GeschiedenisJodendomKerk

De onverwerkte Holocaust

Vandaag wordt het nieuwe boek De onverwerkte Holocaust. Spiegel voor de kerk van nu gepresenteerd.
Na de Tweede Wereldoorlog leidde de Holocaust niet tot een grondige bezinning in de protestantse kerk en haar theologie. Ondanks alle aandacht voor Israël bleef de Holocaust buiten beeld. Op dat punt hebben kerk en theologie gefaald, betoogt Ad Prosman in dit boek. Doordat de kerk de Holocaust nooit goed heeft verwerkt, heeft ze aan geloofwaardigheid ingeboet; dit belemmert haar in haar kerk-zijn vandaag. Bezinning op de Holocaust en de cultuur waarin een dergelijke ramp kon plaatsvinden, is dus alsnog nodig. Lees de inleiding op het boek (hier zonder voetnoten).

 

1 | INLEIDING

Zeventig jaar na de Holocaust klinkt tijdens een demonstratie de kreet ‘dood aan de Joden’. De aanleiding was de aanval van het Israëlische leger op de Gazastrook, na de ontvoering en het ombrengen van drie Israëlische jongens. Deze oorlog eiste veel burgerslachtoffers aan Palestijnse kant. In Nederland maakte de demonstratie felle reacties los. Enkele maanden later werden in Parijs vier Joden, werkzaam in een supermarkt, doodgeschoten. Daarvoor, op 24 mei, was er een aanslag op het Joods Museum in Brussel met vier dodelijke slachtoffers.
Het laat zien dat het antisemitisme niet voorbij is. Dat is nooit voorbij geweest en steekt steeds weer de kop op. Zelfs na de Holocaust. Dit jaar is het zeventig jaar geleden dat er een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog, maar de gevolgen daarvan duren voort tot op de dag van vandaag. Het is gemakkelijker de oorzaken van een oorlog te beschrijven dan die van de Holocaust. De Holocaust blijft iets ongrijpbaars houden, ondanks alle boeken, studies, analyses en interviews.

Daarom is een verklaring van de Holocaust in dit boek niet aan de orde. Het probleem dat ik aan de orde stel, is beperkter. De vraag die ik probeer te beantwoorden is hoe de protestantse kerk in Duitsland en in Nederland na de oorlog met de Holocaust is omgegaan. Voor een eerlijk en compleet beeld wil ik ook nagaan wat de positie van de Duitse kerk voor de oorlog was. Er liggen ongeveer tien jaar tussen het aan de macht komen van Hitler en de grootschalige vernietiging van de Joden in de oorlogsjaren (1933-1942/1944). Wat is er in die tien jaar gebeurd?
In die jaren werden de Joden steeds meer geïsoleerd en maatschappelijk tot personae non gratae verklaard. Nieuwe wetgeving zorgde ervoor dat de rechten die de Joden als Duitse staatsburgers hadden, hun ontnomen werden: de Ariërparagraaf, de Neurenbergse wetten enzovoort. Het net sloot zich steeds nauwer om hen heen. De Reichskristallnacht van 1938 was een dieptepunt. Duizenden synagogen en Joodse winkels gingen in vlammen op. Hoe stelde het Duitse protestantisme zich in die jaren op? En hoe was de positie van de Bekennende Kirche: de protestanten die in verzet kwamen tegen het nazisme? Hoe verhield zij zich tot het naziregime? Wat was haar theologie? Heeft zij van allerlei racistische denkbeelden afstand genomen of juist niet? Was antisemitisme de oorzaak van de Holocaust? En vooral: wat was nu eigenlijk de Holocaust? Een genocide, een massamoord of toch iets anders? Hoe ging het proces van heroriëntatie na de Holocaust in zijn werk? Welke theologie leverde dat op? Had de theologie in Duitsland en in Nederland aandacht voor de Holocaust? Ten slotte: wat kunnen wij ervan leren? Welke boodschap ligt hierin voor de wijze waarop wij zeventig jaar na de oorlog kerk willen zijn?

Niemand kan ontkennen dat er diep ingrijpende dingen gebeurd zijn.
Een oorlog als zodanig is voor de kerk al een traumatische ervaring, en dat geldt nog veel sterker voor de Tweede Wereldoorlog. Bij deze oorlog werden miljoenen leden van de kerk namelijk rechtstreeks ingezet voor ideeën en doelstellingen die haaks stonden op het christelijk geloof. Deze oorlog was anders dan de Eerste Wereldoorlog, toen het er vooral om ging de eigen politieke en economische belangen veilig te stellen.
De Tweede Wereldoorlog was anders. De drijfveer achter deze oorlog was een ideologie: het nationaalsocialisme, waarvan racisme en antisemitisme belangrijke elementen waren. De kerk werd dus geconfronteerd met een staat die de Judenfrage wilde oplossen. Wat die Jodenkwestie verder inhield, komt in het vervolg nog ter sprake. De kerk had en heeft een band met de Joden (uiteraard), maar in Duitsland telde ook mee dat zij een behoorlijk aantal gedoopte Joden onder haar leden telde en ook onder haar predikanten: ongeveer vijfhonderd (al zinkt dat aantal in het niet bij het totale aantal predikanten in die tijd, namelijk achttienduizend). We zouden verwachten dat de kerk na afloop van de oorlog in verwarring en in verlegenheid zou verkeren. Welke koers zette zij na de oorlog uit? Was het de koers van verootmoediging, van vernieuwing? Dat zijn vragen die aan de orde komen.

Israëltheologie en de Holocaust

Dit boek valt buiten het kader van wat gewoonlijk ‘Israëltheologie’ genoemd wordt, omdat de focus niet zozeer op Israël gericht is, maar op de Holocaust. Het tekort van veel vormen van Israëltheologie is dat zij de Holocaust buiten beschouwing laten. Dat lijkt mij onmogelijk. Een Israëltheologie die zich niet op de Holocaust bezint, laat de Joden van vlees en bloed buiten beschouwing. Het is vaker gesignaleerd dat Israëltheologieën meer geïnspireerd zijn door de stichting van de staat Israël dan door de Holocaust.Na de oorlog werden kerk en theologie zich ervan bewust dat zij in het verleden geen oog hadden gehad voor het Joodse volk. Men begon in te zien dat de kerk zich moest heroriënteren. De vervangingstheologie moesten we achter ons laten, waarmee bedoeld is dat de kerk de plaats van het volk Israël innam, waardoor de band met het hedendaagse Joodse volk werd doorgesneden.
Deze heroriëntatie kent echter ook een gevaar: het gevaar van verdringing. Vervanging moet niet ‘vervangen’ worden door verdringing. Er is niet zo veel gewonnen als vervangingstheologie een verdringingstheologie wordt. Daarmee bedoel ik het verdringen van het recente verleden, van de Holocaust, het verdringen ook van de rol die de kerk daarin gespeeld heeft en de wijze waarop na de oorlog hiermee werd omgegaan.

In dit boek wordt niet een Holocausttheologie beoogd. Er zijn tal van publicaties verschenen over de ‘theologie na Auschwitz’ of de ‘theologie na de Holocaust’. Juist in dat woordje ‘na’ schuilt echter een gevaar. Het kan namelijk betekenen dat we alweer aan de Holocaust voorbij zijn en intussen een fase verder zijn in onze bezinning, terwijl de Holocaust zelf niet aan de orde is geweest.
Dr. F.O. van Gennep, destijds hoogleraar theologie te Leiden, schreef: ‘Het is toch op zijn minst merkwaardig te moeten constateren, dat de kerken in de eerste vijftien jaren na de Tweede Wereldoorlog een bloeitijd doormaakten en door de gebeurtenissen in Auschwitz wel geschokt, maar niet ontwricht en ontworteld werden. Het leek er haast op of men de bittere vragen van de verlichting in een nieuw apostolair, ethisch en politiek elan te boven was (…).’

Na de oorlog werd de eschatologie een geliefd thema. Dat is niet toevallig. Bood in vroeger dagen het verleden een uitweg (de Romantiek), in de naoorlogse tijd functioneerde de toekomst als vluchtplaats. Eschatologie – de leer van de laatste dingen – klinkt op het eerste gehoor als een alarmsignaal. Maar in de praktijk was het een middel om het verleden achter zich te laten en zich daar niet mee bezig te hoeven houden. De opvatting van eschatologie was namelijk veranderd. Was het vroeger de leer van de laatste dingen waarheen de kerk op weg was, meer recent is deze opvatting vervangen door de gedachte dat de toekomst naar ons toe komt, zodat we in het heden al met de toekomst te maken krijgen. De toekomst is bijna tastbaar aanwezig. Dat versterkt de neiging om het verleden te laten rusten. Inmiddels is die eschatologische oriëntatie weer weggeëbd. De kerk heeft het oog naar binnen gericht: spiritualiteit heeft de eschatologie verdrongen.
De naoorlogse theologie, vanaf de jaren zestig, hield zich intensief bezig met allerlei maatschappelijke ontwikkelingen. De Nederlandse Hervormde Kerk liet haar eigen geluid horen in het publieke debat.

De kerk besefte dat zij verantwoordelijkheid droeg voor wat er in de samenleving aan de hand was. Het nazisme was een baken in zee; als de kerk zich aan het publieke debat onttrekt, is zij mede schuldig aan ontsporingen. Daarom werd na de oorlog de koers verlegd. De kerk richtte zich zelfs zo intensief op allerlei maatschappelijke en politieke kwesties dat in 1971 het Getuigenis werd gepubliceerd, met als doel de kerk terug te roepen tot haar kerntaak: de verkondiging van het evangelie van de verzoening.
Op al deze zaken wil ik niet dieper ingaan. Waar het om gaat, is dat er geen echt inhoudelijke en fundamentele bezinning is geweest op de ergste crisis in tweeduizend jaar: de Holocaust. Dat is achteraf bezien onbegrijpelijk. Deze ramp kan niet beschouwd worden als een op zichzelf staande zaak, het is geen incident geweest dat losstaat van de rest van onze cultuur en van onze geschiedenis. Wel heeft de Leidse theoloog dr. K.H. Miskotte (1894-1976) zich in de vooroorlogse jaren diepgaand met de cultuur en met Israël beziggehouden, maar na de oorlog heeft hij nauwelijks iets over de Holocaust gezegd. Toch zag hij de noodzaak daarvan wel in, getuige het volgende citaat uit 1950: ‘Het is ontstellend hoe weinig de gemeente de zorg der geschiedenis en de nood van Israël priesterlijk op het hart draagt voor het aangezicht Gods.’ Ook wij kunnen ons dat anno 2015 ter harte nemen!

Bezinning op de cultuur

Pas in 1989 was het Van Gennep die met zijn boek De terugkeer van de verloren Vader een grondige bezinning bood op onze cultuur. Dat was 44 jaar na het einde van de oorlog. Hij schrijft dat Auschwitz de diepste demonstratie is van het falen van de Verlichting. Anderzijds stelt hij dat Auschwitz een bij uitstek christelijk drama was. Dus christendom en Verlichting zijn beide verantwoordelijk. Daarom vraagt Van Gennep zich met de Joodse filosoof Adorno af of ‘Auschwitz niet in feite de mislukking van de hele cultuur betekent’. Hij zoekt de oorzaak van de tragedie van de Holocaust in het christelijke eenheidsdenken. Eenheidsdenken is een vorm van machtsdenken. Alles moet passen binnen één concept, binnen één visie, binnen één maatschappijopvatting. Dat kan alleen als afwijkende meningen en visies en afwijkend gedrag geëlimineerd worden.

Dat eenheidsdenken is kenmerkend voor de Verlichting, maar ook voor het christendom. In het betoog van Van Gennep stuit ik op de volgende zin, die veel te denken geeft. Van Gennep schrijft ‘dat vanaf de zestiger jaren (van de vorige eeuw, AP) bijna alle theologie worstelt met de vraag, hoe wij verder kunnen gaan en op welke wijze wij kunnen breken met het totalitaire christelijke denken, dat ons zozeer tegen het Jodendom heeft opgehitst’. Terecht wijst hij op het eenheidsdenken van de Verlichting. Maar wat is zijn alternatief? Hij stelt voor het eenheidsdenken te vervangen door een pluriform denken. Maar biedt dit een oplossing? Als er geen eenheid is, valt alles in delen uiteen. Het ene standpunt is dan niet meer waard dan het andere. Het ene argument wordt weerlegd door het andere. Het lijkt dat er ruimte komt voor een diversiteit aan gezichtspunten, meningen en overtuigingen, maar de praktijk zal zijn dat er juist door deze pluriformiteit strijd ontstaat en dat, om die strijd te beteugelen, er toch weer dwang gebruikt zal worden, bijvoorbeeld in de vorm van bureaucratie.

In de moderne tijd had de oude beschuldiging waar de Joden de eeuwen door mee te maken hadden, namelijk de moord op Christus, aan overtuigingskracht ingeboet. Een moderne liberale samenleving die tolerant wil zijn, kan met zo’n beschuldiging niet uit de voeten. Het is absurd de Joden daar tweeduizend jaar na dato nog mee lastig te vallen. Men zou verwachten dat juist in de moderne tijd, de tijd waarop de Verlichting zo’n zwaar stempel gedrukt heeft, een veelbelovende tijd voor de Joden zou inluiden. In zekere zin was dat ook zo. De Joden kregen de mogelijkheid om zich te emanciperen. Toch was het antisemitisme nog bij lange na niet overwonnen en het is de vraag of dat ooit zal gebeuren.

Modern antisemitisme

Een van de oorzaken waarom het antisemitisme in een nieuwe vorm de kop op stak, was het nationalisme. Het nationalisme is een modern verschijnsel.13 Zodra het nationalisme het moderne Europa vorm begon te geven kwamen de Joden in een moeilijk parket. Zij waren nooit als gewone burgers beschouwd. Dat gaf de eeuwen door problemen, ook al in de Romeinse tijd. De Joden werden toen als misantropen (mensenhaters) beschouwd. Ook het sabbatgebod werd niet begrepen, noch gewaardeerd. De Romeinen spraken hun afschuw uit over de besnijdenis, die zij als een bloedig en barbaars ritueel beschouwden.
Maar het anders-zijn van de Joden viel in een tijd van nationalisme nog meer op. Hoe zouden Joden betrouwbare vaderlanders kunnen zijn? De Joden werden gezien als een staat in de staat, als een vijfde colonne, een vijand die in de rug zou kunnen aanvallen. Er zit ook een andere kant aan het nationalisme, een kant die in het voordeel van de Joden werkte. Het gaf ook meer begrip en sympathie voor het verlangen van de Joden naar een ‘nationaal tehuis’, zoals het in de Balfour-verklaring (1917) genoemd wordt.

Een tweede oorzaak van het moderne antisemitisme was, zo kwam al even naar voren, het afbreken van de middeleeuwse standenmaatschappij. In een standenmaatschappij heeft elke bevolkingsgroep zijn eigen plaats. Zo ook de Joden. Zij woonden apart en moesten zich in bepaalde perioden ook door hun kleding onderscheiden van de andere burgers. Voor moslims golden in Spanje soortgelijke bepalingen. In onze tijd noemen we dat ‘discriminatie’, maar toen was het de gewone gang van zaken. In de moderne tijd werd de standenmaatschappij (adel, geestelijkheid en burgerij) opgeheven. De mensen waren voortaan aan elkaar gelijk. De Joden kwamen uit het getto en woonden steeds meer tussen de andere burgers. Zij gingen studeren en oefenden alle mogelijke beroepen uit. De grenzen vervaagden, maar de Jood was er nog steeds, alleen was hij nu bijna onzichtbaar. Een geassimileerde Jood is een onzichtbare Jood, maar ook een geassimileerde Jood is en blijft een Jood.
De cultuur zoals die sinds de Verlichting was ontstaan, kon de Jood niet meer aanspreken op zijn geloof of overtuiging. Maar hoe moest men dan de Jood herkennen en stigmatiseren? In de moderne tijd was dat door middel van het ras. Niet voor niets ontstaat in de moderne tijd het woord ‘antisemitisme’. Het gaat niet meer om het geloof, maar om het ras. Tegenover het Arische ras staat het Semitische ras. Dit heeft grote gevolgen. Een van die gevolgen is dat de Jood zichzelf nooit kan veranderen. In de Middeleeuwen was het altijd nog mogelijk dat de Jood zich zou bekeren, maar in de moderne tijd is die weg afgesloten. De Jood wordt vastgepind op zijn genen en genen veranderen niet. Dus hoe hij zich ook aanpast, hoe hij zich ook ontwikkelt, hoe modern hij ook wordt, hij blijft altijd Jood. De Amerikaanse historicus Raul Hilberg schrijft: ‘In de toespraken van de nazi’s en in die van de antisemieten uit de negentiende eeuw wordt over ras gesproken. In de geschriften uit de zestiende eeuw vinden we hierover niets terug.’

Er is nog een derde oorzaak, namelijk dat emancipatie niet automatisch assimilatie betekent. Een groot deel van de Joden greep de emancipatiemogelijkheden van de moderne tijd met beide handen aan. Daar stond tegenover dat zij zich niet lieten gelijkschakelen. Emancipatie betekende voor hen niet automatisch aanpassing. De meesten bleven hun geloof en ook hun rituelen trouw, en vierden hun eigen feesten. Het ergste voor de verlichte mensen van de moderne tijd was het feit dat de Joden vasthielden aan het Oude Testament. Dat was vooral voor de ruimdenkende mensen van de negentiende en twintigste eeuw een bewijs dat de Joden nog veel moesten leren. In het oog van de liberale samenleving emancipeerden de Joden zich, maar pasten zij zich niet aan. Zij kwamen maar niet los van hun wortels. Dat versterkte het wantrouwen. Merkwaardig genoeg werden Joden en vrijmetselaars dikwijls in één adem genoemd. Men zag de Joodse gemeenschap dus als een obscure sekte. Gedurende de negentiende eeuw nam het antisemitisme in Europa toe, en niet alleen in Duitsland. In Frankrijk was het niet veel beter en ook in Hongarije en Oostenrijk vond het antisemitisme een vruchtbare voedingsbodem. Wat Duitsland betreft, had een pamflet van Wilhelm Marr grote invloed. Het geldt als het begin van een nieuwe anti-Joodse campagne. Marr vatte alle problemen kort en bondig samen: ‘Het sociale probleem is eenvoudigweg het Joodse vraagstuk.’

Toen de nazi’s de macht grepen, kwam alles in een stroomversnelling. Al in 1933 vonden in Berlijn en in andere Duitse steden openbare boekverbrandingen plaats. Toch kan niet gezegd worden dat het Duitse volk boordevol Jodenhaat zat. De Joodse kwestie liet de meeste Duitsers koud.21 Het is niet toevallig dat er in de Hitlerperiode slechts één pogrom geweest is, namelijk de Kristallnacht van 1938. Het viel de nazileiders zwaar tegen dat de Duitsers niet vaker en massaler de straat op gingen om tegen de Joden te demonstreren.
Zygmunt Bauman – over hem meer in andere hoofdstukken – meent dat de moord op zes miljoen Joden niet het werk was van het Duitse volk, maar van specialisten die geen pottenkijkers konden gebruiken en die er alle belang bij hadden geïsoleerd van de buitenwereld hun werk te doen. Dat was het nieuwe en moderne van de Holocaust. Het was geen volksbeweging; het had een heel ander karakter dan de ouderwetse pogroms. Het was een programma dat door deskundigen, wetenschappers en specialisten was uitgedacht en werd uitgevoerd. Zodoende hoefde het Duitse volk niet massaal antisemitisch te zijn om toch het beoogde doel te bereiken. Het aannemen van een onverschillige houding was voldoende. Die onverschillige houding namen niet alleen de Duitsers aan. De onverschilligheid was veel breder. In 1938 riep Roosevelt de wereld bijeen te Evian om een oplossing te zoeken voor het Joodse vluchtelingenvraagstuk. Tijdens de conferentie bleek dat slechts één land bereid was Joodse vluchtelingen uit Duitsland op te nemen. Alleen in de Dominicaanse Republiek waren de Joden welkom en in geen enkel ander land. Anderzijds was het de Joden tot 1941 toegestaan om te emigreren. In veel gevallen moesten zij zelfs Duitsland verlaten. Ze waren echter nergens welkom, ze zaten in de val.23 De Holocaust is de tragedie van wereldwijde onverschilligheid. De hele westerse wereld was daarbij betrokken en draagt daarom mede schuld.
In 1945 was Hitlers missie ten einde. Hij had zijn doel bereikt. In 1945 konden de gaskamers ontmanteld worden. De gaskamers van Auschwitz werden niet alleen ontmanteld omdat de Russen in aantocht waren, maar ook omdat het karwei geklaard was. De vierhonderdduizend Hongaarse Joden die in een paar maanden, dus in ijltempo, aangevoerd en vergast werden, waren de laatste Europese Joden. De verschrikkelijke waarheid is dat Hitler zijn plannen heeft kunnen verwezenlijken. Hij heeft niet gewonnen, maar hij is wel in staat geweest om het Joodse volk, de christelijke kerk en de hele westerse cultuur in een enorme crisis te storten.

Doel van dit boek

Door dit boek lopen drie rode draden. Ten eerste de rode draad van een genuanceerde benadering van de positie van de Joden in de loop van de geschiedenis. Juist wat de laatantieke wereld en de vroege Middeleeuwen betreft zijn er veel clichés in omloop. Meestal ontbreekt de nuance. Het is bijvoorbeeld een simplificering als het beeld in stand gehouden wordt dat de Joden vogelvrij waren, geen enkele bescherming genoten, voortdurend verjaagd werden. Daarnaast is te weinig bekend hoe sterk de Joden onderling verdeeld waren over de mogelijkheden van emancipatie, om deel te nemen aan de moderne wereld. Dit punt krijgt vooral in het historische deel aandacht (speciaal in hoofdstuk 2).
De tweede rode draad is dat er voortdurend de aandacht op gevestigd wordt dat de Holocaust niet losstaat van de Europese cultuur zoals die na de Middeleeuwen, maar zeker ook na de Verlichting, gestalte kreeg. Soms lijkt het wel of er vooral een rechtstreekse lijn getrokken moet worden van de middeleeuwse kerk (met Luther als sluitstuk) naar de Holocaust. De kerk is de schuldige. De keerzijde van die werkwijze is dat de Verlichting uit de wind gehouden wordt. Er is vaak gezegd dat het nazisme een reactie was op de Verlichting, als een conservatieve tegenbeweging. Daarbij wordt gesuggereerd dat de Holocaust nooit had plaatsgevonden als men bij de thema’s van de Verlichting was gebleven. Dit is een onjuiste voorstelling van zaken. De Holocaust was niet een soort zwerfsteen in onze cultuur die daar bijna per vergissing is terechtgekomen. In hoofdstuk 7 kom ik hier nog uitvoerig op terug.
De derde rode draad is de vraag waarom de kerken de Holocaust nooit tot punt van bezinning hebben gemaakt. Na de oorlog stond Israël in het middelpunt van de belangstelling. Er verschenen rapporten – tenminste na verloop van tijd – over de nieuwe relatie met het Joodse volk en er werden conferenties belegd en studiedagen gehouden. Maar steeds en overal ontbrak – en ontbreekt – de vraag: wat betekent dit alles nu voor ons kerk-zijn nú? Zo’n catastrofe leidt toch bijna vanzelf tot zelfonderzoek? Waarom – als ik even in kerkelijke taal mag spreken – wordt wel rond het Heilig Avondmaal op zelfonderzoek aangedrongen, maar waarom heeft men dit nooit uitgebreid tot de kerk in haar geheel? Waarom is er geen kerkelijke of synodale censura morum? Alledaagser gezegd: waarom geen serieuze evaluatie over de dingen die gebeurd zijn met daarbij de eenvoudige maar ingrijpende vraag: hoe kunnen wij nú geloofwaardig kerk zijn? Deze evaluatie zou in de eerste jaren na de Holocaust heel nuttig geweest zijn, maar ook zeventig jaar na dato kan deze een heilzame en zelfs bevrijdende uitwerking hebben.

De volgende vragen probeer ik te beantwoorden:
• Wat was de positie van de Joden in Europa? Hoe stonden zij ervoor toen Hitler aan de macht kwam? (Hoofdstuk 2)
• Hoe was de relatie van de Duitse protestantse kerk tot de Duitse cultuur? (Hoofdstuk 3 en 5)
• Waartegen, waarom en hoe verzette zich de Bekennende Kirche? (Hoofdstuk 4, 5 en 6)
• In hoeverre is er een verband tussen de Holocaust en de moderniteit? (Hoofdstuk 7)
• Welke houding nam de Duitse kerk aan na de oorlog? Hoe ging zij om met de schuldvraag? (Hoofdstuk 8 en 9)
• Hoe heeft het Jodendom in theologische zin gereageerd op de Holocaust? (Hoofdstuk 10)
• Over welk kwaad hebben we het als het over de Holocaust gaat en valt er iets te zeggen over God en de Holocaust? (Hoofdstuk 11)
• Hebben christelijke theologen geprobeerd om de Holocaust theologisch te duiden en zo ja, hoe deden zij dat? (Hoofdstuk 12-16)
• In hoeverre is het mogelijk om het bijbelboek Job te betrekken bij de Holocaust en hoe denkt de Joodse theologie hierover? (Hoofdstuk 17)
• Welke boodschap ligt in dit alles voor de wijze waarop wij zeventig jaar na de Holocaust kerk willen zijn? (Hoofdstuk 18)

 

Klik hier voor meer informatie over het boek.

 

Woensdag 13 mei wordt het boek gepresenteerd bij boekhandel Den Hertog in Nijkerk. Klik hier voor meer informatie.

 

 

1 reactie

  1. […] hier de inleiding van het […]