren van activiteiten die aantrekkelijk zijn voor anderen dan de eigen verenigingsleden: lezingen, kunst, muziek, ontmoeting. De dominee moet kortom zijn/haar werkterrein meer en meer verleggen naar buiten de kring van de eigen vereniging, zonder enig direct perspectief dat daarmee geld verdiend kan worden. Het probleem in een notendop: De dominee wordt aangesteld en betaald door de krimpende gemeente, terwijl hij of zij meer en meer buiten de kring van de gemeente aan het werk moet.

Voorzichtig proces
De verenigingsgedachte leeft sterk in de kerk. Mensen betalen (alleen) voor de eigen (wijk-)gemeente en de eigen dominee. En de financiën zijn merendeels afhankelijk van de verenigingscontributie, de bijdragen via Kerkbalans. Voor de toekomst van de dominee is het nodig dat gemeenteleden bereid zijn hun ‘eigen’ dominee te betalen en tegelijk hem of haar de ruimte geven vooral buiten de eigen gemeente werkzaam te zijn. Het is daarom ook nodig dat predikanten werkelijk als teams gaan opereren om samen op heel verschillende plaatsen in de samenleving de kerk te representeren, waarbij kwaliteiten en specialiteiten kunnen bloeien en niet elke dominee toch eerst moet passen in de mal van de ‘gemeentepredikant’.

Het is nodig dat dominee en gemeente samen andere bronnen van inkomsten gaan aanboren: fondsen, fundraising onder sympathisanten, entreegelden voor concerten en lezingen, honoraria voor rouw- en trouwdiensten. Het is nodig dat de kerk afstapt van het door niemand meer begrepen overblijfsel van de verenigingsstructuur, de aanstelling voor onbepaalde tijd van de dominee. Er is dus veel creativiteit nodig en het zal de nodige tijd kosten om als kerk en gemeenten en dominees vorm te geven aan een kerk die niet langer is opgesloten in verenigingsafdelingen. Dan ook kunnen dominees volop tot hun recht komen, met de verschillende kwaliteiten waarover ze beschikken.
Laat dat duidelijk zijn: ik maak me totaal geen zorgen over de kwaliteit en creativiteit en flexibiliteit van de jonge mensen die er nu voor kiezen om dominee te worden. Zij weten in welke wereld zij voor dit ambt kiezen. Het is dringend zaak te voorkomen dat ze worden opgesloten in de verenigingsstructuur van de kerk en worden doodgeknuffeld door de verenigingsleden.

 

Dr. Harm G. Dane (1949) is gepensioneerd socioloog en was beleidsmedewerker bij Landelijk Dienstencentrum van de Protestantse Kerk in Nederland.
Illustratie: Ton Remmer

 

 

Proefabonnement Woord & Dienst