FilosofieGeloofTheologie

De opvattingen van Paulus over ‘de Geest’

Bert Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij publiceerde het boek Paulus en de rest. Van farizeeër tot profeet van Jezus dat nu tijdelijk verkrijgbaar is met maar liefst € 10,00 korting. Met het oog op Pinksteren publiceren we hieronder het hoofdstuk over Paulus en ‘de Geest’. 

In het voorgaande hoofdstuk werd duidelijk dat Paulus’ ideeën over de wet in hoge mate gekleurd zijn door zijn opvattingen over de Geest. De Geest is het die door de wet spreekt en daarom is het ook mogelijk de wet op een geestelijk niveau te lezen. De spiritualisering die Paulus pleegt met betrekking tot de wet is dus ingegeven door de wijze waarop hij aankeek tegen de Geest. Lastig genoeg is Paulus’ taalgebruik op dit punt evenmin altijd helder als dat in het geval van de wet is. Wat wel duidelijk is, is dat Paulus in een oudere traditie van het spreken over de Geest staat. Om hem te begrijpen moeten we daarom allereerst naar die oudere traditie kijken. Vervolgens bezien we hoe Paulus aankijkt tegen de aanwezigheid van de Geest in de Christusbeweging. Daarna moeten we een poging wagen om de plek die de Geest in Paulus’ denken inneemt te reconstrueren. Ten slotte komt heel kort de vraag wat Paulus zegt over de werking van de Geest aan de orde.

1. De geschiedenis van de Geest

De geschiedenis van de Geest begint in Genesis 1:1-2: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.’ Het woord dat hier vertaald is als ‘geest’, ruach, betekent ook ‘adem’. Opmerkelijk genoeg geldt dat ook voor het Griekse woord voor ‘geest’, pneuma. In het spraakgebruik van het oude Israël wordt wel onderscheid gemaakt tussen God, JHWH, en zijn Geest. Het concept van ‘de Heilige Geest’ als onderdeel van de triniteit – Vader, Zoon en Heilige Geest – is een late theologische ontwikkeling. Pas vanaf de vierde eeuw is dit trinitarisch spraakgebruik enigszins ingeburgerd in de christelijke geloofstaal. Ten tijde van Paulus en zeker in de geschiedenis die aan hem voorafging, werd ‘de Geest’ genoemd als een bijzondere aanduiding van de aanwezigheid van Gods kracht, maar dat taalgebruik was geen diepgaand theologisch jargon.

De Geest van JHWH wordt in de joodse bijbel bij voorkeur genoemd als bron van bijzondere inspiratie van charismatische figuren. Zo wordt de Geest van JHWH wel in verband gebracht met zieners met uitzonderlijke gaven.[i] Met name in 1 en 2 Koningen komt de Geest van JHWH voor als het gaat om de zalving van koningen: de koning van Israël is de representant van God op aarde en deze representant ontvangt de Geest op het moment dat hij gezalfd wordt.[ii] Naast zalving kon ook handoplegging gebruikt worden om de Geest van JHWH over te dragen.[iii] Het geval van David en Saul is in dit opzicht bijzonder interessant. 1 Samuël 16:13-14 vertelt hoe de profeet Samuël David tot koning zalft en hoe vervolgens JHWH besluit zijn Geest van Saul weg te nemen:

Samuel nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de heer. Daarna vertrok Samuel weer naar Rama. De geest van de heer had Saul verlaten; in plaats daarvan stuurde de heer hem een kwade geest, die hem kwelde.

De ‘Geest van de heer’ wordt hier dus gezien als de aanwezigheid van JHWH zelf, die ook plaats kan maken voor een andere, in dit geval kwade, geest.

Een soortgelijke gedachte is te vinden in de geschriften van Qumran. In de Regel van de Gemeenschap staat beschreven dat de mens geregeerd wordt door twee met elkaar strijdige geesten:

Van de alwetende God komt alles wat is en zal zijn. Voordat zij er zijn, heeft Hij al hun voornemens vastgelegd. Eenmaal tot aanzijn geroepen vervullen zij naar hun bestemming hun werk onveranderd in overeenstemming met zijn majesteitelijk voornemen. Bij hem berusten de voorschriften van al wat is en hij draagt zorg voor hen bij alles wat zij verrichten. Hij heeft de mens geschapen om te heersen over de wereld en hem twee geesten toegewezen om daarin te wandelen tot aan de vastgestelde tijd van zijn bezoeking: de geesten van de waarheid en het onrecht.[iv]

De tekst vervolgt met een beschrijving van de ‘Prins van het Licht’ en de ‘Engel van de Duisternis’, van wie deze twee geesten uitgaan. Elders in de Dode Zeerollen worden deze twee gestalten geïdentificeerd als Michaël en Belial.[v] Michaël is de beschermengel van Israël en Belial is een alternatieve aanduiding voor de aanvoerder van de kwade machten, elders wel aangeduid als Satan. In deze visie staat de mens dus onder invloed van twee met elkaar strijdende geesten, van waarheid en onrecht, die allebei een hemelse oorsprong hebben en bovendien door God zelf zijn aangesteld.[vi]

Het lijkt er in 2 Korintiërs 6:15 op dat Paulus kennis had van deze dualistische visie. Hij verwijst daar naar Beliar (de Griekse aanduiding van Belial) en noemt deze als tegenpool van Christus. Paulus lijkt dus eenzelfde dualistische gedachte te huldigen als de gemeenschap van Qumran en de gemeente van Christus te zien als invloedssfeer van God en van Christus.[vii] De buitenwereld was voor hem de sfeer van ‘deze aion’, de oude wereld die voorbijgaat, en staat onder leiding van de engel van het duister, door Paulus wel aangeduid als ‘Satan’ of ‘de god van deze wereld’.[viii]

In een aantal andere teksten uit de Dode Zeerollen komt de combinatie van ‘geest’ en het adjectief ‘heilig’ ook voor als een vaste uitdrukking voor de Geest van JHWH.[ix] Een passage die dicht in de buurt komt van Paulus’ ideeën over de Geest is te vinden in dezelfde Regel van de Gemeenschap. Even na het boven geciteerde gedeelte vervolgt de tekst met de beschrijving van het effect van Gods definitieve ingrijpen op aarde. Als God in het laatste der dagen de zaken rechtzet, zal dit het effect zijn:

Dan zal God door zijn waarheid alle werken van de mens reinigen en voor zich ’s mensen bouwsel louteren door iedere geest van onrecht uit het binnenste van zijn vlees weg te doen en hem door een heilige geest te reinigen van alle goddeloze daden. Hij zal op hem sprenkelen de geest van de waarheid als water ter ontzondiging (om hem te reinigen) van alle gruwelen van de leugen en bezoedeling door een onreine geest. Zo zal Hij de rechtvaardigen onderwijzen in de kennis van de Allerhoogste en hen die onberispelijk van wandel zijn[x] onderrichten in de wijsheid van de zonen des hemels. Want hen heeft God uitverkoren voor het eeuwig verbond en aan hen zal al de heerlijkheid van Adam toebehoren.[xi]

Ook hier zijn de overeenkomsten met het spraakgebruik van Paulus opvallend. Net als Paulus spreekt de Regel van de Gemeenschap over de ‘rechtvaardigen’. Waar Paulus spreekt over het ‘zoonschap’ van de gelovigen in Christus en daarmee bedoelt dat zij in een rechtstreekse relatie tot God komen te staan, spreekt de Regel van de Gemeenschap over de rechtvaardigen als over de ‘zonen van de hemel’. Deze rechtvaardigen hebben een ‘eeuwig verbond’ met God, een term die ook Paulus gebruikt om de relatie van de volgelingen van Christus tot God aan te geven.[xii] En evenals in de Regel van de Gemeenschap trekt Paulus de conclusie uit het nieuwe leven ‘in Christus’ dat de volgelingen van Christus door de Geest dienen te leven in heiligheid. Een belangrijk punt in de vergelijking is dat de Regel van de Gemeenschap deze werking van de Geest verwacht voor het laatste der dagen, bij Gods eschatologische ingrijpen in de geschiedenis. Paulus is van mening dat dit ingrijpen al begonnen is ‘in Christus’. Voor hem is de gemeenschap waarin de Geest heerst een eschatologische gemeenschap die hij, zoals boven betoogd werd, zelfs kan typeren als ‘nieuwe schepping’. Zowel Paulus als de gemeenschap van Qumran grijpt hier terug op oudere ideeën uit de profetische literatuur van Israël.

2. Gave van de Geest

In 2 Korintiërs 3:1-5 spreekt Paulus de Korintiërs aan op een manier die duidelijk maakt hoe hij naar de Geest kijkt:

Beginnen we onszelf weer aan te bevelen? Of hebben we net als sommige anderen aanbevelingsbrieven voor of van u nodig? U bent zelf onze aanbevelingsbrief, in ons hart geschreven, maar voor iedereen te zien en te lezen: u bent zelf een brief van Christus, door ons opgesteld, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God, niet in stenen platen gegrift maar in het hart van mensen. Dit vertrouwen kunnen wij dankzij Christus tegenover God uitspreken. Niet dat wij vanuit onszelf zo bekwaam zijn dat we dit als ons eigen werk kunnen beschouwen; onze bekwaamheid danken we aan God. Hij heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe verbond te dienen: niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van zijn Geest. Want de letter doodt, maar de geest maakt levend.

Paulus haalt hier een tekst uit Ezechiël aan, waarin JHWH tot Israël spreekt. Deze tekst interpreteerde Paulus klaarblijkelijk als een eschatologische profetie die in zijn dagen in vervulling gegaan was (Ez. 36:26-27):

Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen.

Het is deze ‘gave van de Geest’ die Paulus gerealiseerd ziet in de gemeenschap van volgelingen van Jezus Christus. De radicale interpretatie die Paulus aan deze voorspelling geeft, is dat deze profetie doelt op de gemeenschap van volgelingen van Christus, Joden zowel als niet-Joden. JHWH spreekt in Ezechiël evident tot Israël, maar Paulus interpreteert zijn Christusgemeenschappen zó vanzelfsprekend als Israël, als de ‘vergadering van God’, de ekklesia (zie boven), dat hij genoemde verzen zonder enige terughoudendheid kan toepassen op de gemeente in Korinte.

In zijn interpretatie van genoemde passage legt Paulus terloops de nadruk op twee zaken die voor het juiste verstaan van zijn ideeën van groot belang zijn. Hij noemt het ‘nieuwe verbond’ waarvan hij gelooft dat God het in Christus met Israël gesloten heeft. En hij duidt aan dat in dat nieuwe verbond niet de geschreven wet centraal staat, maar de Geest. De aanduiding van het ‘nieuwe verbond’ komt ook voor in de woorden van Jezus’ introductie van de beker van het avondmaal, de gedachtenismaaltijd tot zijn eer. Paulus citeert deze woorden in 1 Korintiërs 11:25.[xiii] De woorden die Paulus hier aanhaalt, komen letterlijk overeen met de woorden van Lucas 22:20. Deze overeenkomst zal verklaard moeten worden door gedeelde liturgische traditie: Paulus put hier uit een traditie die ook Lucas citeert. Daarmee is aangetoond dat de terminologie van het ‘nieuwe verbond’ geen paulijnse uitvinding is, maar door Paulus ontleend is aan een bestaande traditie. Of deze traditie nu teruggaat op Jezus zelf of op zijn vroegste volgelingen na zijn dood, het gaat in ieder geval om oude traditie. Al vroeg in de Christusbeweging wordt de dood van Christus dus geïnterpreteerd als een nieuw verbond van God met Israël.

Dit spreken over het ‘nieuwe verbond’ vindt zijn oorsprong waarschijnlijk in Jeremia 31:31-34 (LXX 38:31-34). Daar spreekt JHWH tot Israël over een beslissende wending die Hij zal doorvoeren ten opzichte van zijn volk:

De dag zal komen – spreekt de heer – dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden – spreekt de heer. Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël zal sluiten – spreekt de heer: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: ‘Leer de heer kennen,’ want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al – spreekt de heer. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan.

Het is niet vreemd om te veronderstellen dat Paulus de Christusbeweging ziet als het resultaat van dit nieuwe verbond van JHWH met Israël. In het laatste der dagen is de Geest uitgestort en schrijven de leden van Israël – Joden en niet-Joden – de wet van God in hun harten. Aldus blijkt voor Paulus de Christusbeweging samen te vallen met wat hij ziet als het eschatologische Israël: Joden en niet-Joden, verenigd in Christus, levend in en vanuit de Geest, met een verinnerlijkte opvatting van de wet. De gave van de Geest kan dus niet los gezien worden van Christus, van de status van de wet en van de vernieuwing van het verbond met Israël.

In een andere passage uit de vroegste christelijke geschriften wordt beschreven hoe de Geest aan de volgelingen van Jezus werd geschonken bij het pinksterfeest.[xiv] Paulus spreekt weliswaar frequent over de Geest en is ook van mening dat de gemeente van Christus wordt geleid door de Geest, maar aan het gebeuren met Pinksteren refereert hij niet. De tekst die Petrus in Handelingen 2:17-21 noemt als interpretatiemodel voor het verhaal van de uitstorting van de Geest, Joël 3:1-5, gebruikt Paulus in Romeinen 10:13, maar niet als verwijzing naar het pinksterfeest. Aangenomen moet dan ook worden dat Paulus het verhaal over dit feest niet kende. Des te opvallender is dat hij de genoemde tekst uit Joël wel gebruikt en de daaraan ontleende uitdrukking van het ‘aanroepen van de naam van de Heer’ tweemaal gebruikt als aanduiding voor de volgelingen van Christus.[xv] Dit kan niet anders verstaan worden dan als interpretatie van het leven van de Christusbeweging vanuit Joël 3.

Paulus spreekt in zijn brieven twaalf maal over ‘de Heilige Geest’, maar vele malen meer over ‘de Geest’, hetzij van God, hetzij van Christus, hetzij absoluut gebruikt.[xvi] Op een aantal plekken in zijn brieven spreekt hij zich erover uit hoe die ‘Geest’ aan de volgelingen van Christus geschonken is. Als belangrijkste gevolg van de gave van de Geest duidt Paulus op de vrijheid van de volgelingen van Christus. Hij werkt dit thema vooral uit in zijn brieven aan de Galaten en de Romeinen.

3. De vrijheid van de Geest: Galaten en Romeinen

In zijn brief aan de Galaten legt Paulus grote nadruk op het leven ‘in de Geest’. Boven bleek al dat Paulus hier argumenteert tegen het houden van de joodse wet door niet-joodse volgelingen van Christus. Hij probeert de Galaten ervan te overtuigen dat zij een fout begaan door de wet op zich te nemen. Dat is niet langer nodig, aldus Paulus, want in Christus zijn de verhoudingen definitief veranderd. Het is hier dat Paulus komt te spreken over de Geest. Deze is het, zo stelt hij, die het leven in de Christusgemeente rechtstreeks aanstuurt. Het nieuwe Israël, geformeerd rondom Christus en bestaand uit Jood en Griek, leeft vanuit de Geest.

Uit de openingswoorden van Galaten 3 blijkt hoezeer Paulus de Geest verbindt aan het leven in de geloofsgemeenschap rond Christus:

Galaten, u hebt uw verstand verloren! Wie heeft u in zijn ban gekregen? Ik heb u Jezus Christus toch openlijk en duidelijk als de gekruisigde bekendgemaakt? Ik wil maar één ding van u weten: hebt u de Geest ontvangen door de wet na te leven of door te luisteren en te geloven? Bent u werkelijk zo dwaas weer op uw eigen kracht te vertrouwen, en niet langer op de Geest? Is alles wat u hebt meegemaakt dan voor niets geweest? Dat kan toch niet! Geeft God u de Geest en goddelijke krachten omdat u de wet naleeft? Of geeft hij ze omdat u naar hem luistert en op hem vertrouwt? [xvii]

Klaarblijkelijk ging Paulus ervan uit dat het moment waarop mensen tot geloof in Christus komen het moment is waarop de Geest aan hen geschonken wordt. Mogelijk moeten we hierbij denken aan de doop als een soort ingangsritueel waarvan Paulus geloofde dat het het leven van de mens ingrijpend veranderde. Eerder kwam al aan de orde dat hij het leven ‘in Christus’ ziet als leven in een andere invloedssfeer. Het lijkt erop dat Paulus meende dat bij de doop de dopeling de Geest ontving.

In 4:1-11 van dezelfde brief legt Paulus uit dat de komst van Christus geleid heeft tot het geven van de Geest aan zijn volgelingen. De komst van Christus leidde volgens Paulus tot een vrijkoop van de wet (dat wil zeggen: Christus heeft zijn volgelingen uit de invloedssfeer van de wet verwijderd en in een nieuwe sfeer gebracht; 4:4-5). Deze constatering brengt Paulus ertoe aan de Galaten te schrijven: ‘En omdat u zijn kinderen bent, heeft God ons de Geest van zijn zoon gegeven, die “Abba, Vader” roept’ (4:6). Het beeld dat Paulus hier beschrijft, is het volgende. Door de komst van Christus zijn zijn volgelingen in een andere invloedssfeer gekomen. Zij staan niet langer onder de wet, die fungeerde als noodzakelijke opvoeder, maar staan nu in een rechtstreekse verhouding tot God. De komst van Christus, de zoon, resulteerde in de gave van de Geest, waardoor de gelovigen nu mede-zonen zijn, in de NBV vertaald als ‘kinderen van God’. Het is dus de Geest die zorgt voor die rechtstreekse verhouding tot God.

Opvallend is dat Paulus deze metafoor van zoonschap verbindt aan die van de erfenis: doordat de volgelingen van Christus door de Geest geadopteerd worden, delen zij (met Christus!) in de erfenis. Paulus introduceert het beeld van de ‘erfgenaam’ (Galaten 4:1) ongetwijfeld uit retorische overwegingen: het stelt hem in staat de Galaten te typeren als mede-erfgenamen van Christus. In de metafoor legt Paulus uit, dat de erfgenamen als kleine kinderen onmondig waren en onder toezicht stonden. De toezichthouder, zo legt Paulus uit, was de wet. Door hun adoptie via de Geest zijn de Galaten aangenomen tot volwaardige kinderen en hebben zij het recht verworven in de erfenis te delen. De terminologie van ‘erven’ en ‘erfenis’ verwijst traditioneel naar het afstammen van Abraham: de kinderen van Abraham ‘delen’ in het verbond dat JHWH met hem gesloten had en delen dus in de belofte aan Abraham.

Paulus poneert dus dat de Galaten (net als de andere volgelingen van Christus) in een directe ouder-kindrelatie tot God zijn komen te staan. Hij illustreert dat door hier de Aramese aanduiding abba (‘vader’) aan te halen. Dit wijst erop dat hij teruggrijpt op een oudere traditie. Klaarblijkelijk is de gedachte dat de Geest is uitgestort op Israël en de volgelingen van Jezus in een rechtstreekse verhouding tot God stelt, niet van Paulus afkomstig, maar neemt hij hier een bestaande gedachte over van anderen. Opnieuw blijkt een prominent idee uit Paulus’ gedachtegoed dus afkomstig te zijn van de Christusbeweging die aan hem voorafging. Ook hier staat Paulus op de schouders van anderen, die ons niet bij name bekend zijn.

Dat de Geest de leiding heeft in de gemeenschap van volgelingen van Christus, brengt Paulus er in 5:13-26 toe de Galaten op te roepen zich door die Geest te laten leiden. Alleen wanneer zij dat doen, aldus Paulus, leven zij conform de wil van God. In zijn poging om de Galaten ervan te overtuigen dat zij de wet niet op zich moeten nemen, legt Paulus zelfs uit dat het houden van de wet strijdig is met het leven in de Geest: ‘Maar wanneer u door de Geest geleid wordt, bent u niet onderworpen aan de wet’ (5:18).

Dat de Geest beslissend is voor de invloedssfeer waarin de volgelingen van Christus leven, is een gedachte die niet uitsluitend in Galaten voorkomt. Ook in de brief aan de Romeinen werkt Paulus deze gedachte uit. Het is, als bij meer punten, alsof Paulus in Romeinen een aantal punten uit Galaten verder heeft uitgewerkt. Daarbij is een belangrijk verschil dan wel, dat een deel van de gemeenschap waaraan hij schrijft in Romeinen bestond uit joodse volgelingen van Christus. Laten we een blik werpen op wat Paulus in deze brief schrijft over de Geest.

In Romeinen 8 beschrijft Paulus hoe het leven voor de volgelingen van Christus veranderd is door de Geest. Bij deze passage moet in gedachten gehouden worden dat deze passage onmiddellijk volgt op het gedeelte waarin Paulus in de eerste persoon enkelvoud beschrijft hoe de mens het goede wil, zonder het te doen. In 7:7-25 stelt Paulus het leven voor en vanuit de wet centraal. Vervolgens beschrijft hij hoe de komst van Christus ertoe geleid heeft dat de Geest diens volgelingen rechtstreeks leidt, waardoor zij leven in ‘vrijheid’: ‘De wet van de Geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft u bevrijd van de wet van de zonde en de dood’ (8:2).

De beschrijving die Paulus hier geeft van het leven in de Geest vertoont overeenkomsten met hetgeen hij geschreven had in de brief aan de Galaten. Met name het thema van ‘zoonschap’ komt hier terug. Zoals Paulus aan de Galaten geschreven had dat zij door de Geest aangenomen werden als ‘zonen van God’, kinderen van God, zo varieert hij hier op dat thema: ‘U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met “Abba, Vader”’ (8:15). En in de verzen 16 en 17 werkt hij dit zoonschap opnieuw uit met de metafoor van de erfgenaam.

Een kwestie die meer aandacht verdient dan binnen de opzet van deze inleiding mogelijk is, is de verhouding in Paulus’ denken van wat hij noemt het ‘vlees’ tot de ‘geest’. In de Nieuwe Bijbelvertaling heeft men het concept van ‘het vlees’ wegvertaald door het te omschrijven en te parafraseren.[xviii] Andere vertalingen noemen het wel expliciet. De keuze van de NBV is ongetwijfeld ingegeven door de overweging dat deze aanduiding – ‘het vlees’ – in hedendaags Nederlands niet alleen onbekend, maar zelfs onbegrijpelijk is. De vraag is of de genoemde categorie voor Griekse lezers van Paulus wel bekend en begrijpelijk was. Vermoedelijk niet. Paulus hanteert hier een typisch Hebreeuwse uitdrukking, die voor Griekse lezers waarschijnlijk evenmin erg toegankelijk geweest is. De uitdrukking ‘geen mens’ wordt in het Hebreeuws wel weergegeven als ‘niet alle vlees’. Daarmee is de vertaling van kata sarka (lett.: ‘naar het vlees’) als ‘naar menselijke maatstaven’ goed te billijken en te begrijpen. Alleen had Paulus dat ook in het Grieks op een wijze kunnen zeggen waarbij hij de aanduiding ‘vlees’ had vermeden.

De tegenstelling ‘vlees’ – ‘geest’ is voor Paulus’ denken fundamenteel.[xix] Het gaat daarbij om een tegenstelling tussen de menselijke natuur en de van God gegeven Geest. Wanneer de mens ‘naar zijn aard’ handelt, dan handelt hij ‘naar het vlees’. Het is deze tegenstelling die Paulus retorisch in stelling brengt in Romeinen 8:5: ‘Wie zich door zijn eigen natuur laat leiden is gericht op wat hij zelf wil, maar wie zich laat leiden door de geest is gericht op wat de geest wil.’ De Geest is dus volgens Paulus aan de volgelingen van Christus geschonken opdat zij onder zijn bewind naar de wil van God zouden leven. Het is niet bij toeval dat Paulus met name op ethisch gebied de gemeenten waaraan hij schrijft corrigeert. Een juiste levenswandel weerspiegelt de werking van de Geest volgens Paulus. En daarmee is die juiste levenswandel dan ook fundamenteel om het werk van de Geest zichtbaar te maken. Dit is het wat Paulus in gedachten moet hebben gehad bij zijn instructie aan de Romeinen om zichzelf ‘als een levend, heilig en God welgevallig offer in (Gods) dienst te stellen’ (Rom. 12:1). Met deze wending luidt hij het slotdeel van zijn brief in, waarin hij de Romeinen oproept op de juiste wijze te leven. Die oproep staat duidelijk niet los van Paulus’ ideeën over de Geest. Het leven in de gemeente dient volgens hem de Geest te weerspiegelen.

4. De werking van de Geest

In 1 Korintiërs spreekt Paulus over de werking van de Geest in de Christusgemeenten. Wat hij daar uitspreekt, is verhelderend: in ieder geval de gemeente van de Korintiërs moet bestaan hebben uit mensen die geloofden dat de Geest van God hun bijzondere gaven had geschonken. Paulus doet in hoofdstuk 12 zijn uiterste best om uit te leggen dat de verschillende activiteiten die hij benoemt, allemaal ingegeven zijn door de Geest:

Er zijn verschillende gaven, maar er is één Geest; er zijn verschillende dienende taken, maar er is één Heer; er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is één God die ze allemaal en bij iedereen teweegbrengt. In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente. Aan de een wordt door de Geest het verkondigen van wijsheid geschonken, aan de ander door diezelfde Geest het overdragen van kennis; de een ontvangt van de Geest een groot geloof, de ander de gave om te genezen. En weer anderen de kracht om wonderen te verrichten, om te profeteren, om te onderscheiden wat wel en wat niet van de Geest afkomstig is, om in klanktaal te spreken of om uit te leggen wat daar de betekenis van is. Al deze gaven worden geschonken door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil.[xx]

Paulus noemt hier: het verkondigen van wijsheid, het overdragen van kennis, het hebben van een groot geloof, de gave om te genezen, de kracht om wonderen te verrichten, te profeteren, te interpreteren, klanktaal te spreken en deze uit te leggen. De beweging die Paulus hier maakt, is de volgende. Genoemde zaken komen ook buiten de gemeente van Christus voor, maar worden daar toegeschreven aan geesten, godheden of demonen. Het is dan ‘een geest’ die door iemand spreekt, iemand de kracht geeft om te genezen of te profeteren. Een mooi voorbeeld van deze belevingswereld is te vinden in Handelingen 16:16, waar beschreven wordt hoe Paulus en de zijnen ‘een jonge slavin tegen (kwamen) die bezeten was door een geest en zo de toekomst kon voorspellen’. Marcus 1:23 introduceert een bezetene die door Jezus genezen wordt als ‘een man die bezeten was door een onreine geest’. De zaken die Paulus in de geciteerde passage beschrijft, zijn dus helemaal niet uitsluitend voorbehouden aan de gemeente van Korinte. Wat er wel uniek aan is, is dat Paulus én de Korintiërs de oorsprong van deze uitingen niet toeschrijven aan ‘een geest’, een godheid of een demon, maar aan ‘de Geest’. Extatische gemeenschappen waren er meer in de oudheid; daarop vormden de volgelingen van Christus bepaald geen uitzondering. Des te opvallender is het dat Paulus er volkomen klakkeloos van uitgaat dat deze verschijnselen allemaal ingegeven worden door de Geest van God, die is uitgestort op de volgelingen van Christus.

Een opvallend detail in het taalgebruik van Paulus met betrekking tot de Geest is zijn gebruik van de term ‘kracht’ (dynamis). Net als andere auteurs uit de Christusbeweging kent Paulus de Geest de eigenschap toe als een dynamische impuls mensen te bezielen en zelfs zelfstandig op te treden. Hij kan van zichzelf zeggen dat hij door de ‘kracht’ van de Geest optrad, maar ook dat het ‘evangelie’ zelf een ‘kracht’ van godswege is. [xxi] Het koninkrijk van God krijgt volgens Paulus gestalte in de ‘kracht’, waarbij hij vermoedelijk een verband ziet met de Geest.[xxii]

Dit alles bijeengenomen wijst erop dat voor Paulus ‘de Geest’ een bijzonder belangrijke manier van spreken is over de aanwezigheid van God zelf in de Christusgemeenschap. Paulus moet dit gezien hebben als een vervulling van de belofte van JHWH aan Israël om in het laatste der dagen zijn Geest uit te storten en rechtstreeks tot Israël te spreken. Paulus geloofde dat deze profetie in zijn dagen vervuld werd. God sprak volgens Paulus, dankzij Jezus Christus, rechtstreeks tot Israël en had aan Israël zijn Geest geschonken. Door deze Geest kwamen de volgelingen van Christus in een rechstreekse relatie tot God te staan. Paulus zag de belofte van de Geest in vervulling gaan in het Israël waarvan hij meende dat God het bijeengeroepen had: het nieuwe Israël uit Jood en Griek, verzameld in een nieuw verbond rond Jezus Christus. Zo schraagde Paulus zijn ideeën door profetieën uit Joël (uitstorting van de Geest), Ezechiël (de Geest legt de wet in de harten van de Israëlieten) en Jesaja (aan het einde der tijden verzamelt JHWH de volkeren en voegt hij hen samen met Israël). Vanuit dit geloof, gevoed door vele andere profetische teksten uit de joodse bijbel, was Paulus ervan overtuigd dat hij een werktuig van God was om de laatste getrouwe rest van Israël bijeen te brengen. Het ging Paulus dus om de rest van Israël.

Bert Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

[i] 1 Sam. 23:2; Num 24:2.
[ii] Zie voor een goed overzicht F.W. Horn, ‘Holy Spirit’, in: Anchor Bible Dictionary, deel 3, 260-280.
[iii] Voor zalving: 1 Sam. 16:13; handoplegging komt voor in Deut 34:9. In dat laatste vers is overigens sprake van de ‘geest van wijsheid’ en niet van de ‘Geest van JHWH’.
[iv] 1 QS III,15-19; vertaling García Martínez, Van der Woude.
[v] Zie de bespreking in mijn Antecedents of Antichrist. A Traditio-Historical Study of the Earliest Christian Views of Eschatological Opponents (Leiden/New York/Köln, 1996), 258-296.
[vi] Dat deze dualistische visie op hemelse geestelijke invloedssferen ook in het vroege christendom doorwerkte, bewijst bijvoorbeeld een tekst uit de Testamenten van de Twaalf PatriarchenTestament van Juda 20 spreekt over de ‘geest van de waarheid’ tegenover de ‘geest van de dwaling’.
[vii] In 1 Kor. 5:5 geeft Paulus de aanwijzing dat een lid van de gemeente in Korinte moet worden overgegeven aan de Satan. Daarmee bedoelt hij vermoedelijk dat de man in kwestie buiten de gemeenschap geplaatst moet worden.
[viii] 2 Kor. 4:4; 11:14. Voor de uitdrukking ‘deze wereld’, zie Rom. 12:2; 1 Kor. 1:20; 2:6, 8; 3:18; 10:11.
[ix] Zie naast het boven geciteerde voorbeeld: 1QS 3:7; 8:16; 1QH 7:6; 9:32; 16:2, 3, 12; 18:26; CD 2:12; 5:11; 7:4.
[x] De vertalers wijzen erop dat deze woorden verwijzen naar Ps. 119:1.
[xi] 1QS 4:19-23; vertaling García Martínez, Van der Woude.
[xii] Rom. 9:4; 11:27; 1 Kor. 11:25; 2 Kor. 3:6, 14; Gal. 3:15, 17; 4:24.
[xiii] Deze passage is boven besproken, zie p. 168.
[xiv] Hand. 2:1-13.
[xv] Zie Rom. 10:12-14; 1 Kor. 1:2.
[xvi] De uitdrukking ‘Heilige Geest’ komt voor in: Rom. 5:5; 9:1; 14:17; 15:13, 16; 1 Kor. 6:19; 12:3; 2 Kor. 6:6; 13:13; 1 Tess. 1:5-6; 4:8.
[xvii] Gal. 3:1-5.
[xviii] Het bekendste voorbeeld is wel Joh. 1:14 waar de traditionele vertaling ‘Het Woord is vlees geworden’ is vervangen door ‘het Woord is mens geworden’.
[xix] Een gedetailleerde beschrijving is hier niet mogelijk. Zie daarvoor Dunn, Theology, 413-441.
[xx] 1 Kor. 12:4-11.
[xxi] Zie voor Paulus’ eigen optreden 1 Kor. 2:4; Rom. 15:19. Het evangelie als ‘kracht’ noemt hij bijvoorbeeld in 1 Kor. 1:18, 24.
[xxii] 1 Kor. 4:20.