Bijbel

De vrouw voor wie Jezus buigt

Een van de meest intrigerende verhalen in het Nieuwe Testament vind ik Marcus 7:24-30. Jezus reist naar Tyrus, trekt zich daar terug in een huis en wil niet dat iemand hem kent.

Verschenen in Interpretatie 21-5, september 2013

Een vrouw die een dochter heeft met een onreine geest weet Jezus desondanks te vinden, valt voor zijn voeten neer en vraagt hem de demon uit te drijven. Nadat eerst nadrukkelijk is vermeld dat de vrouw Helleens is en Syro-Fenicisch van geboorte, zegt Jezus tegen haar: ‘Laat toe dat eerst de kinderen verzadigd worden – want het is niet fraai het brood van de kinderen te nemen en dat naar de hondjes te werpen!’ De vrouw antwoordt: ‘Toch wél, Heer: ook de hondjes ónder de tafel eten van de kruimels van de kinderen!’ Vervolgens geeft Jezus toe: ‘Om dit woord, ga heen, de demon is uit je dochter weggegaan!’ Thuisgekomen blijkt haar dochter genezen te zijn. Het verhaal wordt afgesloten met de opmerking dat Jezus uit Tyrus vertrekt.

Narratieve benadering
Een van de vragen die men bij een narratieve benadering van de tekst kan stellen, luidt: Wie is de held? Fokkelman biedt een aantal subvragen die bij het formuleren van een antwoord kunnen helpen1: Is de held(in) meestentijds of voortdurend aanwezig in de tekst? Is hij of zij het subject van een zoektocht (of queeste)? En toont de held(in) initiatief? In Marcus 7:24-30 komen vier personages voor: Jezus, de Syro-Fenicische vrouw, haar dochtertje en de demon. De laatste twee vallen direct af als mogelijke held(in). Beiden komen slechts in de marge van het verhaal voor en zijn geen enkele keer actant. Jezus komt expliciet en impliciet zes keer voor als actant, de vrouw vijf keer. Kwantitatief ontlopen deze twee actanten elkaar dus nauwelijks.

Zowel Jezus als de vrouw laat zich bepalen door een zoektocht of queeste. Jezus wil zich terugtrekken en door niemand gekend worden. De vrouw wil haar dochter genezen van een onreine geest en belaagt Jezus op een zodanige manier dat hij er niet in slaagt zijn eigen queeste te realiseren. Aan het einde van het verhaal is het dochtertje genezen en heeft de vrouw haar doel bereikt.

De genezing is voor een groot deel te danken aan de initiatiefrijke opstelling van de vrouw, én aan haar slimme woordenwisseling met Jezus. Twee keer benadert ze Jezus, eerst door voor zijn voeten te vallen, vervolgens door hem ad rem van repliek te dienen. De vrouw reageert niet op de belediging van Jezus die haar associeert met een hondje, maar zet hem op het verkeerde been door te stellen dat zij tevreden zou zijn met de kruimels. Dankzij deze rake opmerking besluit Jezus de vrouw tegemoet te komen.

Bijbels-theologische lezing
Hoewel evident lijkt dat de Syro-Fenicische vrouw in Marcus 7 de rol van heldin speelt, is de opstelling van Jezus in het verhaal zeker even intrigerend. Tenslotte is Jezus in veel andere verhalen de held en komt hij in de evangeliën niet zo vaak naar voren als iemand die kwetsbare mensen beledigt of zich nadrukkelijk afsluit voor niet-Joden. Des te interessanter is het om vanuit bijbels-theologisch oogpunt na te gaan in hoeverre de rol van Jezus in Marcus 7 aansluit bij de christologie van Marcus. Daarbij ga ik uit van de sequentie tekst-evangelie-tekst en gebruik bij de eerste stap losjes het model van Berkhof, die onderscheidt tussen Jezus als mens, Jezus als Zoon van God, Jezus als Jood en aankondiger van het koninkrijk.

In Marcus 7 laat Jezus zich sterk van zijn menselijke kant zien. Hij wil rust hebben, zoekt de eenzaamheid en reageert vinnig op de vrouw die hem stoort. Minder nadrukkelijk is zijn rol als Zoon van God. Aan het einde van het verhaal deelt Jezus de vrouw mee dat de demon verdwenen is, maar hij laat in het midden wie daar verantwoordelijk voor is. Verder benadrukt Jezus in de metafoor van de kinderen en de hondjes dat hij zich sterk bewust is van zijn eigen Joodse achtergrond. Jezus als aankondiger van het koninkrijk van God komt mogelijk zijdeling ter sprake in de genezing van het dochtertje. Per saldo benadrukt de evangelist in dit verhaal vooral dat Jezus mens en Jood was.

De accenten die Marinus de Jonge hanteert bij zijn analyse van de christologie in Marcus sluiten redelijk aan bij het model van Berkhof2. Volgens De Jonge staat in Marcus de gedachte centraal dat Jezus de Zoon van God is, en benadrukt de evangelist dat hij de Messias is. Verder noteert De Jonge dat Jezus prediker, leraar, genezer en exorcist is, en dankzij de macht van God sterker is dan de Satan (p. 85vv).

Als we vanuit De Jonges analyse van Marcus teruggaan naar ons verhaal, vallen diverse zaken op. De rol van Jezus als Zoon van God is in Marcus 7:24-30 sterk onderbelicht. God komt in het geheel niet aan de orde, zelfs niet bij de uitdrijving van de onreine geest. Sterker: in het verhaal wordt juist erg besmuikt gedaan over de vraag wat nu precies de rol van Jezus bij het uitdrijven van de demon is. Verder valt op dat, vergeleken met De Jonges bijbels-theologische analyse van Marcus, ons verhaal niet een nadrukkelijk accent legt op de komst van het koninkrijk. Daar staat tegenover dat, net als in de rest van het evangelie, ook Marcus 7:24-30 benadrukt dat Jezus de Messias is voor ‘zijn ‘Joodse kinderen’. Het meest verrassende in het verhaal is echter dat Jezus sterk naar voren komt als mens, hetgeen in de lezing van De Jonge geen rode draad in het evangelie zou zijn. In ons verhaal speelt juist de kribbigheid en wispelturigheid van Jezus een vreemde rol in het gesprek met de Syro-Fenicische vrouw. Wonderlijk dat Jezus haar eerst zo vinnig tegemoet treedt en vervolgens voor haar buigt.

Wat doet zo’n eigenzinnig verhaal ons? Is het verwarrend? Onderstreept het de meer menselijke kanten van Jezus? Bevestigt het de historiciteit van Jezus’ reis naar Tyrus?

Geef hieronder uw reactie

Dr. H. Snoek is docent Bijbelwetenschappen aan de Christelijke Hogeschool Windesheim en wetenschappelijk medewerker Intercultureel Bijbellezen aan de Vrije Universiteit.

Een los nummer van Interpretatie bestellen? Klik hier.

Noten

1   Zie: J. Fokkelman, Vertelkunst in de bijbel. Een handleiding bij literair lezen, Zoetermeer: Boekencentrum 1995, 84.

2   M. de Jonge, Christologie in context. Jezus in de ogen van zijn eerste volgelingen, Maarssen: De Ploeg 1992, 71.

3 reacties

  1. A.Romein
    1 oktober 2013 om 12:56

    Het verhaal wordt gepositioneerd buiten ‘Israël’ in Zuid-Libanon. Niet alleen de nadruk op de primaire plaats van de Joden valt op, maar niet minder de overschrijding van grenzen, zowel bij de dame als bij Jezus. Het heil is voor Joden en de gojim, waarvan zij een van de eerste is.

  2. John
    1 oktober 2013 om 13:40

    Jezus gaat in twee evangeliën dezelfde weg als Elia. En beiden hebben ze te maken met Syro fenischese vrouwen (Weduwe van Sarefat en ook Isabel komen daar vandaan). Het lijken verhalen die deze twee grootheden doen omkeren, letterlijk en figuurlijk. Na de omkering voelen ze zich geroepen de confrontatie aan te gaan. Intrigerend die parallellen.

  3. Ruben
    1 oktober 2013 om 13:49

    De geschiedenis uit Marcus 7 vinden we uitgebreider in Mattheus 15. Hierin stelt Jezus heel duidelijk dat hij slechts gezonden is tot de “verloren schapen van het huis van Israël”. Om zijn woorden over de ‘hondjes’ toe te schrijven aan menselijke kribbigheid, lijkt me afdoen aan de essentie van wat dit verhaal mijns inziens wil zeggen: Jezus komt als Joodse Messias naar Israël en de volken hebben hier, zolang hij nog niet als Koning heerst vanuit Jeruzalem, nog even geen deel aan.
    De vrouw negeert Jezus’ woorden niet, maar accepteert deze. Zij schikt zich in Jezus’ typering en vernedert zich zo ten opzichte van Israël. In deze houding ligt Jezus’ ommekeer. Haar nederige houding is er een van zegen voor Israël en volgens de belofte aan Abraham zal God ‘zegenen wie u zegent’.