IsraëlKerkMaatschappijSpiritualiteit

De ondraaglijke leegte gevuld

Donderdag 31 oktober 2013 vond in de Grote Kerk van Epe de presentatie plaats van het boek Als Freyja zich laat zien van dr. Henk Vreekamp. Tijdens deze drukbezochte presentatie gaf rabbijn Tamarah Benima een reactie. We zijn haar erkentelijk dat we de integrale tekst op Theoblogie mogen publiceren.

‘Henk is een dichter die vermomd is als theoloog’, dacht ik toen ik voor de tweede keer aan Als Freyja zich laat zien begon. Een paar tientallen bladzijden verder benoemde Henk zijn insteek ook zelf zo, al gebruikte hij daar de termen ‘dichter’ en ‘wetenschapper’. En, in zijn eigen formulering is natuurlijk absoluut geen sprake van ‘vermomming’, maar van een objecte beschrijving van een van de benaderingen die Henk Vreekamp loslaat op de religieuze teksten die en zijn hart hebben gestolen en waarmee hij worstelt. [Overigens] Ik neem Henk als theoloog serieus, laat daar geen misverstand over bestaan.

Ik moest wel van voren af aan beginnen, want bij eerste lezing kon ik alleen maar worstelen met dat boek. God mag dan uit Jorwerd verdwenen zijn, de offerdood van Jezus en de verzoeningstheologie zijn helemaal niet verdwenen uit het Christendom van Henk. Integendeel. Ik was geschokt en moest van voren af aan beginnen om te zien of ik vriend Henk wel goed had begrepen en geen onrecht had gedaan [met mijn kritiek].

Waarom die kwalificatie ‘dichter’ voor een schrijver die een bijna-romanvorm gebruikt om de esssentie van Christendom uit te leggen, plus de dwarsverbanden met Asutru, de godsdienst die aan het Christendom vooraf ging in deze streken, en met het Jodendom? Als een dichter houdt Henk zich niet aan de betekenissen die woorden normaliter hebben. Elk woord heeft een semantisch veld. Een woord kan vaak dit en dat en dat betekenen, met alle schakeringen ertussen. Henk rekt de grenzen van dat semantische veld op en dat doet hij door woorden uit de ene context te gebruiken voor gebeurtenissen of rituelen uit een andere context. Hij haalt bijvoorbeeld het woord ‘doop’ uit zijn christelijke context en gebruikt het om een ritueel te beschrijven waarbij een vader uit de Saksisch traditie zijn kind met water besprenkelt nadat hij het kind heeft erkend als het zijne. Het is heel duidelijk wat Henk wil zeggen: Kijk, mensen doen in hele verschillende gebieden en tijden dezelfde dingen in vergelijkbare omstandigheden. En, hij verbindt daar dan de impliciete conclusie aan dat die gelijkvormige handelingen dezelfde betekenis hebben. Culturen, beschavingen, staan zo minder tegenover elkaar dan je op het eerste gezicht zou denken. Zo omgaan met woorden, want dat is het toch, is bij uitstek wat een dichter doet. Vertrouwde woorden gebruiken op een nieuwe plaats om iets te laten zien, en te laten ervaren, dat je eerder niet zag, niet ervoer.

Er zijn heel veel verschillende contexten in dit boek: Christendom, Asutru (‘heidendom’), Jodendom, maar ook vader versus zoon, oude man versus dochter, de Heliand (de Saksische navertelling van het evangelie), en als een van de belangrijkste de context van de strijd tegen de dood en de overwinning daarvan. Uit al die contexten put Henk woorden om zijn schilderingen op te bouwen. En dat dan ook nog tegen het decor van de Veluwe, waarvan hij bijna elke meter voetpad kent.

Het oprekken van de grenzen van het semantische veld van woorden doet hij ook door de tijd wel in zijn chronologie te erkennen als hij over de Veluwe schrijft en over de kerstening daarvan en hoe het christelijke leven is en wordt geleefd, maar door de chronologie van de tijd te negeren als het om de interpretatie van religieuze teksten gaat. Hij heeft het adagium van de rabbijnen omarmd. Zij zeggen: „Er is geen ‘voor’ en ‘na’ in de Tora” – dat wil zeggen: in Tanach, het Oude Testament, wordt wel een chronologische volgorde gepresenteerd, maar in feite bestaat er geen chronologie, een woord uit een ‘jongere’ tekst kan licht werpen op de betekenis van hetzelfde woord uit een ‘oudere’ tekst, en vice versa. De rabbijnen en andere commentatoren doen niet anders dan het negeren van de tijd, ze doen niet anders dan hedens (meervoud) en verledens (meervoud) door elkaar husselen. Henk bevindt zich in goed gezelschap.

Maar vooral is Henk toch dichter omdat hij zijn enorme verbeeldingskracht inzet. Mijn Soefi-leraar Fazal Inayat Khan gaf ooit commentaar op Genesis 1, waarin gezegd wordt dat de mens is geschapen naar Gods evenbeeld. Dat kan niet lichamelijk zijn. Waarin lijken God en mens dan op elkaar? Ze delen de verbeeldingskracht. Henk is vooral dichter omdat hij zijn enorme verbeeldingskracht inzet om de wilde verhalen uit Tanach, Nieuwe Testament, Edda en Heliand bijna als een ongeremd kind – ik bedoel dat in positieve zin – als een kind dat zich niet door conventies laat beperken, te schilderen op een enorm doek, waarop van alles is te zien. Mij is het vaak veel te wild, maar ja… als kind was ik een preuts trutje, dat opgeprikt op een visitestoeltje zat en buiten spelend geen vlek op haar kleren kreeg of een scheur in haar broek opliep, terwijl ik me voorstel dat Henk als kind eindeloos met zwaarden en paarden en helmen en touwen en pijlen in de weer was. Ik kan er natuurlijk helemaal naast zitten, maar dat beeld drong zich bij het lezen op. Het kind dat met vriendjes slag levert in een eigengemaakte oorlogsuitrusting, de draak verslaat en de vijand terugdrijft en uitschakelt, wordt een man, een wetenschapper, een theoloog die beeldend een strijd beschrijft tussen leven en dood, met de allermachtigste figuren als de spelers van dit heilige spel: God, Jezus, de apostelen, de Asen en Wanen, Thor, Donar, Freyja, Njord, de missionarissen en heiligen, de dominees, de keizers en koningen met hun legers, in de hemel, op aarde en in het dodenrijk. In de Verantwoording schrijft Henk over het verschil tussen hemzelf en zijn studievriend en recensent van Zwijgen bij volle Maan, Bram van de Beek. Hij schrijft: „Voor Van de Beek was op ‘de grote hof’ voor de boerderij de tuin van Eden en daar verscheen voor het hek van het weiland op een zomeravond na de regen Elia aan Achab om hem de les te lezen over Nabot. Maar Golgotha of de Tuin van de Verrijzenis kregen geen plek rond de boerderij. Die beelden waren voor hem uitsluitend ontleend aan de kinderbijbel. Terwijl ik Goede Vrijdag en Paasmorgen nu juist begroette in de hof met vruchtbomen voor onze boerderij.”

De beschrijving van een Golgotha zo dichtbij het kinderbestaan, dat wil zeggen dat je de stervende Jezus kunt zien als je uit het raam van het ouderlijk huis kijkt, of sterker nog als je onder een van de bomen staat, waarin misschien net een ballon is vast komen te zitten, of een voetbal, of waar je je net nog achter hebt verstopt tijdens Tikkertje – plus het verdwijnen van diezelfde gemartelde Jezus van de vruchtboom in de eigen tuin na diens opstanding – die beschrijving van Golgotha en de Tuin van de Verrijzenis is voor mij de sleutel tot het begrijpen van dit boek. Toen ik voor de eerste keer Freyja las, was ik voortdurend bezig met de vraag: Waarom kiest hij deze weg in de interpretatie en niet die. En ‘deze’ stond voor, in mijn ogen, een ‘heidense’ benadering’ en ‘die’ voor een ‘joodse’. ‘Deze’ voor de nadruk op de strijd tegen de dood en de overwinning daarop, en ‘die’ voor het naleven van Gods handleiding bij het leven, de voorschriften, de mitswot. Henk en ik hebben de afgelopen jaren een paar keer per jaar gesproken bij een kopje thee of koffie. Toch heeft niets mij kunnen voorbereiden op de inhoud van dit boek. Want de strijd tegen de dood en de overwinning daarvan ervaar ik als de kernboodschap van dit boek. Terwijl dat op die manier nooit in onze gesprekken ter sprake is gekomen, althans, ik herinner mij daar niets van. Als rabbijn denk ik te kunnen stellen dat de strijd tegen de dood in het Jodendom nauwelijks een rol speelt; de focus ligt op hoe je het leven hier concreet moet leven. En als je daar punten mee verzamelt voor het goddelijk huishoudboekje, prima, maar het project leven wordt hier gerealiseerd, op aarde. In Tanach, het Oude Testament, is wel sprake van Sjeol, de plek waar de doden naartoe gaan, maar wat zich daar afspeelt: geen idee. Zou het een ‘hel’ kunnen zijn, zoals Henk vertaalt, het zou kunnen, maar geen mens in de joodse wereld, afgezien misschien een klein percentage ultra-orthodoxen (en de ultra-orthodoxen zijn op zich al een klein percentage), is bezig met ‘hel’. Ik durf te beweren dat het gewoon niet leeft. De ‘hel’, die is hier. Niet weinigen zijn daar maar net aan ontkomen. Nog een hel, na de dood, of een hel die niet meer gevreesd hoeft te worden, omdat een van ons, genaamd Jesjoea, die draak heeft verslagen – Joden kunnen zich er niks bij voorstellen.

Van een hiernamaals is al helemaal geen sprake in Tanach. En de rabbijnen waarschuwen al, vanaf de Oudheid, om je niet bezig te houden met wat je niet kunt weten. Dus op wat er in en na de dood gebeurt, laat je je verbeeldingskracht niet los. Maar vriend Henk stelt in dit boek dat we het wel degelijk kunnen weten. „We weten het van de profeten,” geeft de apostal als antwoord aan Freyja die ernaar vraagt. Henk heeft waarschijnlijk gelijk, maar de joodse traditie plukt heel selectief uit de Profetenboeken. Joden lezen Tanach niet van kaft tot kaft.

Dat maakt ook dat er in interreligieuze gesprekken tussen Joden en Christenen vaak zo’n spraakverwarring is. De referentiekaders zijn anders. Het zou me niet verbazen als Henk, en een goed deel van u, Jesaja 53 bijna letterlijk uit het hoofd kent: het hoofdstuk over de lijdende dienaar, die zijn leven offert voor ons ter uitdelging van onze zonden. Ik heb het nu voor de allereerste keer gelezen, om te weten waarnaar Henk in Freyja verwijst. Ik dacht: ‘Oh, hebben Christenen de offerdood van Jezus daarvan?!’ Maar het strookt zo totaal niet met mijn joods-religieuze socialisatie dat ik onmiddellijk daarachter aan dacht: ‘Dat lezen wij nooit. Daar doen we niks mee. Er zijn zoveel stukken waar we niks mee doen. God zegt tegen Awraham dat hij zijn Jitschak, Isaac, niet moet offeren, en that’s it. Dus, geen idee waar Jesaja het over heeft. Dat moet ik nog eens uitzoeken.’ Terwijl Jesaja 53 tekst is die de Christen raakt, althans een van de teksten, lees ik hem en kan er niks mee. Sterker nog: ik wil er ook niks mee.

Dat brengt mij op de interreligieuze dialoog. Meer en meer twijfel ik aan de mogelijkheid daarvan. Een religie is toch eigenlijk een soort huwelijk. Jouw eigen religie raakt je tot in het diepste van je wezen, en zo niet, dan ga je ermee aan de slag totdat het je wel raakt. Een andere godsdienst is als de man of de vrouw van een echtpaar. Je ziet ze en denkt: ‘Ik snap echt niet wat ze in die man ziet. Hoe kan ze met hem naar bed? Wat zou hij zo aantrekkelijk aan haar vinden? Wat heeft hij met haar?’ Je kunt het je niet voorstellen, en je wilt het je niet voorstellen. Dat is het verschil met andere godsdiensten. Ik wil me wel degelijk voorstellen wat het betekent om Christen te zijn, of Moslim, of Hindoe. Maar mij lukt het niet. Hoeveel missen en kerkdiensten ik ook heb bijgewoond, hoeveel ik er ook over heb gelezen en gesproken, hoeveel college ik er ook over heb gehad, hoeveel prachtige Maria-beelden ik ook heb gezien, en ook al staat er een afbeelding van een Catalaanse crucifix uit de 11de eeuw die op mijn bureau – er blijft een drempel die niet overschreden kan worden. En andersom is dat, denk ik, ook zo.

Ik heb het echt moeilijk gehad met dit boek. Golgotha plaats ik ergens anders dan Henk: in de concentratiekampen. Maar beslist niet als offer. God verhoede. De Tuin der Verrijzenis zou ik kunnen plaatsen in Israel. Maar liever niet. En al helemaal niet als verzoening. Van verlossing die er nu hier op aarde voor elk individu beschikbaar zou zijn omdat ooit een van mijn volk is vermoord – ik snap er niets van. De kern van het Jodendom en dus van Jezus is voor mij zo iets anders. En dat het Christendom een heel andere weg in slaat, snap ik dus ook niet. Maar het is zo. Henk beschrijft het op een onontkoombare manier. Dus nogmaals, ik heb het echt moeilijk gehad met dit boek. Maar voor de vriendschap tussen mij en Henk is dit boek onontbeerlijk. Het roept zoveel vragen op die ik Henk bij een kopje koffie of thee, of tijdens een wandeling op het Kootwijkerzand ga stellen. Vragen naar die beeldenwereld van hem, zo propvol met God en Godenzonen en Godendochters en al die andere gestalten… wordt hij er niet soms helemaal horendol van om ze allemaal een plek te moeten geven? En waarom laat hij de overwonnenen niet gewoon overwonnen, maar haalt hij ze steeds weer van stal? Waar houdt het heilige spel op? Is er een grens aan de verbeelding. Wat is er zo warm aan het heidendom? En, niet in de laatste plaats, vanwaar de „ondraaglijke leegte” waarover Henk aan het eind van zijn Verantwoording spreekt? Is die eindelijk gevuld? Of was hij dat altijd al?

Tamarah Benima


Tamarah Benima (Amsterdam, 1950) is een Nederlandse journaliste, columniste, vertaalster en is afgestudeerd als liberaal rabbijn. Zij is een van de eerste vrouwelijke rabbijnen in Nederland. Niets uit deze bijdrage mag zonder toestemming van de auteur worden overgenomen