Wetenschap

De visie van H.W. de Knijff op de natuurwetenschappen

Op vrijdagmiddag 28 maart organiseerde de onderzoeksgroep Beliefs van de PThU een symposium naar aanleiding van het nieuwste boek van emeritus hoogleraar H.W. De Knijff. Dat boek – Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging. Over secularisatie, wetenschap en christelijk geloof – stond centraal tijdens de middag. Prof.dr. Gerard Nienhuis, hoogleraar Natuurkunde aan de Universiteit Leiden, hield onderstaande lezing.

DE KNIJFFS VISIE OP DE NATUURWETENSCHAP

De geest als bron van alle kennis
Dit boek is een pleidooi voor de beslissende rol van de geest als bron van alle kennis. De kentheoretische betekenis van de geest wordt daarmee uitgangspunt van de studie. Door het boek heen zijn voortdurend tegenstellingen aan de orde: tussen materie en geest, tussen innerlijk en uiterlijk, tussen feiten en waarden, tussen de natuur en de cultuur, tussen subject en object, tussen natuurwetenschap en geesteswetenschap (die vooral als historiewetenschap wordt gezien). De studie is breed opgezet, en gebaseerd op een beschrijving van de gehele Europese cultuurgeschiedenis, van de antieke filosofen via de vroeg-christelijke periode en de Middeleeuwse scholastiek, de Renaissance en de Verlichting tot aan de huidige tijd. De Knijff geeft blijk van een grote eruditie, en een heldere visie. De ontwikkeling van het menselijk denken over de natuur, over de geschiedenis, over mens en maatschappij worden apart besproken, uitlopend op het moderne onderscheid tussen beta-, alfa- en gamma-wetenschappen. Zo zien we de opkomst van het huidige dominante wereldbeeld, met de materie als basis van al het zijnde. Deze visie duidt hij aan als fysicalisme. Andere min of meer gelijkwaardige termen zijn materialisme of naturalisme. Het boek loopt uit op de visie dat de geest niet alleen de drager is van al ons kennen, maar dat het ook de geest is die de werkelijkheid constitueert.

Fysicalisme en secularisatie
Dit boek hoort daarmee bij de studies van de geschiedenis van de westerse cultuur. Maar een essentieel aspect van het boek heb ik nog niet genoemd: het christelijk geloof. De Knijff stelt terecht dat de Europese geschiedenis sterk bepaald is door het christendom. Het fysicalisme is een belangrijke oorzaak van de vervreemding en de machteloosheid die de moderne mens ervaart tegenover de grote problemen van onze wereld. Voor De Knijff is het niet zozeer de wetenschappelijke vooruitgang die het fysicalisme heeft voortgebracht, maar vooral het feit dat de wetenschap de rol van het geloof heeft overgenomen. Dat is de basis van de secularisatie. Dat zal niet voor iedereen vanzelf spreken. Is het christelijk geloof nodig om oog te hebben voor het geestelijke aspect van de mens? Kan iemand die zich thuis voelt in een strikt seculier beeld van de wereld de geest niet zien als een zelfstandig aspect van het bestaan? Is de geest dan bovennatuurlijk?
Duidelijk is wel dat de fysicalistische visie op de wereld gebrek aan zinervaring kan oproepen. Maar fysicalisme is iets anders dan secularisatie. Het fysicalisme ziet de wereld als een fysisch systeem, bestaande uit materie en energie in ruimte en tijd, en niets meer dan dat. Daaruit volgt als antwoord op de vraag naar ziel en lichaam, ‘mind and body’: de geest is een bijproduct van materiële complexiteit. De eerste oorzaak van geestelijke ervaringen is een materieel proces. Het boek geeft de indruk dat De Knijff meent dat iedereen die seculier (in de zin van niet-religieus) is, wel fysicalist moet wezen. Maar er zijn veel voorbeelden van mensen die zichzelf als seculier beschouwen, en toch het fysicalisme afwijzen. Ik noem als voorbeeld Bert Keizer, die in diverse columns en in het boekje ‘Waar blijft de ziel?’ betoogt dat de mens behalve het lichaam ook een zelfstandige geestelijke kant heeft. Denken is meer dan hersenactiviteit. Om dat zo te zien hoef je niet religieus te zijn. De objectief meetbare neurologische signalen doen geen recht aan de innerlijke beleving die met bewustzijn gepaard gaan. Dat is voor de meeste mensen tamelijk vanzelfsprekend. Maar vooral wie natuurwetenschappelijk geschoold is lijkt daarmee moeite te hebben.

Methodisch fysicalisme als voorwaarde voor vooruitgang
Uit ervaring weet ik dat natuurkundigen vaak als vanzelfsprekend denken fysicalist te zijn. Maar bij doorvragen blijkt vaak dat ze wel degelijk de geestelijke aspecten van de mens ernstig nemen, en dat ze niet echt menen dat van elk besluit, elke gedachte en elke beleving puur fysisch-materiële processen de diepste oorzaak zijn. Wie het fysicalisme vanzelfsprekend vindt heeft vaak niet veel nagedacht over wat dat inhoudt.
Dat vanzelfsprekende, bijna oppervlakkige, fysicalisme komt heel natuurlijk tot stand. Het is in de voortgang van de natuurwetenschap, die De Knijff zo boeiend en uitgebreid beschrijft, gebleken dat de bouwstenen van de materie, de atomen, universeel zijn. Hetzelfde geldt voor de natuurwetten die hun gedrag bepalen. Overal in het heelal zien we dezelfde atomen, en de natuurwetten, in de vorm van wiskundige vergelijkingen, zijn toepasbaar op alle waarneembare verschijnselen. Alle waarneembare verschijnselen hebben een materiële kant, en laten zich beschrijven door de natuurwetten. Die natuurwetten hebben we niet bedacht, maar in de natuur aangetroffen. Ze beschrijven gelijkelijk de hemel en de aarde, de levende en de niet-levende materie. Het is de taak van de natuurkunde om alles wat gebeurt te beschrijven in termen van die wetmatigheden. In die zin is een natuurkundige een methodisch agnost of atheïst. Op handelen van God kun je geen beroep doen bij het verklaren van fysische processen.

Fysicalisme als levensbeschouwing
Maar je wordt pas een fysicalist als je meent dat met dat fysisch systeem alles over de wereld gezegd is wat er te zeggen valt. Dan wordt de natuurwetenschap je wereldbeeld. Dan meen je dat alleen de natuurwetenschap zinnige antwoorden kan geven op alle vragen, ook als het gaat om levensvragen: Zijn wij bedoeld? Waar gaat het om in het leven? Hoe moeten we leven? Hoe moeten we samenleven? Wat kunnen we weten? Op deze vragen zijn antwoorden nooit definitief. Ze vallen niet onder het domein van de natuurwetenschap, maar eerder onder levensbeschouwing, geloof, literatuur, kunst.
De Knijff ziet het christelijk geloof als een wezenlijk tegenwicht tegen het fysicalisme. Hij kent aan het christelijk geloof een objectief karakter toe (p. 275). De vraag komt dan op of andere religies, zoals de islam of het jodendom, daarbij geen mogelijke bondgenoot zijn. En ook of er ook niet-religieuze levensbeschouwelijke tegenargumenten te vinden zijn. Wie meent dat het fysicalisme vooral met religie moet worden bestreden verliest in elk geval veel mogelijke bondgenoten. Mij komt voor dat het fysicalisme eerder een gevolg is van een gebrek aan inzicht in de grenzen van de natuurwetenschappelijke beschrijving.

Exclusiviteit van Europa?
Het boek gaat nadrukkelijk uit van een beschrijving van de cultuurgeschiedenis van Europa. Daarbij wordt als religie alleen aan het christendom aandacht besteed. De natuurwetenschap in moderne zin is inderdaad in de christelijke cultuur van Europa ontstaan. Maar de ontwikkeling van de wetenschap, met name de natuurwetenschap, heeft inmiddels een mondiaal karakter. Bovendien zijn andere religies, zoals de islam, nu ook uitdrukkelijk present in Europa, ook in Nederland. Ook het jodendom, dat met het christendom zijn wortels gemeenschappelijk heeft, is een deel van de Europese cultuur. Bij de ontwikkeling van de moderne natuurkunde zijn joodse onderzoekers meer dan evenredig vertegenwoordigd.

Natuurwetenschap en techniek
De Knijff lijkt techniek en natuurwetenschap als identiek te beschouwen. Hij schrijft bijvoorbeeld dat ons hele levenspatroon, van de wekker tot het late avondnieuws door de wetenschap wordt bepaald (p. 154). Die vereenzelviging van de natuurwetenschap met technische voorzieningen die op basis daarvan zijn ontwikkeld leidt er ook toe dat de natuurwetenschap verantwoordelijk wordt gehouden voor de dreiging van wereldwijde catastrofes, door bevolkingsgroei, ontbossing, uitputting van grondstoffen en landbouwareaal, vervuiling van water, lucht en de leefomgeving, klimaatverandering. Dat roept de vraag op hoe De Knijff de natuurwetenschap eigenlijk waardeert. Horen deze vormen van crisis onvermijdelijk bij de aard van de natuurwetenschap? Moet de visie van het geloof expliciet ingebracht worden in de wetenschap? We merken op dat de kerken in Noord-Amerika en Europa bepaald niet steeds voorop lopen bij de zorg om de leefomgeving en de planeet aarde.

De geest als constitutief voor de werkelijkheid?
De Knijff concludeert dat de geest wezenlijk is om de werkelijkheid te constitueren. Dat is een vergaande uitspraak. Maar wanneer is er precies sprake van geest? Naar algemeen inzicht is de geest onverbrekelijk verbonden met het leven, al weten we niet hoe de samenhang is. Nu is leven, en zeker geestelijk (menselijk?) leven, uiterst zeldzaam in kosmisch perspectief. Het menselijk leven bestaat naar onze inzichten 200 duizend jaar, terwijl het leven 3 miljard jaar geleden begonnen is. Als we de geschiedenis van het leven afbeelden op een jaar, dan is de mens pas verschenen op oudejaarsavond, een kwartier voor middernacht. Of er leven is elders in het heelal weten we niet. Binnen ons zonnestelsel lijkt buitenaards leven onmogelijk. Maar ons melkwegstelsel bevat 100 miljard sterren, terwijl er naar schatting 100 miljard sterrenstelsels zijn.
Wat moeten we ons dan voorstellen bij de kosmische werkelijkheid, waarin de menselijke geest in tijd en ruimte verwaarloosbaar is? Wat is de status van de kosmos buiten de aarde, buiten ons planetenstelsel, buiten ons sterrenstelsel? Hoe kan de geest constitutief zijn voor deze kosmische werkelijkheid? Of is de geest er altijd geweest, zoals verhaald wordt in Genesis 1:2:
Duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.

Komt de geest misschien niet voort uit de biologie? Ik denk aan de tekst uit Genesis 2:7: Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.