Kerk

De spanning eruit? Reactie van Stefan Paas op Niels de Jong

Op vrijdag 13 november was er in Kampen een symposium rond het nieuwe boek Vreemdelingen en priesters van Stefan Paas. De bijdragen van dit debat waren de afgelopen week hier op Theoblogie te lezen. We begonnen met een impressie van Henk Medema, daarop volgden de bijdrage van Stefan Paas en de reactie van Jan Wolsheimer. Jeroen Smith en Niels de Jong kwamen daarna. Nu reageert Stefan Paas op Niels de Jong.

 

 

De spanning eruit? Reactie op Niels de Jong

 

Met het boek Vreemdelingen en priesters wil ik een gesprek beginnen over wat ‘missionair’ betekent in het Nederland van nu. Niels de Jong pakt die handschoen op met zijn – deels – kritische reactie. Ik ben daar blij mee, omdat hij waarschijnlijk iets boven water tilt dat ook bij andere lezers op kan komen: allemaal prachtig, die ontspanning, maar gooi je met het badwater van krampachtigheid en activisme niet het kind van evangelisatie en bekering weg?

Niels’ betrokken en sympathieke reactie geeft me de gelegenheid nog eens zo helder mogelijk uit te leggen welke conclusies naar mijn mening wel en welke niet gedragen worden door het boek. Uiteraard is het onvermijdelijk dat lezers ‘hun eigen ding doen’ met het boek; iedereen is voorgesorteerd door zijn of haar eigen achtergrond en ervaringen, en dat stempelt ook iemands verwerking van dit boek. Maar ik kan in elk geval mijn best doen om duidelijk te maken in welke reacties ik me herkend voel en in welke niet.

Niels geeft zelf al aan dat hij de zaken omwille van de discussie zo scherp mogelijk stelt. In een mailwisseling naar aanleiding van zijn reactie, verhelderde hij verder dat hij vooral wil duidelijk maken welke “suggestie” door mijn visie mogelijk wordt gewekt in de kring van de volkskerk waartoe hij behoort. Het gaat hem er niet om te beweren dat ik het ook werkelijk zo gezegd heb of het zelfs maar bedoel. Niettemin, ook ‘suggesties’ kunnen een eigen leven gaan leiden, dus ik ga graag in op zijn reactie.

In het – bewust scherp gestelde – kritische deel van zijn reactie, omschrijft Niels de suggestie die door mijn boek gewekt zou kunnen worden, ongeveer als volgt (ik parafraseer): Stefan Paas is vol van evangelisatiedrang naar de stad vertrokken. Daar kwam hij erachter dat het niet zo lukte, en toen heeft hij een theologie erbij bedacht, die erop neerkomt dat “het wel goed zit” met iedereen (Niels’ woorden). Dat is dus wat klassiek ‘alverzoening’ heet: iedereen komt er wel, ongeacht wat hij of zij gelooft of hoe hij of zij leeft. Vooral daarmee heb ik moeite, juist omdat ik me nu juist zo in alle toonaarden verzet tegen speculaties over “hoe het zit” met mensen.

Interessant is dat Niels daaraan toevoegt dat ik zou beweren dat de gemeente “plaatsvervangend gelooft” voor de buitenwereld. Maar dat zeg ik nergens! Afgezien van hoofdstuk 2 (waar het woord een vertaling is van Grace Davie’s ‘Vicarious religion’) gebruik ik maar tweemaal een term die hier enigszins in de buurt komt. Op p. 225 heb ik het over “min of meer plaatsvervangend [naar de kerk] gaan”. Even verderop noem ik het offer van Job voor zijn kinderen “plaatsvervangend” (226). Dat is alles. Ik heb het hier dus niet over ‘geloven’. Wel heb ik het over priesterschap ‘uit naam van’ of ‘ten behoeve van’ de mensheid. Ook heb ik het over geloven ‘voor’ een ander (225), maar ik benoem dat direct als ‘representatie’. Dus ik kan me wel voorstellen dat zoiets bij iemand opkomt die puur op de termen let en minder op de context waarin ik ze bezig, maar ik hecht er wel aan om te zeggen: nergens schrijf ik dat de gemeente “plaatsvervangend” gelooft voor de rest en al helemaal niet dat het daarom wel “goed zit” met de rest. Het stáát er gewoon niet.

Ik vind dat belangrijk om te onderstrepen, omdat ik volgens mij duidelijk aangeef hoe ik het wél bedoel. Wie meent dat ik zou beweren dat het op basis van het geloof van de gemeente wel goed zit met de wereld, leest mij tegendraads. Ik doe daar (bewust) geen uitspraken over. Mijn boek is een missionaire theologie, geen soteriologische studie.

Een kleine leeswijzer kan dit misschien nog verder verduidelijken. Even in een paar stappen:

  1. In hoofdstuk 1 benadruk ik dat het christelijk geloof onvermijdelijk missionair is, en dat evangelisatie het hart is van zending. Daar is geen woord Spaans bij volgens mij. Ik zeg erbij dat de motivatie voor het getuigenis alles te maken heeft met vreugde, verantwoordelijkheidsgevoel e.d. die te maken hebben met wat God heeft gedaan in Jezus (p. 24). Ik nuanceer of relativeer volgens mij niets van deze kern van het evangelie.
  1. Maar dan komt de vraag: wat nu als het niet zo erg lukt, zoals in Europa het geval is? Kortom, een centrale vraag in het boek is: hoe houd je nu de motivatie vast om te evangeliseren in een omgeving die in het algemeen niet zoveel belangstelling heeft? Dus verre van me erbij neerleggen, zoals Niels toch enigszins suggereert, zet ik er juist een tandje bij! Ik houd vol dat evangelisatie enorm belangrijk is, juist ook wanneer het weinig succes lijkt te hebben. Zie daarvoor de hoofdstukken 2-3. In die hoofdstukken bespreek ik o.a. de vraag welke spiritualiteit we nodig hebben om vrolijk en hoopvol door te gaan met missionair leven in de seculiere omgeving van Europa.
  1. Een belangrijk deel van het antwoord op die vraag is dat ‘we’ (de kerk) ons bewust moeten zijn van onze identiteit. Ik ga daarnaar op zoek in een bijbels-theologische bestudering van ballingschap en diaspora, met introductie van de metaforen van vreemdeling & priester (hoofdstuk 4-5).
  1. Vervolgens pak ik de draad van het evangelisatievraagstuk weer op in hoofdstuk 6. Waarom is en blijft evangelisatie belangrijk, ook voor worstelende gemeenten in een seculiere omgeving? Omdat het alles te maken heeft met het heil! Hier zijn p. 212-215 heel belangrijk: daar benadruk ik dat de gemeente moet evangeliseren, omdat het gaat om de uitbreiding van het heil. Dit staat volgens mij glashelder uitgewerkt op p. 214 vanaf “Wanneer ik zeg dat…” tot en met p. 215 “… en hun relatie tot het heil van God”. Daar staat precies wat ik bedoel, en ook wat ik niet bedoel. Volgens mij moet het iedereen die dit leest duidelijk zijn dat ik op geen enkele manier suggereer dat het “wel goed zit” met mensen, ongeacht of ze in Jezus geloven of niet. En ook niet dat het “niet goed zit”. Die discussie voer ik hier helemaal niet! Nogmaals: dit boek is geen soteriologische studie, maar een missionaire theologie. Het gaat mij juist om een gemeente die met hart en ziel aan het evangeliseren is, omdat zij gelooft dat – voor zover wij mensen er iets van kunnen zeggen – alleen zo het heil zich verspreidt in de wereld. Speculaties over Gods heilsplan, en hoe het “zit” met allerlei mensen, hebben we daarbij niet nodig. De verwijzing klopt misschien niet helemaal, maar ik moet hier denken aan Jezus’ antwoord toen zijn leerlingen hem vroegen of veel mensen behouden zouden worden: “Strijden jullie om in te gaan” (Luk. 14:33). Jezus ontmoedigt hier soteriologische speculaties en verwijst zijn leerlingen naar datgene wat mensen kunnen overzien. Motivatie voor evangelisatie moeten we niet zoeken in bespiegelingen over datgene wat wij niet kunnen doorgronden en waarover wij al snel een te grote broek aantrekken – compleet met grote uitspraken over mensen met wie het “goed zit” en mensen die “verloren” zijn. Die motivatie moeten we zoeken in datgene wat ons werkelijk van binnenuit kan doorgloeien: blijdschap, verantwoordelijkheidsbesef (hoofdstuk 1) en de lofprijzing aan God (hoofdstuk 7).
  1. Alleen, dan blijft de vraag over: wat als dit evangeliseren nu niet zo lukt? Moeten we het dan maar opgeven? Is er dan niets meer te doen of te bidden? Zie daarover de zin onderaan p. 214: “Alleen, een meer collectieve visie ziet evangelisatie niet als mislukt wanneer mensen geen actief lid worden. Zij worden gedragen en opgedragen door de gemeenschap van priesters, waarmee zij persoonlijk verbonden zijn”. Dat laatste moet er echt bij! Het gaat me niet om een abstract “het zit wel goed”. Het gaat me om daadwerkelijke, getuigende relaties, om verbondenheid met de gemeente van levende mensen. Heel dit hoofdstuk benadrukt het belang van relaties. Naar mijn idee geeft dat ook energie aan een missionaire praktijk. Het laat zien dat een gemeenschaps-ecclesiologie prima samengaat met een naar buiten tredende, opzoekende missionaire praktijk. Alleen, het is een praktijk die minder instrumenteel is, die de relatie in zichzelf theologisch kan waarderen – ook als daar niet direct kerkgroei uit voortvloeit.
  1. Want stel nu dat die relaties niet leiden tot (zichtbare) bekering en aansluiting bij de kerk, zijn ze dan niets meer waard? Scherp gesteld: zijn die relaties alleen een middel tot een doel (bekering, aansluiting bij de gemeente) of zijn ze zelf theologisch ook nog van waarde? Dat is de vraag waar ik het in hoofdstuk 7 verder over heb, op p. 224-235. Ik werk daar verder uit wat het betekent dat mensen “gedragen en opgedragen” worden door de gemeente, en dat ons “evangelisatie-arsenaal” meer mogelijkheden heeft dan alleen mensen uitnodigen om mee naar de kerk te gaan. Er is heilswaarde in echte, diepgaande relaties, dat is het punt. Dat zie je telkens in de Bijbel terug, dat laat ik volgens mij duidelijk zien. Maar ik speel dat niet uit tegen bekering en aansluiting bij de kerk, integendeel: ik zeg telkens dat die zaken eerst komen, en dat je vervolgens voor de vraag komt te staan: wat als dit nu niet lukt?
  1. In die pagina’s zeg ik, tot slot, ook iets over een specifieke motivatie voor evangelisatie, namelijk “zielen redden van de hel”. Daarmee is de cirkel rond, want ik begon het boek immers ook met de vraag naar motivaties voor evangelisatie. En opnieuw moet ik hier benadrukken: ik heb het hier niet over soteriologie, c.q. de vraag wie er gered worden en hoe. Ik zeg niet dat mensen er toch wel komen of dat er geen oordeel is. Daarover spreek ik me helemaal niet uit en bewust niet, o.a. om de reden die in voetnoot 22 staat op p. 234. Ik zeg ook niet dat het niet uitmaakt wat mensen kiezen (zie p. 233-234 + voetnoot 22!). Ik zeg maar één ding: als motivatie voor evangelisatie is dit niet zo’n behulpzame gedachte. Het is geen “sleutel op het slot van evangelisatie” (aldus p. 232). Het gaat hier dus niet over het al dan niet gered zijn van mensen (ik speculeer daar niet over); het gaat puur en alleen over wat ons motiveert om te evangeliseren. En dan zeg ik: de heerlijkheid van God is een veel betere motivatie dan de vrees om het eeuwig lot van mensen. Ofwel: we kunnen de sleutel beter zoeken in de doxologie dan in de soteriologie. God verheerlijken, dat kunnen wij doen; mensen redden, dat is Gods werk.

 

Haalt dit nu ‘de spanning eruit’? Ik zou echt niet weten waarom. Evangelisatie blijft toch gewoon belangrijk? En het is toch volgens mijn boek enorm belangrijk dat de gemeente probeert zich uit te breiden en in het bijzonder dat zij op zoek gaat naar mensen die niet lijken op degenen die al lid zijn? En ik benadruk toch ook dat het voor mensen wel degelijk belangrijk is welk antwoord zij op het evangelie geven? Is dat niet spannend of uitdagend genoeg? De ontspanning zit hem hierin dat ik uitleg dat ons evangeliserende arsenaal veel breder is dan alleen mensen naar de kerk proberen te krijgen, en daar komt dan het punt in van heilvolle relaties, geheiligd zijn in de gelovige, gedragen worden door de gebeden van de gemeente, e.d. en dat je mag geloven dat God daar iets mee doet. Die ontspanning is volgens mij hoognodig. Ik hoop en bid dat dit belemmeringen wegneemt om ‘aan evangelisatie te doen’, en dat het degenen die ‘er al aan doen’ bemoedigt om ermee door te gaan.

Klik hier voor meer informatie over Vreemdelingen en priesters.